i»^3S{«<»1llth!I-,
=00
•o
1
"CO
■co
1
;
^ra|
BanaB«Éw»mp
gMMM
UüMaitaiHHiM
Digitized by the Internet Archive
in 2010 with funding trom
University of Toronto
http://www.archive.org/details/demerchantadventOOIint
DE MERCHANT AÜVENTÜRERS
IN DE NEDERLANDEN
EEN BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS VAN
DEN ENGELSCHEN HANDEL MET
NEDERLAND
■^
Dr. C. TE LINTUM
Zegel der
„Merchant Adventurers"
's-GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1905
11 •
.-• A
DE MERCHANT ADVENTURERS IN DE
NEDERLANDEN
'^.
Zegel der
„Merchant Adventiirers"
DE MERCHANT ADVEXTURERS
IN DE NEDERLANDEN
EEN BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS VAN
DEN ENGELSCHEN HANDEL MET
NEDERLAND
Dr. C. te LINTUM
's-GRAVENHAGE
MARTINUS nijhoff
1905
V LfiSlTY Cf"^
Mo L5
BOEK-, COURANT- EN STEENDR UKKERI J G. J. THIEME. NIJMEGEN
VOORREDE.
De „Fellowship of the Merchant Adventurers" heeft in
de ontwikkeling van den Engelschen handel met de Neder-
landen een zeer groote rol gespeeld.
Toch is hare geschiedenis nog lang niet voldoende be-
schreven, vooral niet die van hare betrekkingen met
Noord-Nederland.
Immers, de verdienstelijke W h e e 1 e r , die omstreeks
1600 secretaris van deze handelsvereeniging was, schreef
zijne „Treatise of Comme re e", eene verdediging
en tegelijk eene geschiedenis van de Merchant Adventurers,
in 1601 (uitgegeven te Londen en te Middelburg). Dat was
dus een tijdstip, toen ze eigenlijk pas in Noord- Nederland
gevestigd waren.
Later in de 17e eeuw is er, zoover ons bekend, niets
meer over de Merchant Adventurers gepubliceerd behalve
eenige aanteekeningen in Balen's „Geschiedkundige be-
schrijving van Dordrecht" en in de 18e eeuw niet anders
dan het verdrag of concordaat met de stad Dordrecht,
benevens eenige korte aanteekeningen van de hand van
Burgemeester Van de Wall (te vinden in zijne ver-
zameling van Handvesten, Privilegiën enz.
van Dordrecht, 1790. ')
') De , Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden" van
Thirion, die in 't algemeen zoo rijk en betrouwbaar is, geeft over
de Adventurers slechts enkele opmerkingen bij de beschrijving van
Middelburg, Delft en Rotterdam; bij die van Dordt vermeldt hij de
Engelsche Court zelfs in 't geheel niet.
VI
De bekende onverschilligheid voor al wat de handels-
geschiedenis betrof liet ook in de eerste 70 jaren der 19e
eeuw de archiefstukken over dit onderwerp liggen, zoowel
in Engeland als hier te lande.
In 1870 echter schreef Mr. J. Soutendam, archivaris
van Delft, in de Bydragen voor Vaderl. Gesch. en Oudheid-
kunde van Nghoff (Nieuwe Reeks, 6e deel, p. 21) een kort
artikel over „de Engelsche Court of laken-
stapel te Delft, 1621 — 35," met 6 belangrijke bijla-
gen. Hij spoorde daarin zijne ambtgenooten te Middelburg,
Rotterdam en Dordrecht aan, zijn voorbeeld te volgen, maar
tot dusver is dit niet gebeurd. Te Rotterdam heeft het plan
meermalen bestaan, om den vrij dikken bundel stukken met
het opschrift „Engelsche Court, Schotsche Court" onder
handen te nemen, maar 't werk is telkens blijven steken
in 't eerste begin.
Ondergeteekende, door zijne studiën en werkkring reeds
lang in de richting der oeconomische geschiedenis gedreven,
vond zich daardoor te meer aangetrokken, om dezen arbeid
aan te grijpen en tot een einde te brengen. Het werk leidde
er vanzelf toe, dat ook de weinige documenten uit het
gemeentearchief van Middelburg (welwillend ter inzage gezon-
den door den archivaris, den Heer Dr. S w a v i n g) werden
bestudeerd en tevens het eenigszins uitvoeriger materiaal in
het Dordtsche archief. Natuurlijk kon menig punt aangevuld
of opgehelderd worden uit vroedschaps-resolutiën en uit de
besluiten van de Zeeuwsche en Hollandsche Staten, de plak-
katen der Staten-Generaal en enkele andere ofiBciëele stukken.
Aan moeilijkheden was hierbij geen gebrek; 't was vrij
gemakkelijk te ervaren, welke positie aan de Merchant
Adventurers gegeven werd, in theorie, d. i. onder welke
gunstige voorwaarden ze zich te Rotterdam en elders mochten
vestigen, maar 't was minder gemakkelijk, gewaar te wor-
den, welk gebruik (of misbruik) ze van die positie gemaakt
hebben. En het bleek zeer moeilijk, zoo niet onmogelijk.
eenig idee te krijgen van den eigenlijken hand els om ze t
en van de voordeelen, door de Engelschen (en ook door
Rotterdammers en andere Nederlanders) uit dezen handel
getrokken.
Zoo is het helaas al te dikwijls in de handelsgeschiedenis :
het formeele gedeelte is vrijwel na te gaan in over-
eenkomsten, traktaten, brieven enz., het materiëele is
onvindbaar, daar de eigenlijke handelsboeken verdwenen zijn.
Van de eigen archieven der Merchant Adven-
turers is tot heden toe niets teruggevonden dan de L a w s
and Ordinances (een perkamenten handschrift in 't
bezit van het Britsch Museum), een aantal traktaten en
privileges, eenige brieven en enkele extracten uit de registers
van algemeene vergaderingen.
De Amerikaansche geschiedvorscher Dr. W. E. L in gel-
ba ch, die zich sedert eenige jai-en wijdt aan de geschiedenis
der Merchant Adventurers, heeft in 1902 die stukken gepu-
bliceerd in zijn werk : The Merchant Adventurers
of England, their Laws and Ordinances
w i t h o t h e r d o c u m e n t s (uitgeg. door de geschied-
kundige afdeeling van de universiteit van Pennsylvania te
Philadelphia).
Vooraf geeft hij als inleiding een „brief history", die mij
van veel dienst is geweest bij dit opstel.
Van den Heer L., die in de gelegenheid is, de verschil-
lende archieven af te reizen, mogen we zeker nog veel
belangrijks over dit onderwerp verwachten ; onlangs gaf hij,
als eerste aanvulling van het genoemde boek een belangrijk
opstel over „the Merchant Adventurers at Hamburg".
(American historical Review, Januari 1904.)
Na kennismaking met de publicatiën van Lingelbach
scheen het me wenschelijker, mijn onderwerp iets ruimer
te behandelen dan oorspronkelijk mijn doel was. Hoofdzaak
zal wel blijven : de Merchant Adventurers in Holland, vooral
te Rotterdam, maar als inleiding zal daaraan voorafgaan
eene korte geschiedenis van de Fellowship vóór hare komst
in de Republiek der Zeven Provinciën en ook van haar
verblyf te Middelburg, terwijl aan 't einde van deze bijdrage
iets zal vermeld worden over de lotgevallen der Adventurers
na hun vertrek uit Holland en de Republiek. Natuurlijk is bij
de bedoelde inleiding ook gebruik gemaakt van het bekende
werk van Dr. Schanz: „Englische Handelspolitik gegen
Ende des Mittelalters", Leipzig 1881, van Dr. H. Brugmans:
„Engeland en de Nederlanden van 1558 — 67", van Stein
„die Merchant Adventurers in Utrecht (Hansische Geschichts-
blatter vol. IX p. 179) en van den zeer belangrijken „Kölner
Inventar" uitgegeven door Höhlbaum, 1903.
Intusschen, al is nu in dit werk in hoofdtrekken ook de
geschiedenis der Adventurers in Middelburg en Dordt beschre-
ven, dan is daarmee niet bedoeld, het gras weg te maaien
voor de voeten van hen, die in die plaatsen nog nadere
studiën wenschen te maken. Integendeel, ik hoop, dat ze in
deze bijdrage eene aansporing daartoe mogen vinden.
Ik mag hiermee niet eindigen, alvorens mijn hartelijken
dank te hebben uitgesproken voor de welwillendheid en
voorkomendheid, die ik mocht ondervinden bij Dr. Wiersum,
archivaris van Rotterdam, benevens de overige ambtenaren
van het Rotterdamsch gemeente-archief en eveneens bij die
van het Rijksarchief te 's-Gravenhage en bij de Heeren
Van Dalen, Dr. Swaving en Veder, archivarissen
van Dordt, Middelburg en Amsterdam.
En eindelijk mijn bijzondere erkentelijkheid aan de Hoog-
leeraren Blok, Brugmans en Kernkamp voor
hunne belangrijke wenken en inlichtingen.
C. TE LINTUM.
Rotterdam, Febr. 1905.
DE MERCHANT ADVENTURERS IN DE
MIDDELEEUWEN.
De Fellowship der Merchant ^) Adventurers is zeker een
van de eerwaardigste handelslichamen, die de wereld ooit
gekend heeft, indien men ten minste de eerwaardigheid
afmeet naar den ouderdom, zooals dikwijls mode is. Volgens
Lingelbach heeft ze een leeftijd bereikt van bijna GOO jaar,
't geen wat overdreven schijnt, wanneer men de zekere be-
richten nagaat, maar, indien men het zuinig neemt, dan loopt
de geschiedenis der Merchant Adventurers toch altijd nog op
zijn minst over 40 jaren, d. i. 150 jaren meer dan die
der groote East-India-Company.
Maar veel merkwaardiger nog dan om haar lange leven
is deze handelsvereeniging om haar vroegtijdig ontstaan.
Naar alle waarschijnlijkheid is ze het eerste groote han-
delslichaam, dat Midden- en West-Europa gekend hebben.
Koopliedengilden waren er reeds vele, maar altijd plaatse-
lijke gilden ; ze hadden in Duitschland wel is waar de stich-
ting der Hansa bewerkt, doch die Hansa was geen verbond
van kooplieden, maar van steden. Een groot nationaal gilde
kon in Duitschland niet bestaan, omdat er geen nationale
') „Merchant Adventurers" is de naam in alle officiëele stukken;
daarom wordt hij hier steeds zoo geschreven en niet „Merchants".
1
eenheid was, dus geen nationale veiligheid ; in de landen
van Noord- en Oost-Europa bestond de kans nog minder
wegens de weinige oeconomische ontwikkeling. Alleen Enge-
land en Frankrijk boden die gelegenheid, want zij bezaten
reeds in de 14e eeuw eene sterke nationale eenheid. In
Frankrijk schijnen de kooplieden er echter geen gebruik
van gemaakt te hebben, in Engeland alleen wel ; daar
stichtten ze een nationaal gilde, een groote fellowship.
In de Middeleeuwen ligt voor de Adventurers alleen de
tijd van opkomst onder vele worstelingen. Hunne geschie-
denis is er wel duister en eenigszins verward, maar toch
zeer belangrijk, omdat ze tegelijkertijd is de geschiedenis
der emancipatie van den Engelschen handel.
De Britsche eilanden waren in dien tijd erg achterlijk,
Avant ze lagen aan "t einde der toenmalige wereld. (Kaap
Laudsend bewaart de herinnering.) In de 14e eeuw, toen
Venetië beroemd was om zijn rijkdom en macht, toen Lubeck
de noordelijke zeeën beheerschte, toen Brugge schitterde
door wereldhandel, fijne industrie en kunst, was Londen nog
eene afgelegen havenstad. De positie der Britsche eilanden
was, bij wijze van spreken, als nu die van Uruguay ; de
bewoners leverden de ruwe produkten van veeteelt en land-
bouw af aan de vreemde kooplui, die ze met hunne schepen
naar vreemde landen brachten. Een passieve rol, maar toch
geen zwakke rol, want onder die ruwe producten waren er
enkele, die de andere volken niet konden missen : in 't bijzon-
der de Engelsche wol muntte reeds zoozeer uit door
hare kwaliteit, dat ze voor de fijnere lakens van de Neder-
landen, Duitschland en Italië bepaald noodig was. (Zelfs
Leiden betrok immers reeds vóór 1400 zijne , vellen" uit het
Engelsche „Calis".)
Ook was de politieke toestand in de 14e eeuw reeds veel
beter dan vroeger, ofschoon er ook in dit opzicht wel
gelijkenis was met het tegenwoordige Uruguay. Men had
in Engeland voorheen het Chineesche systeem van afsluiting
gekend ') en dit vrij lang volgehouden. De aanraking met
vreemdelingen was veelal een vijandige gebleven, totdat de
kruistochten ook hier hun goeden invloed hadden doen
gelden. Toen was de tijd gekomen, dat de vorsten, steeds
verlegen om geld, de vreemdelingen hadden aangelokt en
overladen met voorrechten, zoodat de eigen onderdanen met
reden mochten klagen over achterstelling.
De Duitsche Hansa genoot hiervan het meest; zij was
in de 14e eeuw de grootste exporteur te Londen; ze had
er hare uitgebreide factorij, den Staalhof, en ze bezat er
voorrechten, zooals nu alleen te verkrijgen zijn in Turkije
en China : eigen civiele rechtspraak, een zeer laag tarief van
belastingen en tollen, enz. Kortom ze had er een positie,
die haar bijna een monopolie verzekerde en voor den
Engelschman zelf haast allen uitvoer onmogelijk maakte.
Bijna een monopolie — niet geheel. Immers, er waren
ook Italiaansche handelaars, die direct uit Engeland ex-
porteerden en — er bestond reeds vóór 1300 één enkele
groep van Engelschen, die niet bij de vreemdelingen waren
achtergesteld, de „Mer chan ts of the Staple". De leden
der Stapelcompagnie zijn de eerste Engelschen geweest, die
een actieven buitenlandschen handel dreven. Dit was voor
hen evenwel geen groote verdienste, want zij werkten niet
uit eigen initiatief; zij waren eene officiëele koninklijke
compagnie. '■^). — De Koning heeft de Stapelcompagnie
opgericht, waarschijnlijk met het doel, om de wol van zijne
eigen schapen en van die zijner lords te verkoopen naar
het vaste land. Ze is daarom wel eenigszins te vergelijken
met de Nederlandsche Handel|raaatschappij, ook gesticht op
initiatief van den Koning zelf, in een tijd, dat het particulier
initiatief zich te zwak toonde. De Middeleeuwsche Engelsche
koningen zijn in dezen Merchant-kings geweest, wat hun
^) Zie Scbatiz „Engl. Handelspolitiek gegen Ende des Mittelalters"
I, p. 379.
') Zie Schanz I blz. 329.
zeker niet tot schande aangerekend behoeft te worden, even-
min als onzen Willem I.
Een stapel (stabile emporium) was eene vast aangewezen
plaats voor uitvoer of invoer van zekere artikelen. In
Engeland waren reeds onder Eduard I (± 1300) zulke vaste
exportstapels aangewezen, namelijk Newcastle, York, Lin-
coln, Norwich, Westminster, Canterbury, Chichester, Win-
chester, Bristol en Exeter met hunne respectieve havens
(b.v. Huil by York, Londen bij Westminster, Yarmouth bij
Norwich, Dover bij Canterbury), ') en ze hebben hun stapelrecht
lang behouden. Daar kon dus de Compagnie van den Stapel
de koninklijke wol uitvoeren, maar ze had tevens op het
vasteland een invoerhaven, die meer bepaald bedoeld wordt,
wanneer in onze geschiedenis gesproken wordt van den
Engelschen wolstapel. Deze bevond zich in de 13^ eeuw en
in de eerste helft der 14'' in den regel te Brugge, de meest
vrije markt van West-Europa en tegelijk de hoofdplaats
van het drukke textielgebied Vlaanderen. Alleen bij onlusten
en twisten werd de stapel soms voor eenige jaren verlegd
naar Antwerpen, Middelburg of Dordt. Het is genoeg be-
kend, hoe deze verplaatsingen reeds in de dagen van Floris
V tot half-oeconomische oorlogen gevoerd hebben.
In 't midden der 14*^ eeuw kregen de Engelschen echter
zelf eene goede en gemakkelijke haven op den vasten wal,
namelijk Calais, en dit werd nu natuurlijk de ofiSciëele stapel-
plaats voor de toekomst, ten minste, zoolang de Engelsche
eenhoorn er zou heerschen. We zagen reeds, hoe de
Vlaamsche lakenbereiders, die zich juist in die dagen voor
't eerst te Leiden nederzetten, hunne wol steeds van Calais
moesten halen. In de 15'^ eeuw volgden de drapeniers, die
zich te Amsterdam, Haarlem, Delft, Rotterdam, enz. hadden
gevestigd, dit voorbeeld.
') Zie H. de B. Gibbins ,The History of Commerce in Europe'
Londen 1897, p. 97.
De Stapelcompagnie schynt al spoedig, naast den uitvoer
van de aristocratische wol van koning en adel, ook den
geheelen export van de overige Engelsche wol gekregen te
hebben, ten minste naar de Nederlanden en Noord-Frankrijk,
want in onze oude bescheiden wordt het nooit anders voor-
gesteld, dan dat de drapeniers alleen te Calais hunne En-
gelsche wol konden krijgen. Waarschijnlijk hebben de Hansa-
kooplieden enkel den wol-export naar Noord-Duitschland
in handen gehad, terwijl die naar Zuid-Europa in 't bezit
der Italianen zal gebleven zijn.
In 't midden der 14e eeuw moet dus de Stapelcompagnie
een machtig en rijk lichaam geweest zijn, het troetelkind
en de trots der Engelsche koningen.
Maar juist in dien tijd begon in Engeland de groote
oeconomische evolutie, die tot op onze dagen is voortgegaan.
De Vlaamsche burgertwisten in de dagen der Artevelde's
dreven vele lakenwevers het land uit ; ze gingen niet alleen
naar Leiden, maar ook naar Engeland, het land der fijne
wol, waar de regeering hen al spoedig ging beschermen
door de uitvoerrechten op wol zeer te verhoogen. ')
Norwich, een der bovengenoemde stapelplaatsen, werd
het Engelsche Leiden, de bakermat der Engelsche textiel-
industrie.
Natuurlijk ontplooide de wolwevery er zich niet dadelgk
in al haren glans, zooals ze in Vlaanderen was, want ze
kon niet onmiddellijk over de beste werktuigen en werk-
krachten beschikken. Ze begon voornamelijk met grove,
witte lakenen, een halffabrikaat, dat in Vlaanderen en Brabant
gevold, geverfd, geschoren en geperst moest worden. Wie
zou het echter daarheen exporteeren? De Stapelcompagnie
meende natuurlijk, dat zij er de naaste aan toe was ; zij
had den uitvoer van de wol altijd gehad ; waarom zou ze
') Zie Em. van Meteren „Historie der Nederlanden en haar
naburen*. Amsterdam, uitgave van 1663, fol. 367.
6
die wol niet blijven uitvoeren, al was die nu een beetje
bewerkt? Zij meende zelfs, een onbetwistbaar monopolie te
hebben, ook voor dit laken, en de overige weefsels, die reeds
gemaakt werden, b.v. baai en karsaai ').
Maar er waren Engelschen, die daar anders over dachten.
Het particulier initiatief was eindelyk ontwaakt, de Engelsche
handelsgeest had zijne intrede gedaan in de wereld.
Onder den naam van Merchant Adventurers waren vrye
Engelsche kooplieden begonnen te varen op de kusten van
't vasteland, niet naar enkele vaste plaatsen, maar naar alle
kanten, in 't Noorden zelfs tot IJsland, in 't Zuiden tot
Spanje en Italië ). Ze droegen hun naam van avonturiers
waarschijnlijk juist om hunne verre tochten op eigen risico
en ook om de gevaren van de Middeleeuwsche concurrentie,
vooral met de Hansa, eeue concurrentie, die letterlijk op
leven en dood ging. Of was het niet avontuurlijk, door de
Sont, voorbij het machtige Lubeck, naar de kusten van
Pruisen te varen in een tijd, dat de Hanseaten zelfs den
koning van Denemarken en Noorwegen naar hun wil dwongen?
De ondernemingsgeest der Merchant Adventurers heeft
den grond gelegd tot de latere grootheid van Engeland's
handel en scheepvaart en daarom is het zeer vreemd, dat
de Engelsche geschiedschrijvers tot dusver zoo weinig lust
hebben getoond, om hunne lotgevallen na te sporen.
Een algemeene bond schijnt er in den eersten tijd onder
deze Merchant Adventurers niet bestaan te hebben, maar
het ligt wel in den aard der dingen, dat bij zoo gevaarlijk
werk de kooplieden uit ééue zelfde plaats afkomstig, of —
eerder nog — kooplieden op een zelfde haven handel drijvend,
zich voor korter of langer tijd aaneensloten. Enkele bewijzen
*) Kersey = a course stuff woven from long wool, chiefly manu-
factured in the north of England. (Zie Ure's dictionary of arts, ma-
nufactures and mines.)
'^) Zie Lingelbach ^,a brief history", biz. XXIII.
hiervoor zijn trouwens aanwezig: in de 16e en 17e eeuw,
toen de algeraeene broederschap der Merchant Adventurers
een zeer sterk gecentraliseerd lichaam was, had ze in ver-
schillende plaatsen van Engeland toch nog onderafdeelingen of
subsidiary courts en daarbij waren er enkele, die een betrek-
kelijk groote zelfstandigheid, met eigen voorrechten enz.
genoten, evenals bij ons de kamers der Vereenigde Oost-
Indische Compagnie. Dit wijst op een vroeger zelfstandig
bestaan als plaatselijke gilden '). En dat die lichamen in
den vreemde reeds heel vroeg samenwerking zochten, bewijst
het feit, dat meer dan eens alle Engelsche kooplieden geza-
menlijk in Brabant of Vlaanderen voorrechten verwierven.
Deze laatstgenoemde privilegiën hebben aan de lofredenaars
van de Fellowship gelegenheid gegeven haar ontstaan een
paar eeuwen vroeger te dateeren dan geoorloofd is.
Ze weten te verhalen van eenhandelsgilde, „theBrotherhood
of St. Thomas a Becket of Canterbury", dat reeds in het
midden der 13e eeuw belangrijke privilegiën kreeg van
hertog Jan van Brabant en dat later zijn naam veranderde
in Fellowship of the Merchant Adventurers. Maar uit niets
blijkt, dat dit stuk in *t bijzonder voor een enkele groep
van Engelschen bestemd is ; er wordt noch van eenige
brotherhood. noch zelfs van de Stapelcompagnie gesproken;
't is een privilegie in 't algemeen voor eiken Engelschman
op Brabantsch gebied. En evenzoo is het gesteld met bijna
alle oude voorrechten, die bekend zijn uit den tijd vóór 1400.
Wat de Brotherhood of St. Thomas a Becket betreft, er
is tot nu toe geen enkel bewijs, dat ze ooit bestaan heeft.
Niettemin blijft het natumdijk mogelijk, dat ze er toch
geweest is, als eene soort voorloopster van de Fellowship
of the Merchant Adventurers, maar dan is er toch weinig
kans, dat ze voor den handel veel beteekend heeft. Immers,
zij zou dan bestaan hebben in een tijd, toen de Stapel-
') Zie Lingelbach „a brief history", blz. XIX.
8
compagnie nog zeer machtig was en toen de ruwe wol nog
het eenige groote uitvoerartikel van Engeland was.
Eenmaal slechts komt er in de 14e eeuw een stuk voor,
dat aan eene bepaalde organisatie van Engelsche kooplieden
doet denken. Het is een privilege van 1359, gegeven
door Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, aan een
groep Engelsche kooplui te Brugge'), en nog in
't zelfde jaar bevestigd door Eduard III van Engeland. '^)
Het was juist in den tijd, dat de Stapelcompagnie wegens
hoogloopende geschillen van Brugge naar Calais verhuisd was.
Vermoedelijk zijn toen de vrije Engelsche kooplui dadelijk
in grooten getale op Brugge aangetrokken, om de leege
plaats in te nemen en hebben ze, niet meer vertrouwend op
de vroegere algemeene privilegiën, zich daar aaneengesloten,
om gezamenlijk nieuwe eigen voorrechten te krijgen. '*)
Deze vereeniging zou dan de allereerste broederschap
van Merchant Adventurers geweest zijn, maar zij heeft in
elk geval slechts een deel van deze vrije kooplieden omvat,
l.j„jc^ al is het dan misschien een belangrijk deel geweest, namelijk
^,^i^i-^- ' diegenen, die de wollen goederen naar Vlaanderen expor-
teerden.
Pas in de 1 5e eeuw zien we langzamerhand eene grootere,
meer algemeene organisatie ontstaan. Voor een deel is dit
te danken aan de koningen uit het huis van Lancaster, die
bij den aanvang dier eeuw den troon bestegen. Zij hebben
ten minste de gelegenheid tot meerder vereeniging
gegeven.
Reeds in 1407 schonk Hendrik IV een grooten vrijbrief
') Zie Lingelbach „a brief history", blz. XXIV.
°) Zie Cuningham „English industry and commerce" I, appendix C 4.
^j Lingelbach p. XXIV heeft een ander vermoeden, nl. dat in vorige
tijden de vi-ije kooplieden ,could look to the Staple Society and lts
Mayor for the protection of their interests" en nu, in 1359, niet meer. Dit
is echter geheel niet te rijmen met de vijandschap tusschen de Stapel-
compagnie en de vrije kooplieden, waarvan hij elders uitvoerig spreekt.
aan alle vrije Engelsche kooplieden, die handelden op de
Nederlanden. Duitschland, Frankrijk, ja op geheel het vaste-
land van Europa, dus aan alle Merchant Adventurers in den
ruimsten zin. Schanz noemt dit stuk de „Consulatscharte", j
omdat het vergunning geeft, zich op een of andere
plaats te verzamelen en daar een gouverneur of consul te
kiezen, om op te treden als advocaat voor de helangen
van allen en tegelijk als rechter in de geschillen tusschen
de kooplieden onderling.
Op de basis van dit belangrijke charter zijn nu waar-
schijnlijk verschillende nieuwe gemeenschappelijke factorijen
of courts van Merchant Adventurers ontstaan, te Antwerpen,
Bergen-op-Zoom, Middelburg en elders, waarvan echter die
te Antwerpen verreweg de voornaamste is geworden en op
den duur alle Merchant Adventurers, zoover ze ten minste
op de Nederlanden en West-Duitschland handelden, tot zich
of onder zich getrokken heeft. Van Antwerpen zou dus
de centraliseerende kracht uitgegaan zijn, die den band
gelegd heeft tusschen deze Adventurers, niet alleen buitenaf
in hun handelsgebied op het vasteland, maar ook in Enge-
land zelf, waar ze woonden in de verschillende stapel steden.
Een dergelijk proces dus als in vroeger tijd bij de Duitsche
Hanseaten, die ook eerst buitenaf in Wisby en Nowgorod
elkaar vonden en daarna pas kwamen tot een algemeen
verbond in Duitschland zelf.
Alleen met dit groote verschil, dat de Hansa is geworden
een verbond van steden en de broederschap der Merchant
Adventurers een verbond van p art iculi er en of hoogstens
van gilden.
Antwerpen was in de 15e eeuw zeker de aangewezen plaats,
om het middelpunt van den Engelschen import te worden.
Brugge ging achteruit door de /erzanding van het Zwin,
en buitendien waren de Vlamingen in en buiten Brugge
') Lingelbach „a brief history", blz. XXIV.
10
niet zoo bijzouder gesteld op den invoer van Engelsche
manufacturen, omdat deze concurrentie bracht aan de tal-
rijke Vlaamsche wevers '). Antwerpen daarentegen was in
volle opkomst en trok met graagte langs zijn breede en
diepe Schelde alles naar zich toe, wat Brugge moest of
wilde laten schieten. De hertogen van Brabant werkten
daarbij mede zooveel zij konden. Ook had Antwerpen in
dit geval nog het bijzondere voordeel, dat het op grooteren
afstand lag van Cal ais, dus meer buiten het bereik van de
Stapelcompagnie.
De oude stapel van Brugge werd dan ook reeds in 1411
verplaatst, eerst naar Middelburg, toen naar Antwerpen, en
van dit oogenblik af was de Scheldestad in den regel gedu-
rende bijna 2 eeuwen de algemeene stapelplaats'").
De stad Antwerpen zorgde voor een behoorlijk gebouw
met woningen en pakhuisruimte (nog lang daarna bekend als
het Engelsche huis), ook voor kranen, weegschalen, werk-
volk enz. en stond eenige belangrijke vi-ijdommen van
belastingen en een zekere mate van eigen rechtspraak toe.
Deze rechtspraak was in den beginne, zooals we zagen,
in handen van den gouverneur alleen, maar in 1462 gaf
Koning Hendrik VI van Engeland een zeer gewichtig charter,
waarbij aan de Merchant Adventurers te Antwerpen het recht
verleend werd, 12 assistants of bijzitters te kiezen,
terwijl de koning zelf de benoeming van een governor deed '*).
') Volgens Pirenne was de directe reden van het vertrek uit
Brugge het verbod van invoer der Engelsche lakens door den graaf
van Vlaanderen (op aandringen der Vlaamsche drapeniers) — zie
Pirenne , Geschied, van België", Antwerpen 1904, deel 11, blz. 393.
^) De Merchant Adventurers zelf stellen het in hun latere stukken
steeds zoo voor, alsof hunne komst Antwerpen het eerst tot bloei
heeft geholpen. Eene zeer gewone verwarring van oorzaak en gevolg ;
zonder twijfel heeft echter de Engelsche handel een groot deel aan
Antwerpen's opkomst gehad.
') Lingelbach ,a brief history", blz. XXV. Deze benoeming door
den koning zal waarschijnlijk niet anders dan eene bevestiging
11
Hierdoor kreeg dus de broederschap voor 't eerst een
officieel cachet en ze maakte daar dadelijk gebruik van, om
den baas te spelen over alle Engelsche kooplui in wollen
manufacturen, die zich nog niet bij haar aangesloten hadden.
De gunst der regeering deed dadelijk den m o n o p o 1 i e-g eest
geboren worden, zooals zoo dikwijls in de geschiedenis.
De Fellowship of the Merchant Adventurers eischte nog
wel niet aanstonds, dat ieder, die Engelsche wollen goederen
willen uitvoeren naar de Nederlanden, lid moest zijn, maar
ze vergde toch eene zekere contributie van alle buiten-
staanders. Als reden kon ze natuurlijk opgeven, dat z g
alleen officieel voor de belangen van allen opkwam bij de
vreemde autoriteiten. De contributie was eerst laag gesteld,
namelijk 1 old noble sterling, maar werd al spoedig ver-
hoogd, zoodat zij in 1497 reeds 20 pond sterling bedroeg.
De koninklyke bescherming bracht intusschen in de eerste
jaren niet veel geluk, wat geen wonder is, daar Hendrik VI
een van de zwakste koningen geweest is, die Engeland ooit
gehad heeft, terwijl juist in zijn tijd in de Nederlanden een vorst
regeerde, die groote energie en hoog aanzien bezat, namelijk
Filips de Goede van Bourgondië. Deze liet zich door de
klachten der drapeniers van zijn vaderlijk erfland Vlaanderen
bewegen, in 1464 allen invoer van Engelsche wollen
manufacturen in zijne landen te verbieden '). Nu waren
geweest zijn; ze heeft trouwens niet lang stand gehouden, want in
de wetten der 16^ eeuw vinden we steeds gesproken van eene vrije
gouverneurskeuze door de Adventurers zelf.
') Filips de Goede heeft tegenover de Adventurers eene buiten-
gewoon afwisselende houding aangenomen ; hij is blijkbaar heen en
weer getrokken door de verlangens van den Antwerpschen handel
aan de eene zijde en de angstkreten der Vlaamsche drapeniers aan
den anderen kant. Viermaal heeft hij den invoer van Engelsche lakens
en garens geheel verboden, in 1436, 46, 48 en 64, en daartusschen
in verleende hij aan de Adventurers in 1444 een voorrecht, dat ze
later als een van hunne eerste conditiën in de verdragen zetten,
namelijk, dat bij smokkelarij (, door vergissing of misverstand") hunne
12
dus Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Limburg, Namen,
Luxemburg, Holland, Zeeland, Arfcois en zelfs Picardië
voor de Merchant Adventurers verboden terrein. Alleen de
onrustige Friesche streken, het hertogdom Gelder en het
bisdom Utrecht bleven voor hen geopend, al was het laatste
ook reeds onder Bourgondischen invloed door bisschop David,
den onechten zoon van hertog Filips.
Men zou dus verwacht hebben, dat de Merchant Adven-
turers hun zetel zouden overgebracht hebben naar de belang-
rijke stad Groningen of wel naar het Geldersche Harderwijk,
maar ze deden dit niet, misschien door den invloed der
Hansa. Ze kozen de stad Utrecht en deden daarmee dus
voor 't eerst hunne intrede in 't eigenlijke Noord-Nederland ').
(Immers, Middelburg, waar ze meer dan eens verblijf ge-
houden hadden, was in die dagen niets anders dan een
Toorhaven van Antwerpen in het Schelde-gebied.)
Evenwel, de oude bisschopsstad kon op den duur niet
voldoen aan eene overzeesche handelsvereeniging : ze was
al lang geen geschikte zeehaven meer en kon enkel dienst
doen als tijdelijke toevlucht in nood. Na drie jaren, in
1467 bij den dood van Filips van Bourgondië, keerden de
Merchant Adventurers terug naar de oevers der Schelde
en bleven er nu voorgoed tot in de dagen van Filips H.
Gewoonlijk was hun stapel natuurlijk weer te Antwerpen,
goederen nooit verbeurd verklaard zouden worden, maar dat de
hoogste straf zou zijn een viervoudige betaling der verschuldigde
rechten. De verbodsbepalingen tegen den Engelschen invoer hebben
dan ook weinig uitgewerkt: de Vlaamsche en Brabantsche laken-
weverijen uit de steden verdwenen naar het platteland, vooral naar
Verviers, zoodat de bedoelde steden, als Gent, IJperen, Mechelen,
Leuven en Brussel hun heil moesten zoeken in fijnere industrieën.
[Zie Pirenne II blz. 385—388]. Een treffend verschijnsel, dat zich
later, in de ISe eeuw, herhaalde in Holland, toen de lakenweverij
verhuisde van Leiden naar Tilburg.
*) Zie Stein ,die Merchant Adventurers in Utrecht". Hansische
Geschichtsblatter vol. IX, p. 179.
13
maar toch niet altijd. Immers, al waren deze avonturiers
nu tot een deftig lichaam geworden, ze verloochenden
hun oorspronkelijken aard nog niet : ze toonden bij voort-
during eene buitengewone beweeglykheid.
Indien de Fellowship te Antwerpen haar zin niet voldoende
kon krijgen, was ze dadelijk klaar, om zich te verplaatsen
naar Bergen-op-Zoom (toenmaals een zeer goed gelegen ha-
ven), en vond ze daar niet genoeg tegemoetkoming, dan nam
ze de pakken weer op en ging naar Middelburg. Deze
beweeglijkheid, hoewel ze natuurlijk onkosten en bezwaren
meebracht, heeft aan de Merchant Adventurers groote voor-
deelen verschaft ; want ze was niets anders dan eene specu-
latie op de onderlinge jaloezie der steden, een middel, om
de magistraten dier steden tegen elkaar te doen opbieden
met voorrechten en gunsten.
Van die stedelijke gunsten moest men het in de eerste
20 jaren na 1467 wel voornamelijk hebben, want de Bour-
gondische regeeriug onder Karel den Stoute en Maria was
zoo erg tegemoetkomend niet en de Engelsche regeering
zelf zat te veel verward in de bloedige twisten der Roode
en Witte Roos, om grooten steun te kunnen verkenen. De
eenige krachtige vorst van die dagen, Eduard IV, die zich
nog had kunnen doen gelden, heeft juist de hulp noodig
gehad van de twee ergste vijanden der Merchant Adven-
turers ; hij is namelijk de eerste maal op den troon gebracht
door Warwick, gouverneur van Calais, die medewerking had
van de S t a p e 1 c o m p a g n i e en de tweede maal is hij
koning geworden met den steun der H a n s a, die hij daar-
voor in het verdrag van Utrecht (1473) met vernieuwing
van privilegiën beloonen moest ').
Eerst met de troonsbestijging der Tudors, na het einde
der twisten in 1485, begon de bloeitijd van de broeder-
schap der Merchant Adventurers. Hendrik VII verlangde de
*) Zie Schanz I, 346.
14
emancipatie van den E n g e 1 s c h e n handel,
waarvoor de Mercliant Adventurers het voornaamste werktuig
moesten zijn. De Stapelcorapagnie werd daarom nog niet op zg
gezet, maar toch wel op den tweeden rang. De Merchant
Adventurers hadden natuurlijk gaarne deze andere broeders
geheel zien verdwijnen of misschien nog liever ze willen
ahsorbeeren, en ze waren reeds begonnen met van de leden der
Stapelcompagnie contributies te heffen evenals van de andere
Engelsche kooplui, maar Hendrik VII heeft gezorgd, dat
dit ophield. Toch heeft de Stapelcompagnie aan 't eind
het veld moeten ruimen, daar zij thuis behoorde in een
vroeger oeconomisch tijdvak. Ze heeft nog bestaan tot het einde
der 16e eeuw, maar met weinig leven ; de beste krachten
waren al veel eer overgegaan naar de Merchant Adventurers;
in 1525 telde men reeds 73 Stapelkooplui, die het nieuwe
vaandel gekozen hadden ').
De groote hinderpaal voor de emancipatie van den
Engelschen handel was intusschen de Duitsche Hansa met
hare schitterende voorrechten. De Hanseaten mochten het
wollen halffabrikaat uitvoeren tegen hetzelfde tarief van
uitvoerrechten als de Adventurers, namelijk 14 pence voor
een gewoon stuk ongeverfd laken van 24 yards. Maar ze
hadden geen andere personeele of zakelijke lasten te betalen,
wat de Adventurers wel moesten doen (als Engelsche onder-
danen) ; daarom waren de Hanseaten in gunstiger conditie
en hadden niet enkel den ganschen uitvoer naar alle havens
van Groningen tot aan Koningsbergen en Nowgorod, maar
ook brachten ze vele „witte" lakens enz. naar de Neder-
landen, vooral Vlaanderen en Brabant, lieten die daar verven
en afwerken en verscheepten ze daarop naar Duitschland ").
De Hanseaten zijn dus voor de Adventurers de groote
vijanden geweest : tegen hen hebben ze gestreden met alle
') Zie Schanz I, 346.
') Zie van Meteren, fol. 367.
15
kracht en in dien strijd hadden ze noodig de privilegiën
van de Nederlandsche vorsten en staten en niet minder
de gunst van de Engelsche koningen. Hendrik VU, de
eerste der Tudors, is reeds begonnen, de voorrechten der
Hansa in Engeland wat in te krimpen, maar het was pas
diep in de 16e eeuw, vóórdat de Engelsche regeering dorst
op te treden met hooge differentiëele rechten. Toen werd
de overwinning voor de Adventurers gemakkelijk, zoodat
ze het zelfs wagen konden in 't eigenlijk gebied der Hansa
door te dringen ').
*) We spreken hier natuurlijk van de Fellowship of Merchant
Adventurers, niet van den vrijen zwerm van kapers en avonturiers»
die in den ouden tijd den naam van Merchant Adventurers droegen
en toen ook in de Oostzee binnengedrongen waren. Zie boven blz. 7.
./
/
INRICHTING EN BETEEKENIS VAN DE FELLOWSHIP
OF THE MERCH. ADV. IN DE 16'' EEUW.
Met het jaar 1500 zijn voor de Fellowship of the Mer-
chant Adventurers de worstelingen en moeilijkheden der
jeugd achter den rug en ze treedt volwassen, sterk, gehar-
nast de 16e eeuw binnen. Zeer waarschijnlijk is die eeuw
haar schoonste tijd geweest, niettegenstaande de gedurige
politieke kwesties tusschen Engeland en de Nederlanden,
want de koningen van Engeland waren in de 16e eeuw
machtige beschermers. Zeker is haar aanzien in de 16e
eeuw het grootst geweest, ten minste in haar eigen land,
want zij nam gedurende een groot gedeelte dier eeuw een
eenige plaats in ; zij was het groote handelslichaam van
Engeland, daar immers de Stapelcompagnie ten ondergang
nijgde en de groote organisaties van den nieuwen tijd, de
Moscovische Compagnie en de East-India-Company, pas
tegen 't einde der 16e eeuw opgericht werden.
De grondwet van de Fellowship was het charter van
15 01, gegeven door koning Hendrik VII, uitgebreid in 1505 ')
en bekrachtigd door alle volgende Tudors. Dit gaf eindelijk het
officiëele monopolie voor den uitvoer van wollen manu-
') Zie Lingelbach ,a brief history", XXVI en Schanz „Handels-
politik", II, blz. 549.
17
facturen naar Calais en de meeste Nederlanden, ') waarnaar
de Merchant Adventurers zoolang verlangd hadden. Immers,
het gaf aan het bestuur der Fellowship het recht, allen,
die den handel der Fellowship dreven, tot toetreding te
dwingen. Dit bestuur moest nu bestaan uit een of meer
gouverneurs en 24 bijzitters of assistenten, die allen ge-
kozen moesten worden door de leden, vereenigd in een
algemeene vergadering (general court). — Governor and
assistants hadden een zeer groote macht : wetgevend, uit-
voerend en rechterlijk. Ze mochten verordeningen maken,
ambtenaren aanstellen in en buiten Engeland, en hadden
de rechtspraak over alle civiele geschillen tusschen de leden
onderling '), ja, ze bezaten zelfs crimineele jurisdictie over
de leden, in zooverre het de uitvoering der charters en
ordonnantiën gold.
Hunne dwangmiddelen bestonden uit vrij hooge boeten
(waarvan de helft voor den koning was !) en gevangenisstraf.
Over zeer belangrijke zaken, b.v. contracten met de vreemde
autoriteiten, verplaatsing der factorijen enz., moest natuurlijk
de algemeene vergadering gehoord worden, maar hare besluiten
waren eigenlijk slechts adviezen, daar het bestuur die alleen
behoefde uit te voeren, indien het zelf wilde, namelijk „als
de meerderheid van gouverneur en bijzitters ervoor was." '')
Zoo berustte dus eigenlijk alle macht bij dat bestuur en
dit verklaart het buitengewoon snelle en besliste optreden,
dat bij alle onderhandelingen der broederschap zoo duidelijk
uitkomt. Zulk een stevige, militaire inrichting was van groot
belang in een tijd, waarin steeds strijd te voeren was,
vooral van belang tegenover een lichaam als de Hansa, dat
') In 't stuk wordt gesproken van „our towne of Calais and the
parties of Holland, Zeland, Brabandt, Flaunders and the other places
beyonde the see being in amytie with us."
-) In Calais ook zelfs tusschen de Adventurers en alle vreemde
kooplieden! — zie Sehanz II, 151.
') Lingelbach ,a brief history", I, vlg.
2
18
by al de sterkte zijner leden te zeer de eenheid miste, die
toch aan 't einde de macht maakt.
De zetel van liet hoofdbestuur was in 't bovengenoemde
charter niet bepaald aangeduid ; er werd evenwel gezegd,
dat de algemeene vergadering moest belegd worden te
Londen of elders, zoodat Londen ook wel in den regel de
bestuurszetel geweest zal zijn, tenminste in de eerste helft
der 16e eeuw. In latere bepalingen vindt men voorge-
schreven, dat het hoofdbestuur jaai-lijks gekozen moest wor-
den door ,the brethren of the said fellowshippe or by the
most parte of them one this syde the Seas", waar-
mee bedoeld is: „op het vaste land", maar de
zetel van het hoofdbestuur is daarbij ook nog niet aange-
wezen. ')
In de verschillende centra der Merchant Adventurers in
Engeland buiten den zetel van het hoofdbestuur bestonden
afdeelingen, meer of minder zelfstandig (zie boven), maar
alle onder een bestuur, dat door het hoofdbestuur benoemd
werd.
Evenzoo hadden de stapelplaatsen op het vasteland (die
hoogstens twee in getal mochten zijn) hun eigen Courtbestuur.
Koning Hendrik VII, die deze groote macht en deze
sterke organisatie aan de broederschap schonk, had haar reeds
eenige jaren eerder, in 1499, een uiterlijk teeken van haar
officieel en deftig karakter gegeven, namelyk een wapen.
'j Lingelbach meent zeker te weten, dat die hoofdzetel, ten min-
ste in de IT^ eeuw en later buiten Engeland was (zie „a brief
historv", blz. I), maar hij vergist zich daarin zeer bepaald; alle
onderhandelingen met het hoofdbestuur der Adventurers, zoover ze
in de archiefstukken van Middelburg, Delft, Rotterdam en Dordt
te vinden zijn, spreken van het hoofdbestuur te Londen. Vaneene
keuze dier bestuurders door vergaderingen in Midd., Delft, Rott. of
Dordt blijkt niets, maar die kan niettegenstaande dat wel plaats
gehad hebben; de zetel echter van 't hoofdbestuur was in de eerste
helft der 17e eeuw bepaald te Londen (zie hierover vooral ook
het Naschrift j.
19
met het devies: „Reddite cuique quod suum est.' ') Een
schoone spreuk, maar in 't gebruik wat al te rekbaar !
De ordonnantiën en reglementen, door de achtereenvol-
gende hoofdbesturen opgesteld en uitgevi^erkt en gewijzigd,
zijn in den loop der 16e eeuw aangegroeid tot een vrij
groot wetboek, door Wheel er verzameld in zijn „Lawes,
Cu stom es and Ordinances", uitgegeven door Lin-
gelbach en aldaar 197 bladzijden beslaande.
Er blijkt zeer duidelijk uit, dat de Fellowship in "t minst
niet den naam verdient van maatschappij, die er wel eens
aan gegeven wordt door schrijvers van handboeken. Ieder
lid bleef zelfstandig handelsman en dacht er niet aan, zyn
kapitaal toe te vertrouwen aan een of ander college van
directeuren of commissarissen. Blijkbaar had het crediet in
die dagen nog niet zoo'n hoog peil bereikt, dat men dit
aandorst, ten minste niet in deze streken ; de wetgeving
was er trouwens ook nog niet op ingericht.
De Fellowship was een gilde. Ze toonde zelfs in hare
ontwikkeling dezelfde stadiën als de gewone handels- en
handwerksgilden. Eerst, in haar beginselen in de 14e eeuw, was
ze een vrije vereeniging geweest tot onderlinge hulp en
steun. In de 15e eeuw had ze alle beoefenaars van haar vak
(den uitvoer van wollen manufacturen en eenige andere koop-
waren naar de Nederlanden) in zich opgenomen en het gilde
gemaakt tot een middel om de concurrentie te be-
perken; ze was een besloten vereeniging geworden met feite-
lijk monopolie, bekrachtigd door het charter van 1501. In de
16e eeuw eindelijk is ze gekristalliseerd tot een uitvoerig
gereglementeerd instituut, dat ook in 't bijzonder gericht was
op waarborgen voor eene goede techniek van den handel. ')
') Het wapen op het titelblad van dit boek afgebeeld, is van een
brief van 1649, dus uit den tijd der Republiek, toen gestreefd werd
naar emanciijatie der Engelsche taal : daarom luidt het opschrift
hier: „Give unto every man that whitch is his".
') Een voorbeeld van dergelijke ontwikkeling van nijverheidsgilden
20
De afsluiting was gelukkig niet zoo, dat er geen nieuw
frisch bloed in de Fellowship kon komen. Wel was de
toetreding voor de zonen der leden gemakkelijker dan voor
anderen, maar die anderen waren niet uitgesloten.
Wie lid wilde worden („free and sworn brother of the
fellowship") moest in den regel beginnen met een leer-
tijd van niet m i n d e r d a n 8 j a r e n. Had hij dien
goed volbracht, dan kon hij toegelaten worden, maar
alleen op een general court, eene algemeene vergadering.
Als hij daar welkom verklaard was, moest hij den plech-
tigen eed van trouw doen in handen van den gouverneur.
Voor zoons van leden verviel de verplichting van den leertijd,
daar men zeker onderstelde, dat ze bij hun vader de noodige
ondervinding wel opgedaan hadden, terwijl de vader natuurlijk
ook eenigszins borg was voor hun gedrag als lid. Het spreekt
evenwel vanzelf, dat ook zij niet anders toegelaten werden
dan na goedvinden van de algemeene vergadering en na
den gewonen eed. Om misbruik te voorkomen, gold de
vrijstelling van den leertijd alleen voor die zoons, die geboren
waren tijdens het lidmaatschap van hun vader.
Wie geen Engelschman, zoon van Engelsche ouders, was,
mocht in geen geval toegelaten worden : de Fellowship was
dus een streng nationaal gilde. Nog sterker
spreekt dit uit de bepaling, dat het lidmaatschap ophield
bij huwelijk met eene vreemde vrouw of verwerving van
vreemd eigendom.
Van een bepaald kerkelijk karakter van dit gilde blijkt
niets, maar toch bestonden er zekere m o r e e 1 e voor-
schriften voor het lidmaatschap : bankroetiers waren
uitgesloten en zelfs alle personen van minder goede levens-
wijze. Voorschriften, die de moderne handel heel niet
kent, maar die toch soms nog wel noodig zouden zijn.
leveren de textielgilden in Rotterdam. [Zie Te Lintum, ,de Textiel-
industrie in oud-Rotterdam", Rott. Jaarboekje 1900.1
21
Een aristocratische tint had de Fellowship wel, zooals bij
een Middeleeuwsch lichaam haast vanzelf spreekt : hand-
werkslieden en onvrijen konden nooit lid worden.
Het gilde kende alleen leden (brothers) en leerlingen
(apprentices), gezellen of knapen kwamen niet voor. Maar
in plaats daarvan bestond er eene soort van leden, die nog
niet de volle rechten hadden, namelijk de jonge leden,
die minder dan drie jaren in de Fellowship waren. Zij mochten
per jaar niet meer dan 400 stukken laken uitvoeren, terwijl
de hoeveelheid voor oudere leden hooger gesteld werd tot
een maximum van 1000 stukken (van 28 of 32 yards).
Aan een bepaald getal bleef ieder lid gehouden, jaarlijks vast
te stellen door het hoofdbestuur; dit was ,the stint of
trade". Deze maatregel had natuurlijk ten doel beperking
van de concurrentie tusschen de leden onderling en beheer-
sching van den marktprijs, hetzelfde, wat onze hedendaagsche
trusts en kartells ook najagen. De controle, die hierbij de
gi'oote moeilijkheid en zelfs in vele gevallen het struikelblok
is (gelukkig !), was bij de Merchant Adventurers betrekkelijk
gemakkelijk, daar al hunne goedereu uit een zeker getal
stapelhavens vervoerd werden op speciale schepen en op
geregelde tijden. Daarbij hadden ze in den regel ook maar
ééne plaats van bestemming (in de 16^ eeuw gewoonlijk Ant-
werpen). Viermaal in 't jaar zetten de schepen der Fellow-
ship, eerst te Londen tot eene groote vloot verzameld,
koers naar de boorden van de Schelde (in verband met de
jaarmarkten in de stapelplaats) ; ze hadden soms lading
tot een waarde van 350000 pond sterling, en dat bijna
.alleen half afgewerkte „witte" lakens, karsaaien en baaien I
De kooplieden moesten zelf meekomen, tenzy ze misschien
reeds in de stapelplaats woonden. Immers, het voorschrift
luidde : „ieder moet zijn eigen goed verkoopen". Agenten,
commissionnairs, makelaars ') mochten er niet bij te pas
') In de contracten der Fellowship met stadsbesturen wordt echter
komen, alweer een teeken van de nog kleine ontwikkeling
van het crediet, maar tegelijk een maatregel tot betere
controle. Slechts op drie dagen van de week was de ver-
koop geoorloofd, de toondagen : Maandag, Woensdag en
Vrijdag. Wie op andere dagen verkocht, werd zwaar gestraft,
Ook mocht de verkoop nergens plaats hebben dan in het
courthuis (d. i. het huis, waar de gouverneur en assistants
van de factorij hun Court of gerechtshof gevestigd hadden
en dat woningen, vergaderzalen en pakhuisruimten bevatte).
Wie elders verkocht, was strafbaar, ja zelfs reeds diegene,
die zich op straat over verkoop van wollen manufacturen
(courtwaren) liet aanspreken !
Al was de Merchant Adventurer dus zelfstandig koop-
man, de beperkingen van zijne vrijheid waren lastig en
veelvuldig genoeg. Maar daarvoor genoot hij dan ook
vooreerst van de algemeene voorrechten der Fellowship ;
ten 2e van de voordeelige prijszetting en ten 3e van den
steun bij het innen zijner gelden. Zijn schulde-
naar was verplicht uiterlijk binnen zes maanden te betalen,
anders was hij voorgoed van allen handel met de leden
der Fellowship uitgesloten (onverminderd het recht van den
schuldeischer, om met den sterken arm in te vorderen).
't Gebruik van wissels was natuurlijk aan de fellows
bekend en ook geoorloofd, ') maar ze mochten nooit meer
dan 7 % disconto betalen (waarschijnlijk een maatregel, om
hen van overdreven speculatiën af te houden).
wel melding gemaakt van makelaars. Ten minste in de 17e eeuw.
Men moet, in verband met de hier besproken voorschriften aannemen,
dat die alleen moesten dienen bij den handel der leden in andere
dan courtwaren. Immers, de Merch. Adv. voerden, behalve de wollen
manufacturen ook nog tin en ijzer en Levantsclie waren in en expor-
teerden naar Engeland artikelen uit de Nederlanden. In al deze
handelszaken waren ze zeker wat minder gebonden.
') Lingelbach „a brief history", p. XIX. — De Adventurers stelden
zelfs in den regel overal, waar ze zich neerzetten, den eisch, dat eene
stedelijke wisselbank zou worden opgericht.
23
Al was dus de Fellowsliip geen maatschappij of vennoot-
schap, machtig door grooten voorraad van vereeuigd kapitaal,
ze was toch door haar sterk bestuur en hare stevige constitutie
een lichaam, dat zich met groote kracht kon doen gelden.
Dit in *t licht te stellen, scheen ons bijzonder belangrijk;
immers, de kracht en de vastheid, in de 16e eeuw ver-
kregen, werd meegebracht en ook aangewend in de 17e eeuw,
toen de Fellowship haar zetel vestigde in Zeeland en Holland.
Ze heeft a. h. w. een harnas aangetrokken van privilegiën
en wetten, evenals later onze Indische Compagniën en
zoovele andere lichamen. En ze is ook net als deze laatste
op den duur vervallen in de groote fout, dat ze dit harnas
niet bijtijds weer heeft willen afleggen.
Het was bestemd voor den oorlog, eerst tegen de Stapelcom-
pagnie en de Hansa, daarna tegen de Nederlandsche vorsten
en andere overheden, die hen onder den drang der inlandsche
lakenkoopers en manufacturiers hindernissen in den weg
legden. Toen die strijd voorbij was, had men het harnas
moeten opbergen.
De lotgevallen van de Fellowship der Merchant Adven-
turers in de 16e eeuw kunnen we hier slechts kort be-
spreken, vooreerst omdat dit in het plan van dit opstel
ligt en ten andere, omdat de bedoelde lotgevallen nog niet
voldoende bekend zijn. Schanz heeft zich in zijn meermalen
genoemd werk bepaald tot de Middeleeuwen en geeft na
1500 alleen eene reeks documenten. ') Lingelbach is over
de 16e eeuw zeer kort. Een speciaal hernieuwd onderzoek
in de archieven van Antwerpen, Middelburg en Bergen-op-
Zoom zou hiervoor zeer wenschelyk zyn. ")
') Zie Schanz II „ ürkundenbeilagen " , 15 — 77.
^) Lingelbach geeft in zijne voorrede p. X het loffelijke plan te
kennen, alle archieven van Europa, die hier in aanmerking komen, nog
eens te bezoeken; hij publiceerde reeds als eerste resultaat daarvan zijn
artikel ,the M. A. at Hamburg" American historical Review Jan. 1904.
24
In 't algemeen verheugden zich de Merchant Adventurers
voortdurend in de gunst der Tudors. Hunne voorrechten
van die zijde werden telkens hernieuwd (door Hendrik VHI,
Eduard VI, Maria en Elisabeth), waarbij de strafbedreiging
tegen de vrije kooplui, die zich niet bg hen aansloten en
niet op hunne stapelplaats exporteerden, verscherpt werden.
Maar ze moesten aan de andere zijde ook deelen in de
kwesties en moeilijkheden, die de Engelsche regeerders
telkens met de Nederlandsche autoriteiten hadden. De
Magnus Intercursus, het groote handelsverdrag van 1495,
bleef wel de grondslag van de handelsbetrekkingen, maar
het werd telkens verstoord door de politieke verhoudingen.
Hendrik VIII was dikwijls bondgenoot, maar ook nu en
dan vijand van Karel V, en, terwijl Maria de Bloedige met
Filips II door de innige banden des huwelijks verbonden
was, bevond zich Elisabeth al spoedig met hem op een zeer
onzekeren voet.
In 't algemeen was echter de staatkundige positie van
Engeland vrij sterk, daar het meestal kon profiteeren van
de oorlogen en beroeringen op het vasteland. Zijne com-
merciëele positie echter was nog veel sterker, want het
vasteland had Engeland meer dan ooit noodig, zooals nu
Europa Amerika noodig heeft.
De Engelsche produkten konden in de Nederlanden vooral
geen van alle gemist worden : de wol niet en het laken
evenmin, ook niet de huiden, het tin en de andere metalen.
Daarom konden de Engelsche regeerders het wagen, tel-
kens en telkens den Magnus Intercursus te schenden. ')
Nederlandsche onderdanen in Engeland moesten op gelijken
voet worden behandeld als Engelsche onderdanen in de
Nederlanden, maar dit gebeurde nooit ; nieuwe lasten mochten
niet opgelegd worden, doch dit verhinderde o. a, koningin
') Zie Dl-. H. Brugmans, , Engeland en de Nederlanden in de
eerste jaren van Elisabeth's Regeering", blz. 72 vlg.
25
Maria niet, de invoerrechten voor Nederlandsche goederen
te verdubbelen.
Terwgl de Engelsche regeering dus partij trok van de
geschillen en oorlogen tusschen de vastelands-s t a t e n,
bleef de Fellowship op hare manier munt slaan uit den
onderlingen naijver der Nederlandsche steden. Telkens
en telkens dreigde ze hare Court te verplaatsen naar Bergen-
op-Zoom ') of Middelburg, soms ook voerde ze de bedreiging
uit, maar toch alleen, om spoedig op betere voorwaarden
naar Antwerpen weer te keeren. Enkele malen, in oorlogs-
tijd, moest ze den Nederlandschen bodem geheel verlaten
en hare tenten opslaan te Calais, zusterlijk naast hare oude
mededingster, de Stapelcompagnie.
Bij die verhuizingen blijkt altijd heel duidelijk, dat de
Britsche regeering tegenover hare vele gunsten ook meer
macht over de Merchant Adventurers gekregen had : voor
elke verplaatsing was eene speciale vergunning van den
koning noodig, in 't bijzonder ook, \vanneer de Fellowship
weer van Calais naar eene Nederlandsche stad wilde gaan.
De bedoeling is duidelijk genoeg : de regeering moest haar
kunnen gebruiken als wapen b ij politieke onder-
handelingen.
Toen in 1558 Calais voor de Engelschen verloren ging,
scheen voor Antwerpen de kans beter dan ooit, om lang
in ongestoord bezit van den stapel der Fellowship te blijven,
te meer, daar het stadsbestuur op zeer goeden voet met
haar was. Maar de uitkomst bleek geheel anders. Juist in
dat jaar 1558 besteeg koningin Elisabeth den troon, en
hoewel deze zich in den beginne zeer bijzonder minzaam
jegens Filips II voordeed, zocht ze toch naar alle mogelijke
middelen, om den Engelschen handel en de Engelsche positie
') Barowe upon Zeme, zooals dit in de Engelsche bescheiden heet,
was toenmaals eene handelsstad van beteekenis, toegankelijk voor
alle zeeschepen. Zie o. a. Schanz „Urkundenbeilage" N". 133.
26
ter zee te versterken, ten koste van Spanje en de Neder-
landen. Het bleef niet langer bij achterstelling der Neder-
landsche en Spaansche kooplui in Engeland en bij belasting
in strijd met den Magnus Intercursus, het kwam nu tot
gewelddadige berooving der vreemde schepen door Engelsche
kapers, die niet ophielden, ook al betuigde Elizabeth in
sterke bewoordingen hare ontevredenheid en verontschul-
diging.
De roerende klachten der benadeelden dreven de regeering
te Brussel tot vertoogen, die dan leidden tot zeer lang-
dradige onderhandelingen, waarin o. a. een groote rol ge-
speeld wordt door Sir Thomas Gresh am, den bekenden
stichter der Londensche beurs, die ook een der voornaamste
leden van de Fellowship der Adventurers was. ')
Eindelijk, in 1563, greep de landvoogdes Margaretha naar
het krasse middel, dat in de 15e eeuw zoo menigmaal door
de Bourgondiërs was aangewend : ze verbood volstrekt allen
invoer van Engelsche waren in de Nederlanden. Maar,
ofschoon de motieven hiervoor (de Engelsche plagerijen, de
nood der Vlaamsche en Brabantsche drapeniers en manu-
facturiers) nog heel wat zwaarder wogen dan in den tijd
van Filips den Goede, dorst Margaretha niet openlijk hier-
mee voor den dag komen, maar zocht een voorwendsel in
de pestziekte, die toenmaals in Engeland heerschte. ') De
Nederlandsche politiek was dus (onder den invloed der
Spaansche) nog wat zwakker geworden, en de uitwerking
van den maatregel viel dan ook zeer tegen.
Elisabeth toch bleef het antwoord niet lang schuldig :
in 1564 verbood zij aan aUe Nederlandsche schepen den
toegang tot de Engelsche havens. Een continentaal stelsel
in 't klein van Engelsche zijde ! De Merchant Adventurers
hadden dus hunne matten op te rollen en in Londen af
^) Brugmans t, a. p. blz. 47 vlg. — Gresham wordt hier niet genoemd
in zijne hoedanigheid als lid der Fellowship.
27
te wachten, wie dezen handelsoorlog zou winnen. Niet heel
lang behoefden ze geduld te oefenen. Filips II, die gaarne
vrede en goede verstandhouding met Engeland wilde en
de belangen van de Nederlanden weinig kende en telde,
drong spoedig aan op toegeven \). Antwerpen, dat zijn
handel zag kwijnen en zelfs reeds door volksberoeringen
gekweld werd, deed eveneens zijn best, om vrede te krijgen,
't mocht kosten wat het wilde. En zoo kwam het, dat
Margaretha den eersten stap moest doen, anders gezegd
de vlag moest strijken.
De vrije handel werd nog in 't jaar 1564 hersteld, zoo-
genaamd volgens den Magnus Intercursus, maar in werke-
lijkheid naar den zin der Engelschen, want de dubbele
invoerrechten bleven gehandhaafd en de kaperij hield ook
niet op.
De Merchant Adventurers konden dus nog eens vol moed
naar Antwerpen terugkeeren, maar 't was voor korten tijd.
Weldra begonnen de groote Beroerten, de Beeldenstorm
en zijne gevolgen, die Antwerpen's handel knakten voor
langen, langen tijd. Met zooveel andere vreemdelingen ver-
dwenen de fellows van de plaats, waar ze zoo vele goede
jaren gekend hadden.
Evenwel nog niet voorgoed, want ze waren vasthoudend
bij al hunne beweeglijkheid.
In denzelfden tijd, dat Engeland om oecouomische din-
gen overhoop lag met de Nederlaudsche regeering, was
het ook in eene soort handelsoorlog geraakt met de
Hansa. Eigenlijk was deze strijd nog iets eerder uitge-
barsten, namelijk in 1557, toen Maria Tudor het nieuwe
tarief van uitvoerrechten voor wollen manufacturen had
ingevoerd : 1 nobel (6 shillings en 8 pence) voor een
wit laken van 24 yards voor den Engelschen exporteur
') Brugmans, blz. 121.
28
(karsaaien en baaien naar evenredigheid) en het dubbele
voor den vreemden exporteur. De Hanseaten zouden dus
voortaan 12 shillings en 16 pence te betalen hebben in
plaats van 14 pence ! En dat, terwijl hun vast beloofd
was, dat de tarieven nooit verhoogd zouden worden ! Op
hoogen toon — gelijk zoo'n eerwaardig lichaam paste —
hadden zes handhaving hunner oude privilegiën geëischt.
Maar de Engelsche regeering, die zich sterk genoeg voelde en
die van den lakenuitvoer eene flinke som voor de schatkist
wilde trekken, had geweigerd en gewezen op misbruik dier
privilegiën, als reden of voorwendsel. Als uiterste tegemoet-
koming had ze aangeboden een gelijk uitvoerrecht als de
Engelsche onderdanen, mits — de Hanseaten voortaan geen
wollen manufacturen meer naar de Nederlanden
uitvoerden ^).
De Hansa, trotsch en weinig plooibaar als ze was, had
dit voorstel niet aangenomen, maar was toch ook niet in
staat met geweld op te treden, zoodat haar Engelsche
handel bijna tot stilstand kwam en ze aan 't eind toch
de 2 nobel moest betalen.
Deze toestand was natuurlijk voor de Adventurers zeer
voordeelig en, toen ze nu in 1564 uit de Nederlanden
verbannen werden, waagden ze het zelfs in 't eigen gebied
der Hansa door te dringen : ze sloten een verdrag met
den graaf van Oost-Friesland om eene Court te Emden
te vestigen. De Hanseaten, uitermate verschrikt en ver-
toornd, brachten wel alle Duitsche machten, ook den Keizer
en den Rijksdag in 't geweer, zoodat de Oost-Friesche
graaf zgn contract weldra weer moest opzeggen, maar nu
'j Zie hiervoor Em. van Meteren (fol. 367). Lingelbach zegt (,a brief
history", blz. XXIX), dat de oude voorrechten der Hansa
afhankelijk werden gemaakt van hun belofte om den lakenuitvoer
naar de Nederlanden te staken, maar Van Meteren, die zelf omstreeks
1600 als koopman te Londen gevestigd was, is veel duidelijker en
zeker ook beter ojj de hoogte.
29
speelde plotseling de stad Hamburg eene zelfde verrader-
lijke rol als Antwerpen gedaan had en noodigde de Adven-
turers zelf uit, hunnen stapel naar de boorden der Elbe
over te brengen. ')
Het was natuurlijk eigenbelang, dat de Hamburgers dreef: zij
hadden wel van alle Hanseaten den raeesten handel op Engeland
gehad en werden dus het ergst geschaad door de geschetste
moeilijkheden. De voordeelen, die Hamburg den Adventurers
bood, kwamen neer op behandeling gelijk de eigen burgers.
De Adventurers namen de uitnoodiging met graagte aan :
ze hadden in weinige jaren meer gewonnen dan ze hadden
kunnen droomen : een voordeelig differentieel recht in
Engeland en eene stapelplaats op het schoonste punt der
Noord-Duitsche kust aan den ingang van het Elbe-gebied.
Maar het bleek toch niet zoo heel gemakkelijk, zich hier
vast te nestelen. In Hamburg zelf werkten in een deel der
bevolking godsdienstige en oeconomische factoren tegen de
nieuwe gasten en in de andere Hansa- steden verhief zich
een geweldige storm tegen de ontrouwe bondgenoote, die
den Engelschen concurrent ingehaald had. Op de groote
Hansa-vergaderingen werd Hamburg gedreigd en geprest,
bijna zelfs dood verklaard, zoodat het haar eindelijk
te machtig werd. Wel hield ze haar contract en liet de
Adventurers de volle tien jaren blijven, maar in 1577 wilde
ze de overeenkomst niet vernieuwen, en de Hansa-dag, te
Hamburg zelf gehouden, wist gedaan te krijgen, dat de
Keizer de Fellowship uit geheel Duitschland verbande.
Die keizer was de jonge Rudolf H en zijn gezag was
niet van dien aard, dat het de Adventurers al te zeer
verschrikte. Ze vertrokken wel uit Hamburg, doch pas in
') Zie Lingelbach ,The M. A. at Hamburg" American historical
Review Januari 1904, ook Eh renberg „England und Hamburg im
Zeitalter der Koningin Pjlisabeth", en O. Baasch „Forschungen
zur Hamb. Handelsgeschicbte".
80
1578 ') en ze verlieten toen ook de oevers der Elbe nog
niet geheel. Als verjaagde vliegen zetten ze zich een klein
eindje verder weer neer, namelijk te Stade, eenige uren
beneden Hamburg aan den rechteroever der rivier. Een paar
jaren later vinden we hen ook nog weer in Emden') en
buitendien in E 1 b i n g *) bij Danzig (onder 't gebied van den
koning van Polen). In de twee eerstgenoemde plaatsen
hebben de fellows een tijd lang de rol gespeeld van
smokkelaars, maar op den duur vormden ze er toch officiëele
kleine factorijen of Courts.
') Zie Höhlbaum ,KöIner Inventar" II, 1903, blz. 141. De M. A.
besloten 20 Sept. 1578 hunne vaarten op Hamburg te staken. Eene
vroedschapsresolutie van Rotterdam in 1578 spreekt er ook van
(voor 'teerst), dat Burgem. naar Hamburg zullen schrijven,
om de Engelschen naar Rott. te lokken.
^) Zie „Kölner Inventar" 11, blz. 171. Mor. Zimmerman, te Londen,
schrijft 25 Juli 1579, dat de M. A. het bijna eens zijn met den Graaf
van Oost-Friesland over een nieuw verdrag voor 10 jaren. 10 Jan.
1580 bericht dezelfde aan den syndicus der Hansa, Dr. Sudermann te
Keulen, dat de M. A. hun voornaamste residentie te ÏJmden willen
vestigen ; hun gouverneur Christ. Hudsden (Hoddesdon) zal binnen
8 of 14 dagen naar Londen reizen, om het concordaat te sluiten.
(Hoddesdon is een bloedverwant van den staats-secretaris
Walsinghamj. [„Kölner Inventar" II, blz. 192].
^) 28 Jan. 1580 meldt Mor. Zimmerman uit Londen aan Dr. Sudermann
te Keulen, dat de M. A. nu van hun residentie te Eniden en te
Elbing zeker zijn. [„Kölner Inventar" II, blz. 194.]
INTREDE DER ADVENTURERS IN DE REPUBLIEK
DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.
Intusschen waren de Nederlanden niet uit het oog verloren,
want, afgescheiden van alle staatkundige kwesties, waren
Schelde- en Rijnmonden toch altijd beter ingangspoorten
voor Engelsche waren dan de vergelegen Elbe, waar men
trouwens nog lang niet zeker was van eene vaste gelegenheid.
In 1564 waren de Adventurers uitgebannen uit de Neder-
landen, maar, niettegenstaande de groote Beroerten, die
weldra begonnen, vinden we hen toch al spoedig terug, op
hunne wijze partij trekkend van die Beroerten. In 1573
wordt van twee zijden over hen geklaagd ; de Spaansche
regeering verwijt hun toevoer van kruit (benevens laken en
wol) naar Vlissingen, de Prins van Oranje beklaagt
zich over dergelijken invoer te Antwerpen. ') In 1575, toen
Middelburg in handen der Geuzen was gevallen en dus
rancune over genoemden import te Vlissingen geen nut
meer had, toonde zich de landvoogd Requesens weer
zeer vriendelijk tegen de Adventurers en gaf hun een nieuw
privilegie voor de vaart op Antwerpen. ') Nu herstelden
ze hunne Court aldaar, maar met weinig geluk: weldra
') „Kölner Inventar" II, blz. 39.
') Idem II, „ 66.
32
kwam de vreeselijke ramp der Spaansche furie, die hun wel
minder kwaad deed dan anderen, maar hun toch op 12000
kronen kwam te staan. ') Nog bleven ze, maar hun handel
gedijde niet meer; ") — ze kwamen in zeer moeilijke om-
standigheden, want juist in denzelfden tijd moesten ze Ham-
burg ontruimen. In 1580 besloten ze, twee derde van hun
Antwerpsch bedrijf naar Emden te verplaatsen. '*) En tegelijk
dachten ze er reeds over, het overschot in Middelburg of
Dordt te vestigen, 't geen echter nog niet tot uitvoering
kwam, omdat de Rijn naar Duitschland niet vrij was. Maar
twee jaar later, in 1582, werd over dit bezwaar ook heen-
gestapt (dat trouwens wel meest op Dordt zou passen) en
kreeg Middelburg de rest van de Antwerpsche Court
binnen zijne muren. Hiermee deed de Fellowship dus hare
intrede in de Nederlandsche republiek, maar het was slechts
eene feitelijke intrede en geen officiëele. Immers, zoover te
zien is, geschiedde ze enkel op contract met de stad Middel-
burg, ^) zonder sanctie van de Staten-Generaal en, naar 't schijnt,
met stilzwijgende goedkeuring van de Staten van Zeeland. ")
Het is wel zeker, dat de Adventurers van dit oogenblik
af partij kozen vóór de Nederlandsche opstandelingen, want
hunne groote vijanden, de Hanseaten, zochten en vonden
steun bij den Keizer en bij Spanje. In 1584 vroegen de
Hanseaten officieel hulp aan Parma tegen de Adventurers, '')
en 't is dus niet alleen om de sluiting der Schelde, dat de
Adventurers nooit meer aan terugkeer te Antwerpen gedacht
hebben.
') „Kölner Inventar" II, blz. 98.
») Idem II, , 159.
") Idem II, , 192.
■*) Een afschrift van dit contract is bewaard gebleven in het Mid-
delburgsch archief.
^) Zie het , Rapport van de Gedeputeerden, vertrocken vanwege het
collegie van Weth en Raede (van Middelburg) naar Engeland op den
lOen Jan. 1598." [Handschr. in 't stedelijk archief van Midd.]
*) „Kölner Inventar" II, blz. 258.
33
Tydens het beleg der Scheldestad had ook reeds de hooge
beschermvrouw der Fellowship, koningin Elisabeth, openlijk
partij gekozen voor de Nederlanders. De graaf van Leicester
was overgekomen en geland in Zeeland ; Vlissingen werd
eene Engelsche vesting, Rammekens een Engelsch fort. 't Is
zeer waarschijnlijk, dat de Middelburgers reeds dadelyk in
't voorbijgaan den machtigen gunsteling van Elisabeth met
hunne verdere plannen ten opzichte der Adventurers aan
boord zijn gekomen. Het is zeker, dat de Staten-Generaal
weldra aan Leicester hun verlangen te kennen gaven, dat
de Fellowship hare hoofdcourt binnen de Republiek zou
vestigen. Den 9'^n Januari 1587 besloten ze, alle moeite te
doen, om de Engelsche handelaars hier te krijgen, ook vooral
degenen, die „vertrocken (waren) naer Emdeu, Hamburgh
als andere plaatsen, tsy West- of Oostwaerts."
De Staten-Generaal wilden dan toestaan, dat de Adventurers
zelf hunne residentie mochten kiezen en alle voorrechten
genieten, die ze elders hadden bezeten. Nooit zouden hun
nieuwe lasten worden opgelegd, al mocht dit met de eigen
burgers wel gebeuren, en zelfs zouden de belastingen,
tijdens den oorlog ingesteld (namelijk de convooien en
licenten) „na den krijgh cesseren" voor hen.
Dit mooie aanbod werd echter geweigerd en nog wel op
verzoek der Adventurers zelf. Zij zagen namelijk nog geen
heil voor een grooten stapel in de Hollandsche of Zeeuwsche
havens, omdat Nijmegen Spaansch geworden was door zijn
afval en dus de weg naar Duitschland over Waal en Rijn
niet veilig kon wezen. ') Intusschen namen ze goed nota
van de gemelde voorrechten en pasten ze zooveel mogelijk
alvast toe op hun kleine factorij te Middelburg. Ook hebben
') Zie Blok. „Gesch. van bet Nederl. volk" III, p. 345. De schrijver
laat daar volgen, dat de M. A. na de genoemde weigering Hamburg
behielden als eenige stapelplaats; dit kan niet juist zijn, daar Lingel-
bach duidelijk heeft aangetoond, dat van 1577 tot 1611 te Hamburg
geen stapel was (zie Ling. „the M. A. at Hamb." p. 269).
3
34
ze, bij latere onderhandelingen met de Staten-Generaal nooit
verzuimd, de aanbiedingen van 1587 voorop te stellen als
vanzelfsprekend, zoodat die aanbiedingen als antecedent
eene groote beteekenis behouden hebben. Op alle latere
overeenkomsten met de Staten-Generaal ligt daardoor de
herinnering aan de moeilijke tijden, toen men Engeland
noodig had.
Intusschen, al kreeg nu de facto rg te Middelburg eenigszins
eene officiëele goedkeuring, ze werd er niet grooter of be-
langrijker door: ze bleef eene ,subsidiary court".
Daar Stade en Emden, gelijk we gezien hebben, ook maar
kleine kantoren bezaten, was in dezen tijd eigenlijk geen
hoofdzetel van de Adventurers op het vasteland te vinden;
de broederen waren verstrooid. Op de geheele Noordzeekust,
van het Nauw van Calais tot Denemarken, was nergens
meer een gunstige plek voor den grooten invoerhandel.
Calais zelf was niet meer Engelsch, de Nederlanden, Zuidelijke
zoowel als Noordelijke, waren nog in groote beroering,
Duitschland had den toegang verboden. — Wat zou men
anders doen dan betere tijden afwachten, en onderwijl den
handel voortzetten zoo goed het ging?
Zoo goed het ging. — Ja, maar, als de kat in nood zit
maakt ze wilde sprongen en dat schijnen de Adventurers,
te Middelburg ten minste, ook gedaan te hebben. Daardoor
dwongen ze de Staten-Generaal in 1591 tot het eerste
plakkaat op den tarra van de Engelsche
1 a k e n e n '), dat later voor de Fellowship de grootste
ergernis geweest is, die ze hier gekend heeft. In de inleiding
tot dit stuk wordt geklaagd over groote demoralisatie van
den Engelschen handel : , Van ouds is de koop geschied te
goeder trouw, bij packen, sonder die te ontpacken ofte te
ondersoeken wat fauten ofte gebreecken daarinne zijn. Worden
bij de opening ter plaetse van bestemming fauten ofte
') Zie Groot Plakkaatboek fel. 790.
35
gebreecken gevonden, dan wordt dit als tarra afgetrocken.
Maer 't bedrogh wordt steeds meer, en veel misverstanden
en geschillen sijn ontstaan. Er is zelfs een pre-
tense nulle ordonnantie verspreid, die andere
gebruiken wil voorschrijven." (Deze gebruiken worden hier
niet genoemd, maar zyn duidelijk genoeg zichtbaar in de
latere taktiek der Adventurers: ze komen hierop neer, dat
men het onderzoek naar fouten en gebreken niet liet doen
in de plaats waar de koopers woonden, maar in de stapel-
plaats der Fellowship, Middelburg. Daar zorgde natuurlek
het „goedgezinde" stadsbestuur voor tarra- of keurmeesters,
die niet al te nauw keken, en — als het goed eenmaal
Middelburg uit was, waren de fellows stokdoof voor alle
klachten en aanmerkingen en zeiden: „'t is gekeurd!")
De Staten-Generaal schreven nu met allen ernst voor,
dat de oude gewoonte streng gevolgd moest worden, op
verbeurte van de lakens en 20 pond boete van ieder stuk.
Tevens zouden de Staten zorgen dat in alle steden, waar
't uoodig was, beëedigde tarrameesters werden aangesteld.
De eerlijkheid gebiedt intusschen op te merken, dat
het plakkaat niet speciaal de Adventurers, maar alle
Engelsche lakenkoopers gold, dus ook de Entreloopers, de
smokkelaars, die, tegen de koninklijke octrooien, juist in
deze troebele tijden de gelegenheid waarnamen, om zich in
het gebied der Fellowship te nestelen. Zij vonden eene gastvrije
ontvangst in Vlissingen, de oude concurrente van Middelburg,
waar de Magistraat hen gaarne toeliet en beschermde, niet-
tegenstaande het koninklijke Engelsche garnizoen, dat er
nog altijd lag. ^)
*) Interlopera of Entreloopers (mercatori interlopi) werden alle
kooplieden genoemd, die het monopolie der Adventurers ontdoken.
In 't Fransch bestaat nog heden de term „commerce interlope" (= trafic
en fraude). De aanwezigheid van Entreloopers te Vlissingen blijkt
uit het reeds genoemde Rapport der Gedeputeerden van Middelburg
naar Engeland 1598.
B6
Als aanvulling van het tarra-plakkaat werd tegelijk eene
instructie en ordonnantie voor de tarra-raeesters vastgesteld,
die ons een beeld geeft van de knoeieryen, die alzoo plaats
hadden en meer dan duidelijk aantoont, dat vervalsching in
den handel geen nieuwigheid van onzen tijd is. Er werd
laken aangeboden met „rimpelen, banden, volkreuckelen
(kreuken, die bij het vollen erin gekomen waren), sacken
catoendrayen') en stoppen.
De tarra-meesters moesten ten teeken van volbrachte
keuring „een gaetjen ofte ander teycken gesneden" aan-
brengen, opdat hetzelfde stuk hun geen tweemaal voorgelegd
zou worden ! De kosten der keuring waren voor den v e r-
kooper, „oock wanneer men geen faute mocht vinden." En
dit heeft er misschien toe meegewerkt, dat het plakkaat
slecht werd opgevolgd.
Reeds in 1592 moest het plakkaat vernieuwd en uitgebreid
worden. Volgens de gewoonte van dien tijd meende men nu zijn
troost te moeten zoeken in den eed ; elke kooper kon ver-
plicht worden te zweren, dat hij volgens het plakkaat ge-
handeld had. Om beter toezicht mogelijk te maken, werd
tevens alle invoer van Engelsch laken over België of Duitsch-
land verboden, alweer op straffe van verbeurte van 't laken
en 20 pond boete voor elk stuk. ^)
In 1587 hadden de Merchant Adventurers den tijd niet
gekomen geacht, om in de Republiek hun hoofdzetel te
vestigen, maar tien jaar later kwamen ze er zelf om vragen.
En dit behoeft niemand te verwonderen, daar het ongeveer
dezelfde „Tien jaren" waren, die Prof. Fruin zoo raeesterlgk
beschreven heeft. De Republiek had zich gevestigd, het
groote gevaar was voorbij, in handel en nijverheid begon
overal nieuw leven te komen. En de weg naar Duitschland
') Dit is zeer opmerkelijk ; het bewijst, dat toenmaals reeds de
katoen goedkoop er was dan de Engelsche wol.
') Zie Groot Plakkaatboek fol. 780.
37
lag open langs de geheele grens, ook langs den breeden
Rynstroom. Alle bezwaren waren dus verdwenen.
Daarbij kwam, dat in de Duitsche havens nieuwe
hinderpalen op den weg der Adventurers gezet waren ;
Lubeck en zijne zustersteden hadden van den Keizer een
verbanningsdecreet weten te verkrijgen tegen de , Avon-
turiers met hunne schadelijke transacties en overeenkomsten"
(1597). En nu werd daar zooveel kracht achter gezet, dat
de Fellowship besloot, voorloopig deze ongastvrije stranden
te verlaten ').
Zoodra dit in de Republiek bekend werd, doken van
alle zijden stedelijke besturen op, die een wedloop begonnen
om de Adventurers binnen hunne muren te krijgen (liefst
die van Stade en die van Middelburg te zamen, m. a. w. den
universeelen stapel der gansche Fellowship).
Groningen, zelf een oude Hansastad, maar van het groote
verbond reeds lang vervreemd, achtte zich, zeker om den
kleinen afstand van Stade, verplicht om zich het eerst aan
te melden ; reeds in 't zelfde jaar 1597 begon ze onder-
handelingen met de „Mercantile Adventurers Sociëteit",
') Zie Lingelbach „the M. A. at Hamburg", American Historical
Review blz. 269. In eene noot op die blz. wordt beweerd, dat de
hoofdcourt sinds 1587 te Middelburg was, hetgeen onjuist is; het
meergemelde Rapport van 1598 zegt het tegendeel.
Em. van Meteren, pi. 367, geeft zeer duidelijk aan, hoe men in
Duitschland nu tot de uitvoering van het verbanningsdecreet kwam.
Engeland was sinds 1585 in oorlog met Spanje en maakte van
zijne gunstige ligging gebruik, om allerlei schepen uit de Noord- en
Oostzeehavens komende en bestemd voor Spanje, aan te houden, te
doorzoeken en dikwijls op te brengen. Het had zich blijkbaar toen
reeds voorgenomen, de vrachtvaart der andere volken te vernietigen,
om die zelf later in handen te nemen, en in verband hiermee komt
ook het bekende handelsverbod van Leicester in een ander
licht dan gewoonlijk. Over dezen overlast aan hunne scheepvaart
hebben de Hanseaten zoo lang geklaagd, totdat de Keizer eindelijk
allen Engelschen handel in Duitschand verbood, nadat ook nog een
Spaansch gezantschap hem daartoe aangemaand had.
38
waarbij de stedelingen uitdrukkelijk eischten, dat de Omme-
landen geen particulier traktaat met haar mochten sluiten,
wegens de handelsprivilegiën der stad ').
Tevens werd natuurlijk door de Groningers niet verzuimd,
de voordeelen hunner stad zoo breed mogelijk uit te meten :
„het Damsterdiep was, door vergraving en uitdieping van
de sectie Appingadam —Groningen in 't vorige jaar, zoo'n
uitstekende toegangsweg geworden, dat schepen van 14 last(!)
gemakkelijk tot de stad konden komen. De Scholbach bij
Oostmahorn leverde eene goede, vaste ankerplaats, de land-
wegen waren uitstekend te bereizen. " . . . , (Vreemd is het,
dat van eenig stapelrecht niet gerept wordt.) "")
Dit alles kon echter de Adventurers niet bewegen, naar
Groningen te komen, ook niet, toen het bestuur dier stad
zich de onkosten veroorloofde, om een paar afgevaardigden
naar Londen te zenden. Ze vertrouwden zeker niet genoeg
op de goede toegangen, nog minder op de uitstekende
landwegen, die het vervoer naar Duitschland zouden moeten
dragen. En de concurrenten van Groningen hebben niet
nagelaten de Fellowship te wijzen op de eindelooze twisten
tusschen Stad en Ommelanden en op den last van zware
garnizoenen, die Groningen als grensplaats moest hebben.
Groningen kreeg den Engelschen stapel dus niet en heeft
er ook nooit — zoover ons bekend — weer moeite voorgedaan.
Onder de overige liefhebbers waren Delft, Rotterdam en
Middelburg de voornaamste. (Amsterdam, dat nog in 1591
vergeefs zijn Bagijnhof als court had aangeboden aan de
Adventurers '), schijnt in 1597 en 98 geen lust meer gehad
') Wieraum „De Gedwongen vereeniging van Stad en Lande";
Groningen 1898, blz. 229.
^j P. G. B o s „het Groningsche Gild- en Stapelrecht tot de Reductie
in 1594", Gron. 1904, blz. 324 noot.
') Zie Dr. H. Brugmans in het hoofdstuk „Handel en Nijver-
heid" van het prachtwerk Amsterdam in de 17e eeuw, blz. 80,
waar eene aanteekening van ^lan fle Roever over eene vroedschaps-
resolutie van 1 Juli 1591 wordt aangehaald.
39
te hebben ; het wordt ten minste nergens vermeld, ook
b.v. niet in het meergenoemde reisverhaal der Middel-
bm-gsche gedeputeerden naar Londen, waar alleen Delft,
Rotterdam en Groningen genoemd worden. De Amsterdammers
hadden trouwens in deze dagen zooveel andere, grootere
plannen in 't hoofd, b.v, tochten naar de Indien en tochten
naar de IJszee, en moesten zich daardoor zoozeer concur-
renten van de Engelschen voelen, dat ze niet op duurzame
goede betrekkingen met een officieel Engelsch handelslichaam
konden rekenen.)
Rotterdam was in den tijd van eersten groei ; het had
de kinderschoenen uitgeworpen en streefde met alle kracht
en met alle middelen naar het ideaal, een groothandelsstad
te worden. De regeerders toonden hierbij een zeer grooten
ijver, o. a. om vluchtelingen uit België op te nemen, en
ze vonden in hun pogen veel steun bij den gewezen
pensionaris van hunne stad, Jolian van Oldenbarneveldt.
Voor Rotterdam was de Engelsche stapel een hartewensch,
en ^ naar de meening der regeerders — iets, dat hun
eigenlijk toekwam, wegens de schoone ligging op den
hoofdweg van Engeland naar Duitschland. We zagen, dat
Rotterdam reeds in 1578 gesolliciteerd had; geen wonder,
dat het in 1597 weer op het appèl was.
Slim genoeg ging Rotterdam's regeering nu te werk ;
ze stuurde eerst, in 1597, eenige afgevaardigden naar Mid-
delburg, om de Adventurers vandaar naar Rotterdam te
lokken (wegens ^bun grooten aanhang") en kort daarna,
Febr. 1598, zond ze vriendelijke brieven (met belofte van
milde schenkingen) aan de Court te Stade. ')
Delft, in dezen tijd nog eene havenstad, die ook aan de
Indische vaart mee ging doen, op bescheiden schaal, en die
nog steeds voor belangrijker en invloedrijker doorging dan
Rotterdam, deed eene dergelgke poging.
*) Rott. vroedschapsresol. 1598.
40
Maar de Middelburgers, voor wie het nu, niet opzicht
tot hun Engelschen handel, gold „alles winnen of alles ver-
liezen", de Middelburgers weerden zich het meest van allen.
De Notulen en Kesolutiën van Zeeland ') en vooral het
meergemelde Rapport van de Gedeputeerden naar Londen
met zijne bijlagen '^) stellen ons in staat, hunne allerbelang-
rijkste verhandelingen van nabij te volgen.
Tegen 't einde van 1597, toen de Rotterdamsche speur-
ders te Middelburg waren, om de Adventurers daar vandaan
te tronen, kwamen de afgevaardigden van de Zeeuwsche
hoofdstad in de Staten hunner provincie met het verzoek,
om recommandatiebrieven aan de Court te Stade, waarmede
ze wilden onderhandelen.
De Staten van Zeeland, Avaarin Middelburg grooten invloed
bezat, toonden zich dadelijk bereid en lieten den 5en Januari
1598 een brief in 't Fransch opstellen „au gouverneur et
autres de la Court des Merchants Avonturiers a Stade en
Oostlande" met vriendelijke uitnoodiging om hun residentie
te vestigen in Middelburg. ■^)
Twee dagen later, den 7en Januari, werd er zelfs in de
griffie der Staten een tweede brief gereed gemaakt ^), ,au
gouverneur et Marchants Avonturiers" in 't algemeen, dus
bestemd voor het hoofdbestuur te Londen, met verzoek, dat
„les dits Marchands prinssent leur résidence en la ville de
Middelburgh avecq la reste de leur Compagnie,
qui y a résidé quelque bon temps." De Staten voegden er
') Notulen en Resol. van Zeeland, 1598 — 7 en 9 Jan.,
16 Maart, 1 Mei, 6 Juni, 10 Sept., 3 October en 5 November.
^) Rapport van de Gedeputeerden, enz. — De Bijlagen zijn :
A. Instructie van de Gedeputeerden. B. Antwoord van Gouverneur, Ge-
committeerden en andere Coopluyden v./d. Compagnie van Avonturiers.
C. Wederantwoord van de Gedeputeerden van Middelburg.
Alles in "t archief van de gemeente Middelburg onder N". 89.
^j Notulen eu Resol. van Zeeland, biz. -33 (hier zijn de brieven in
hun geheel afgedrukt.)
*) Notulen en Resol. van Zeeland, blz. 34.
41
de belangrijke belofte bij, dat de Fellowship er kon rekenen
op de voorwaarden, die bare kleine Court te Middelburg
reeds had of op andere, die gepast geoordeeld zouden worden.
Dit laatste bewees nog wel niet, dat ze alles zou kunnen
verkrijgen, wat ze wenschte, maar toonde toch b ij voor-
baat eene zeer tegemoetkomende houding van de Staten.
De eerste brief werd naar Stade gezonden, de tweede
werd in handen gesteld van de afgevaardigden uit de regee-
ring van Middelburg, die in den vroegen morgen van den
lOen Januari 1598 scheep gingen naar Engeland. Deze
heeren waren buitendien voorzien van eene uitvoerige in-
structie, die het volgende inhield :
Ze moesten eerst gaan naar den Heer Van Schoonewal
(den politieken agent van de Staten-Generaal Caron), om de
brieven van de Staten van Zeeland over te geven, opdat
hij, de officiëele persoon, ze verder zou bezorgen. Zijn
steun moest vriendelijk gevraagd worden, maar tegelijk
dienden de gedeputeerden voorzichtiglyk na te vorschen, of
hij soms al afgevaardigden van andere steden bij zich gehad
had en of hij misschien, zooals men vermoedde, die van
Groningen hulp beloofd had. In allen gevalle was omzichtig-
heid te betrachten met zijne adviezen.
Daarna moesten de gedeputeerden van Middelburg zich
begeven naar den Raad des konings o f naar den gouverneur
van de Adventurers, om hunne geloofsbrieven, enz. over te
geven en de wenschen hunner stad bloot te leggen. Ze
moesten vertellen, hoe Middelburg vernomen had van het
verbanningsdecreet van keizer Rudolf, hoe het eerst nog had
afgewacht, of dit wel uitgevoerd zou worden, maar nu
zekerheid had gekregen, ja gehoord, dat koningin Elisabeth
reeds verlof tot vertrek uit Stade verleend had. Daarna
hadden ze te vragen, of nu die Adventurers zich wilden
vereenigen met hunne „broederen te Middelburg", de broe-
deren, die daar zoozeer naar verlangden, volgens hunne
eigen verklaring, , omdat zij in Middelburg van alles zoo
42
redelicken werden geaccommodeerd". Dezelfde accommo-
datie mocbten de gedeputeerden aanbieden, het zoogenaamde
Entrecours van 1582.
Eindelijk hadden ze alle personen op te zoeken, die
in dezen eenigen invloed bezaten en hun de voordeelen van
Middelburg in heldere kleuren te schilderen. Eerst de goede
ligging, zoo nabij Engeland, en vlak naast de assurantie-
stad Vlissingen, dan de diepte van den toegang door de Wie-
lingen, de nabuurschap van Brabant en Vlaanderen, „de
simbolisatie en sympathie tusschen de Inwoonders van de
Stat met die van de (Engelsche) Natie", enz. '). Met de
noüdige voorzichtigheid moest hierbij gezinspeeld worden
op de nadeelen en tekortkomingen van andere mededingende
steden, b.v. de ondiepte hunner kanalen (Delft en Groningen),
onsekerheyt van traficque in den winter (Delft en Groningen),
ongerief van wisselen en retouren (Delft, Groningen en
Rotterdam, die alle drie bij Middelburg zoowel in den
goederen- als in den geldhandel toen der tijd achterstonden).
Zoo moest er stemming gemaakt worden en als dat met
simple woorden niet goed genoeg ging, dan moest de zoete
klank van 't goud aangewend worden; door „elargeren met
beloften van recompense en ook met datelijcke erkentenisse
bij degenen, die iets wilden doen".
Mochten er bezwaren gemaakt worden, b.v. over de tarra
en de E n t r e 1 o o p e r s te Vlissingen, dan moesten
') Eigenaardig is, dat ook hier niet van het oude stapeh-echt ge-
sproken wordt, dat Middelburg gekregen had van Filips den Goede,
en waarbij aan alle schepen, die het Veergat of de Wielingen binnen-
kwamen, voorgeschreven was, te Middelburg te lossen en te verkoopen,
of anders van de overblijvende lading den 20eii penning te betalen,
(zie De Stoppelaar, „Inventaris van het oud-archief van Middel-
burg", blz. 47). — Dat men aan eene ofEciëele Engelsche vereeniging
de nabijheid van Brabant en Vlaanderen als een voordeel opsomde,
klinkt nogal vreemd in een tijd, toen Engeland steeds op staking
van den handel met de Spaansche landen aandrong. (Zie Blok III
blz. 440.)
43
de afgevaardigden beloven, dat Middelburg alle moeite zou
doen, om die zooveel mogelijk op te heffen ; om de keuring
buiten Middelburg te ontgaan, zou men v e r w e r ij e n
oprichten in de stad, zoodat het laken geverfd en al zou
kunnen worden uitgevoerd. Om de Entreloopers te ver-
drijven, zou men aandringen op vernieuwing en onderhou-
ding van het plakkaat van 1586, dat hen gelastte, onder
de Court te komen.
Nu het reisverhaal.
Twee dagen zwalkten de Middelburgsche heeren, voordat
ze te Margate den Engelschen bodem bereikten. Ze trokken
vandaar over land naar Gravesend en verder met de schuit
naar Londen, waar ze 13 Januari aankwamen. Den volgenden
dag bleven ze, naar 't schijnt, in hun logies, om koffers
uit te pakken en zich te installeeren, en den 15en kwam
Caron, de heer Van Schoonewal, hen daar zelf opzoeken.
Deze vertelde hun, wat er gebeurd was met de gedeputeerden
van Groningen; maar ze namen dat, jammer genoeg, niet in
hun rapport op. Tevens beduidde Caron hun, dat ze wel
wat lang geduld zouden moeten oefenen, want de Adven-
turers wilden niet accordeeren met eenige stad, voordat de
Staten-Generaal hun eenige bepaalde gunsten zouden hebben
toegestaan.
Niettemin begaven zich de Middelburgers nog denzelfden dag
naar den gouverneur der Fellowship, Richart God dar d,
die hen zeer vriendelijk ontving en beloofde, hun eene
audiëntie in de vergadering der Court te bezorgen. Den
volgenden dag ging het naar den Groot-Tresorier van Enge-
land, wien de afgevaardigden ook een schrijven van de
Zeeuwsche Staten hadden over te geven, gericht aan den
Geheimen Raad der Koningin. ') Ook deze hooge heer ontving
hen goed, maar gaf hun een zeer gereserveerd bescheid :
') Deze derde brief wordt in de Notulen en Resolutiën van Zeeland
niet vermeld.
44
„er zou hoofdzakelijk gelet worden op de inclinatie van de
coopluyden ende die van de Court selfs". Met die moesten
ze dan eerst afliandelen.
Maar de gedeputeerden meenden blijkbaar, dat ze het
Hof toch ook niet verwaarloozen moesten en Caron was zoo
goed, hen 's avonds met zijne koets naar Whitehall te
brengen, waar ze door den Graaf van Essex, den bekenden
gunsteling van Elisabeth, zeer aangenaam werden ontvangen
en ten eten genoodigd. Na afloop van den maaltijd voerde
de vriendelijke graaf hen zelfs „met seer groote moeyten
ten spectacule van zekere gespelen ende comediën, die des
nachts voor Hare Majesteit ende haer geheele hoff wierden
gespeelt", zoodat de Middelburgsche heeren het onschat-
bare en voor hen zeker zeer buitengewone genot gesmaakt
hebben, Shakespeare en zijn troep te zien optreden.
Toen ze van deze buitengewone emoties na een gezonden
slaap bekomen waren, begaven ze zich den ITen des mor-
gens naar den Lord-Major van Londen, die zich zeer gunstig
uitliet over de „commoditeyten van Middelburg", maar —
zich geërgerd toonde door het plakkaat op den tarra, dat
sedert eenige jaren velen van de Compagnie zeer benadeeld
had, omdat de tarra nu gemaakt werd bij hare partije in
haere absentie (d. i. door hare tegenpartij, de overheden
der Nederlandsche draperiesteden, waar het Engelsche witte
laken heenging, om geverfd te worden). Een andere grief,
die de burgemeester noemde, was het hooge uitvoerrecht
of licent bij den uitvoer van Middelburg naar het buitenland.
Aan deze bezwaren kon Middelburg natuurlijk niets ver-
anderen ; daarvoor moest eerst van de Staten-Generaal
wijziging verkregen worden ; en, als dat gebeurd was, dan
zou de Lord-Major geen betere plaats weten voor de
Hoofdcourt dan Middelburg. De gedeputeerden antwoordden
hierop, zooals hun gelast was, met voorzichtigheid : „de
tarra-kwestie zou nader te onderzoeken zijn en als er aan
de liceuten iets veranderd zou kunnen worden, dan zou Mid-
45
delburg daaraan door zijn invloed minstens evenveel kunnen
helpen bij de Staten-Generaal als eenige andere stad en
zeker veel meer dan Groningen, dat maar een nieuw
geconquesteerde stad was, die continueel guarnizoen moest
hebben. Maar dit alles zouden ze aan de Adventurers zelf
nog nader uitleggen."
's Middags kregen ze reeds gelegenheid, twee van de
fellows te spreken, die kwamen berichten, dat ze over drie
dagen, den 20en .Januari, de door den gouverneur beloofde
audiëntie in de Courtvergadering zouden hebben.
In afwachting daarvan brachten ze nu eerst een bezoek
bij den machtigen Robert Cecil, secretaris van Enge-
land, die hen uit naam van den Geheimen Raad bedankte
voor de eer van hunne komst en hun zijne gunst en
voorspraak beloofde.
Den 20en .Januari 1598 dan traden de drie Middelburgsche
heeren (J. Magnus, G. van Santen en .J. van de Hoogh)
in de „seer treffelycke ende aensienlycke" vergadering der
Merchant Adventurers binnen ^). Nadat ze verwelkomd waren,
droeg een van hen in eene Fransche aanspraak hunne
wenschen voor. Hij wees op de broederen Adventurers, die
reeds 15 of 16 jaar te Middelburg woonden ^avecque
assez de contentement, comme nous espérons" en betoogde
met welsprekende woorden, dat de anderen daar ook moesten
komen, daar ze met de Middelburgers toch waren „bons
voysins, aussi en communion de Réligion, d'alliance '") et
quasi de tout ce que dieu a départi a la société humaine."
Aangeboden werd intusschen aan 't eind niet anders dan
„l'entrecoui-s de l'an 1582", maar — er werd toch by verzocht,
eenige commissarissen te kiezen voor nadere onderhandeling.
Een zekere Mr. Fletcher, doctor in de civiele rechten,
*) Dit moet eene algemeene vergadering der Adventurers geweest
zijn, daar ze blijkbaar voor de gansche Fellowship beslissen kon.
-) Het verbond van de Republiek met Engeland en Frankrijk
bestond toen nog, maar is eenige maanden later geëindigd.
46
beantwoordde deze rede in 't Latijn '). Hij gaf toe, dat de
behandeling te Middelburg tot dusver goed geweest was
(een eenig feit in de geschiedenis der Adventurers), maar
voegde er dadelijk bij, dat verscheidene andere steden
van de Vereenigde Nederlanden aangevraagd hadden. Daar
nu evenwel Middelburg veel vóór had, b.v. de nabijheid van
Engeland en de onbekommerde stroomen, wilde men gaarne
met de g e h e e Ie Compagnie daar komen, mits -- het niet
minder gunsten aanbood dan de anderen. Doch dan was
het entrecours van 1582 zeker niet genoeg; Middelburg
moest beginnen met nieuwe conditiën aan te bieden.
Xu stond weer een der Middelburgers op en begon ook
in de klassieke taal der Romeinen. Hij had gemeend, zoo klonk
het naïef, dat de Adventurers met hunne voorwaarden te
Middelburg tevreden waren. Wat de andere steden betrof,
die konden toch niet ,balanceeren tegen Middelburg". ")
Maar nogmaals, men zou maar eene commissie zenden, om
nader te beraadslagen.
Dit werd beloofd en daarmee eindigde de audiëntie.
Thuis gekomen, overwogen de heeren van Middelburg
nog eens de dingen, die ze gehoord hadden en besloten
toen, voordat de commissie mocht komen, eerst een par-
ticulier bezoek te brengen bij den geleerden Dr. Fletcher,
, overmits sij bevonden, dat hij veel credyts was hebbende".
Daar kregen ze echter iets te hooren, dat hun nog meer
uitstel voorspelde dan ze reeds moesten verwachten : koningin
Elisabeth had niet alleen geschreven aan de Staten-Generaal
om de noodige privilegiën, maar ook aan den Keizer van
Duitschland om uitstel van executie van zijn verbannings-
decreet. De beide antwoorden moesten afgewacht worden
') Latijn is de taal, waarvan de Adventurers zich bij voorkeur
bedienden tot aan den tijd van Cromwell. Het Engelsch was nog niet
internationaal bekend, evenmin als het Hollandsch.
'') Deze bewering bewijst ten duidelykste, dat Amsterdam niet bij
de mededingsters was.
47
en viel het laatste gunstig uit, dan zou de Court te Stade
wel heel niet vertrekken.
't Werd dus een sturen van Pontius naar Pilatus en een
wachten uit den treuren.
De Gouverneur Goddard, die hier natuurlijk alles van
wist, beijverde zich, de heeren in goede luim te houden ;
den 24en Januari bood hij hun uit eigen beweging een vrij
logement aan, omdat ze „niet ten besten en waeren geac-
commodeeit" : den 27ennoodigdehij hen nogmaals ter audiëntie
in de Courtvergadering op Drapershall, waar ze na afloop
aan een feestmaaltijd mochten deelnemen.
Op het eerstgenoemde aanbod gaven ze wel een twgfel-
achtig antwoord, en mompelden over „kort verblijf", maar
ze namen het ten slotte toch aan, om de goedkoopte (!) en
verhuisden Vrijdag, den 30en Januari, naar de nieuwe wo-
ning.
Doch 's Zondags, den l^n Februari, kwam de kapitein
Banckaert, door Middelburg gezonden, om de gedeputeerden
terug te halen, „als ze het dienstig oordeelden". Men begon
dus thuis ongeduldig te worden en daarom waren de heeren
2 dagen later al weer bij den gouverneur Goddard, om
opnieuw tot spoed aan te dringen.
Deze gaf weer een allervriendelijkst antwoord, maar liet
daarna in 9 dagen niets van zich hooren. Den 12en Februari
pas kwamen weer eens twee afgezanten van hem met „seer
vruntlycke groetenisse" en nederige, maar niet al te waar-
schijnlijke verontschuldigingen: „het oponthoud was eigenlijk
veroorzaakt, doordat het Entrecours van 1582 niet te Londen
aanwezig was geweest; het was voor eenige maanden toe-
vallig naar Zeeland gezonden en nu pas terug ontvangen (!)
Het hoofdbestuur der Fellowship was er nog mee aan 't
bestudeeren en zou nu vast en zeker over 2 of 3 dagen
antwoord geven. De heeren moesten dus Maandag 16 Februari
maar eens weer op Drapershall komen.
Gelukkig was er dienzelfden dag (wellicht tegelijk met
48
het verloren Entrecours !) een brief voor de gedeputeerden
uit Middelburg gekomen, waarin hun verzocht werd, zich
maar niet te haasten, en waarin tevens eenige voorwaarden
stonden, die de Middelburgsche regeering wilde aanbieden.
Zoo hadden de drie beeren weer een gerust geweten en
stapten den IGen Februari nogmaals naar Drapershall.
Daar stelde hun Dr. Fletclier dan eindelijk het lang ver-
wachte antwoord ter hand : eene lijst van veranderingen en
aanvullingen, die de Fellowship verlangde in het Entrecours
van 1582. ') De belangrijkste laten we hier volgen.
Vooreerst de bezwaren omtrent de ongezondheid van
Middelburg, die volgens de beweringen der Adventurers zelf,
later de reden werden van hun definitief vertrek. Er werd
o. a. gevraagd eene groote ende bequame kerke, gelegen in
een quartier met goede ende gezonde lucht'),
ook werd geëischt, dat men beter zou letten op de v e r-
l)etering der lucht en reiniging van straten^);
en dat men zou zorgen voor eene goede hoeveelheid zoet
en zuiver water binnen de stad of voorsteden, voor 't zuiveren
en verwen van de lakens. ') Dit laatste dus tevens met het
oog op de tarra-kwestie.
Zeer interessant zijn de overige verlangens, die dit netelige
punt betreffen en die nergens zoo duidelijk gezegd worden.
Geen keuring en aftrek nadat de lakens van de markt
vervoerd waren, zoo heette het, want hierdoor werden de Ad-
venturers grootelycks beschadigt bij de vreemde coopluyden."
Maar wel keuring op de plaats van verkoop (Middelburg)
en dan eene particuliere keuring volgens overeenkomst
tusschen verkooper en kooper. Mocht er dan na de levering
nog eenig gebrek ontdekt worden, dan zou de kooper weer
op de verkoopplaats moeten komen, om dat te toonen. In
') Zie het „Rapport" Bijlage B.
') Art. 2.
') Nieuw art. 10.
*) Nieuw art. 2.
49
dat geval zou ieder der partijen twee scheidsrechters kiezen,
die de eindbeslissing zouden hebben. Een zuiver privaat-
rechtelyke weg dus, met vermijding van alle publieke ambte-
naren. ')
Bij de juridische eischen van Fletcher is er een, die in
later tijd niet meer genoemd wordt (ten minste niet in de
contracten met de Hollandsche steden Delft, Rotterdam en
Dordt), namelijk, dat de gouverneur of zijne plaatsvervangers
bij de magistraat van Middelburg zitting zouden nemen in
de vierschaar, indien er kwesties van tollen, licenten of
convooien behandeld werden. "') Vroeger in Antwerpen was
dit gebeurd, ten minste in de 16e eeuw; we hebben hier
dus te doen met een voorrecht, dat op den duur is moeten
losgelaten worden.
Eindelijk mag hier, ter verklaring, hoe de Adventurers
later zulke geweldige hoeveelheden bier en wijn konden
inslaan, vermeld worden, dat bij deze gelegenheid gevraagd
werd één of twee vaten Engelsch bier op te leggen in de
winkels of pakhuizen, „soo voor haar selven als voor
de coopluyden die naer goet co m men vra-
ghen ende andere hare vrienden", dus vooral
voor tractactie van de klanten ! ^)
De drie Middelburgsche gedeputeerden hadden niet veel
tijd noodig, om hun antwoord op deze eischen te geven ;
ze zagen spoedig genoeg, dat ze, na eerst zooveel dagen
aan het lijntje gehouden te zijn, nu met een kluitje in
't riet werden gestuurd. In het gansche schreven der
Fellowship was geen woord te vinden over de hoofdzaak,
namelijk, of nu werkelijk, als Middelburg tegemoet kwam,
het de Court van Stade zou krijgen. Ze vroegen
dus in hun wederantwoord, of men daaromtrent eerst zeker-
') Art. 33, 34, 35 en 36.
') Art. 15.
') Art. 5.
50
heid kon geven, maar moesten nogmaals vernemen, wat ze
al lang wisten, dat men hiervan niets kon beloven, zoolang
de Koningin geen antwoord had van de Staten-Generaal.
Intusschen kon Middelburg wel vast zorgen, dat het Entre-
cours van 1582 beter uitgevoerd en ook behoorlijk uitge-
breid werd ; dan „zou er eventueel veel kans zijn, dat die
van Stade er kwamen " ; anders waren er nog andere steden
genoeg in de Vereenigde Provinciën, die goede voorwaarden
hadden aangeboden !
Dat was dan de armzalige vrucht van het lange wachten
en het rondtrekken door Londen. Een vrucht, die moeielijk
goed gemaakt kon worden door de overvloedige beleefdheden,
diners, enz.
Toch gaven de drie onvermoeide afgevaardigden den
moed nog niet op ; ze deden nu nog eene poging, om
Koningin Elisabeth zelf te spreken en — dank
zij den vriendelijken graaf Essex — niet zonder succes.
Den 18en Februari stylo novo vóór den middag stapten ze
het paleis van ^Wythal" binnen. Daar gaven ze brieven
over aan de Koningin. Elisabeth las de brieven „onder
een prieel alleen", riep daarna de drie Zeeuwen, die op
een afstand waren gebleven in den tuin en gaf hun dadelijk
een duidelijk bescheid, waar ze meer aan hadden dan aan
al den omhaal van de Adventurers. „De Koningin wilde
niet geerne yetwes disponeeren tegens het advys van de
coopluyden. dien het stuk meest was betreffende," maar
zij begeerde toch het principaal gezag te houden
in de directie van de onderhandelingen. Zij kon ronduit
verklaren, dat zij de Fellowship liever gesepareert (in
twee vastelandsfactorijen) dan gecombineert zag, maar als
dit laatste gebeuren moest, dan zou zij geen stad
boven Middelburg verkiezen.*)
Zij had geschreven aan den Keizer van Duitschlaud en
') Bglage D van het Rapport.
51
aan verscheiden rijksvorsten, waaronder er velen waren,
die het verbanningsdecreet afkeurden. Het antwoord moest
ze afwachten. De spraakzame Koningin voegde hierbij nog
„vele andere propoosten ende discoursen", waarna de drie
heeren vertrokken met de noodige „accomplissementen".
Den 23en Februari scheepten ze zich weer in en kwamen
den 25en terug te Middelburg, na eene afwezigheid van
ruim 6 weken. Den 28en brachten ze mondeling rapport
uit in de vroedschap en den lé^n Maart dienden ze het
schriffcelgk stuk in, dat gelukkig bewaard gebleven is.
De koninklijke belofte is vervuld ; Middelburg heeft den
geheelen stapel, de groote Court der Adventurers gekregen
en wel nog in hetzelfde jaar 1598. Evenwel niet, voordat
het verblijf in Duitschland volstrekt onmogelijk was ge-
worden en eerdat de Staten-Generaal de noodige privilegiën
verleend hadden.
Lang voordat de drie gedeputeerden uit Londen terug-
kwamen, was deze zaak in de Staten-Generaal ter tafel
gebracht ') en reeds den 16en Maart, daags na het boven-
genoemde schriftelijk rapport, kwam ze in de Staten van
Zeeland ter sprake "')• Nog denzelfden dag werd hier eene
resolutie genomen, waarvan de inhoud wel is waar niet
vermeld wordt, maar die zonder twijfel gunstig zal ge-
weest zijn.
De afzonderlijke punten werden in Mei, op verzoek der
Staten, door eene commissie onderzocht en den 6en Juni
werd, in tweede lezing, haar rapport goedgekeurd. ')
De groote kwestie was echter, wat Holland ervan zou
zeggen, Holland, dat heel wat eigen handel op Engeland
en ook heel wat lakenindustrie bezat. De Adventurers
') Resol. v./d. Staten-Generaal, 30 Januari 1598.
') Notulen en Resolutiën van Zeeland, 16 Maart 1598.
*) Not en Resol. van Zeeland, 1 Mei en 6 Juni 1598.
52
wisten maar al te goed, dat deze provincie hun niet te
best gezind was en hierin is hoogstwaarschijnlijk de voor-
naamste reden te zoeken, waarom ze de Middelburgsche
heeren zoo weinig zekerheid gegeven hadden. Zoolang de
Staten-Generaal nog geen vast besluit hadden genomen,
moest men de verschillende Hollandsche steden, die om de
Court gevraagd hadden, in de meening laten, dat ze er nog
wel kans op hadden, dan zouden die in hunne Staten moeite
doen, om een behoorlijk octrooi aangenomen te krygen.
Aan politieke slimheid heeft het den Adventurers nooit
ontbroken.
Holland had in 1591 het gehate plakkaat op de tarra
doorgezet en in 1592 weer de uitbreiding daarvan. ') Hol-
land had in zijne lakensteden, waar de meeste verwerijen
en bereiderijen van Engelsch laken waren, overal gezorgd
voor officiëele tarrameesters, namelijk te Dordrecht, Haarlem,
Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda, Rotterdam, Gorinchem,
Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen en Den Haag. Holland had
bewerkt, dat alle protesten der Adventurers voor kennis-
geving waren aangenomen, zoodat hun niets was toegestaan,
dan dat hun de namen der tarrameesters zouden worden
meegedeeld, opdat ze hunne eventuëele bezwaren tegen de
nieuw benoemden zouden kunnen kenbaar maken, ")
Toen nu den 9en Februari 1598 de voorstellen, door de
Adventurers aan de Staten-Generaal gedaan (bij monde van
den Engelschen raadsheer Gilpin en den Secretaris der
Engelsche Court te Middelburg) in de Hollandsche Staten
ter sprake kwamen, werden ze daar dan ook niet al te
gunstig ontvangen. ') Holland wilde hun wel toegang geven
volgens de oude voorrechten, gegund door de Bourgondische
•) Resol. van Holl. en W.-FriesL, 27 Aug.— 10 Sept. 1591, 30 Dec.
1591—24 Jan. 1592, 9—21 Maart 1592.
') Res. van Holland, 8—15 Juni 1592.
') Res. van Holland, 9 Febr. 1598.
53
en Oostenrijksche vorsten en door de Staten-Generaal in
de dagen van Leicester, maar alleen, wanneer het de Hol-
landsche kooplui niet hinderde in hun Engelschen handel en
wanneer de Hollanders in Engeland ook werkelijk behandeld
werden volgens het Entrecours (van 1499). In hoeverre
dit laatste het geval was, wilden de Staten eens nader be-
spreken met E m a n u e 1 de M e t e r en. Waarom deze
bekende koopman juist genoemd werd, blijkt genoeg uit het
klaagschrift, dat hij op dienzelfden 9en Februari bij de
Staten-Generaal indiende ook uit naam van andere Neder-
landsche kooplui te Londen. ') Emanuel van Meteren, zooals
hij daar genoemd wordt, geboortig van Antwerpen, maar
thans koopman te Londen, somde daarin vele en zware
klachten op over schending van het genoemde entrecours ;
men diende daarin te voorzien en wel zoo spoedig mogelijk,
namelijk vóór de oprichting van het beraamde college van
consulaatschap van Nederlanders. ')
Van vrydom van invoerrechten, dien de Adventurers
vroegen voor laken, karsaaien en baaien, wilden
de Hollandsche Staten niets weten ; hoogstens wilden ze
de Engelschen behandelen als de eigen onderdanen, dus
zonder bijzondere privileges ; ze zouden namelijk alle Engel-
schen waren, wollen lakens, vellen, tin, lood, vlas, leer,
saffraan, enz. vrij van inkomende rechten mogen aanvoeren,
behalve den tol daarop reeds gesteld (m. a. w. de rechten
zouden in de toekomst niet verhoogd worden). — Als over-
maat van goedheid wilde men eene verlaging van tarief
toestaan voor de Duitsche, Italiaansche en Oostlandsche
waren, door de Adventurers hier uitgevoerd, omdat die dan
de retourvrachten naar Engeland konden helpen leveren en
zoodoende den uitvoer van geld daarheen zouden tegengaan.
•) Res. v./d. St.-Generaal 9 Febr. 1598.
^) Wat dit precies was en of het tot stand gekomen is, wordt hier
niet gemeld.
54
Het bekende stuokkelprivilege van Filips den Goede was
den Staten wat te kras ; ze wilden het wel den eersten keer
toepassen, maar bij recidive niet meer; dan behoorde de
wet in alle gestrengheid uitgevoerd te worden met ver-
beurdverklaring der goederen.
Op de juridische voorrechten, die gevraagd werden, hebben
de Staten van Holland bijna geen aanmerking gemaakt,
maar deze waren dan ook, zoover we kunnen nagaan, nog
al bescheiden van aard.
De voornaamste strijd liep dus over de in- en uitvoer-
rechten, en die stryd heeft bijna twee jaren geduurd. (Jp
één punt hebben de Hollandsche Staten al vrij spoedig
toegegeven, waarschijnlijk gedreven door die leden, die
gesolliciteerd hadden voor de Engelsche Court ').
Reeds den 21en Februari beloofden de Staten-Generaal
den vrijdom van inkomende convooien voor laken en
karsaai, mits de Adventurers konden bewijzen dat ze
dien tot nog toe in deze landen genoten hadden (een bewijs,
dat niet moeielijk viel te leveren). Tevens was de alge-
meene voorwaarde gesteld, dat de Fellowship, naast hare
Court in der Nederlanden, geen andere stapelplaats
op het vasteland zou hebben.
Van de verlaging van tarief voor andere artikelen werd
evenwel nu niet meer gesproken en daarom waren de
Adventurers nog niet tevreden, te meer, daar ze ook vrij-
dom verlangden voor baai bij den invoer en vrijdom voor
laken, karsaai en baai, wanneer die onverkocht werden
uitgevoerd binnen een jaar na den invoer.
Om dit meerdere ook nog te verkrijgen, kwam in .Tuni
1598 een groote deputatie uit Londen in Den Haag. Ze
bestond uit de ons bekende heeren Richard Goddard,
') De Rotterdamsche vroedschap o. a. verklaarde, in Juni 1598 nog,
dat ze „alle faveur zou doen* aan de Engelsche Adventurers op hunne
voorgestelde punten. [Zie vroedschapsresol. 1-5 Juni 1.598.]
55
gouverneur van de Fellowship en alderman van Londen en
Gillis Fletcher, doctor in de rechten en request-
meester van den Hove van Elisabetli, benevens vier andere
gecommitteerden (waarschijnlijk assistenten uit het hoofd-
bestuur der Fellowship). Dadelijk na hunne aankomst wer-
den ze vanwege de Staten-Generaal gefeliciteerd en ter
audiëntie bij hunne Hoog Mogenden toegelaten. Daar
lazen ze een aanbevelingsbrief van de Koningin en eene
propositie van henzelf voor, welke laatste ook nog uit
het Latijn in het Nederduitsch vertaald, schriftelijk over-
gegeven werd en opgenomen in de Resolutiën der Staten-
Generaal ').
Opmerkelyk is het, hoe ze daarin eene geheel andere
meening verkondigen dan de Koningin had geuit tegen de
Middelburgsche afgevaardigden, Elisabeth had betuigd, dat
ze de Fellowship liever gesepareerd dan geconjugeerd zag ;
de Adventurers zelf beweerden nu, dat ze alleen door den
nood gedwongen ,hun selven in tweeen hadden
gedeeld" ; het eene deel hadden ze eerst te Emden, later
te Hamburg en eindelijk te Stade moeten vestigen en het
andere was dan in de Vereenigde Nederlanden gebleven,
wachtende op verlossing uit den langdurigen oorlog. Nu
was de Court te Stade verboden op aandrang der Hansa-
steden en „van andere ministers ende facteurs van den
coninck van Spanien, onsen gemeenen vijant". Daarom
wilden ze hun handel nu gaarne weer concentreeren in
eene stapelplaats in de Vereenigde Nederlanden. Hun wen-
schen van nu en vroeger harmoniëerden dus bijzonder goed
met die der Staten-Generaal ! De propositie was onder-
teekend door den bekenden algemeenen secretaris J. Wheeler,
denzelfden die de Laws and Ordinances opgesteld heeft.
(Deze schijnt dus reeds toen de HoUandsche taal genoeg
machtig geweest te zyn, om de missive te vertalen, een
') Zie Resol. van de Staten-Generaal van 12 en 13 Juni 1598.
56
teeken, dat hij vroeger in de Nederlanden verblijf moet
hebben gehouden) ').
De punten, die nu nieuw aangevraagd werden, kwamen
den 6en en 7en Juli in de Staten-Generaal in behandeling,
maar vonden voorloopig een slecht onthaal. Er werd in
de vergadering niets toegegeven, maar men benoemde toch
eene commissie ter nadere onderhandeling, waarin Holland,
Zeeland en Overijsel ieder een lid mochten kiezen ^). Holland
wees den Advocaat Van Oldenbarneveldt aan, Zeeland koos
den ijverigen Van der !^rck en Overijsel zekeren De Witte.
Zoo heel kwaad was dit drietal niet voor de Adventurers ;
Oldenbarneveldt, als oud-pensionaris van Rotterdam nog
zeer bevriend met de regeerders dezer stad, die hunne
hoop op de Engelsche Court nog niet verloren hadden,
tevens verlangend naar eene goede verhouding met Engeland,
dat hij noodig achtte voor den oorlog tegen Spanje, —
Van der Marck, voorvechter van de Adventurers, omdat
hij ze in verbeelding reeds zag gevestigd in zijne pro-
vincie, — De Witte, afgevaardigde van Overijsel, dat natuur-
lijk in deze zaak licht met de andereu mee ging.
Evenwel om de eischen der Adventurers volledig toe te
geven, daartoe was deze commissie ook niet bereid, zoodat
men niet dadelijk verder kwam, maar den 14en Juli werd
dan toch in de Staten-Generaal eene rij van gunsten en
voorrechten aangenomen, waarbij de Fellowship zich neer-
legde en die de grondslag werden voor het octrooi
voor ,de ghemeene coopluyden van de Sociëteit der coop-
luyden van de Engelsche natie, genaemt Adventuriers".
Dit octrooi van 1598 "*) is het plechtanker geweest
voor de Fellowship, zoolang ze binnen de Nederlandsche
Republiek verblijf en stapel hield ; het verdient daarom nog
kortelijk medegedeeld te worden.
') Res. van de Staten-Generaai, 13 Juni 1598.
') Idem 6 en 7 Juli 1598.
") Zie Groot Plakkaatboek I fol. 756 vlg.
In den aanhef werden de voorrechten vau 1587 bevestigd
of — als men wil — eigenlijk voor 't eerst verleend. ')
Daarmee werden dus alle mogelijke voorrechten beloofd, die
de Fellowship „elders" ooit gehad had. Dit was al mooi
genoeg, maar te algemeen om van groote practische waarde
te zijn. Nadrukkelijk worden nu de volgende handels-
voorrechten in 't bijzonder opgenomen.
Ie. Een vrijgeleide, dat alleen in buitengewone ge-
vallen, b.v. by oorlog, mocht worden opgezegd en dan slechts
op termijn van 3 maanden.
2e. Geheele vrijstelling van inkomende con-
vooien voor lakens en carsaaien.
3e. Het smokkelprivilegie van Filipsden
Goede, zonder beperking, dus ook bij recidive.
4e. Vrijdom van uitgaande convooien voor
lakens en carsaaien, indien ze binnen het jaar onverkocht
weer werden uitgevoerd naar Engeland, of in 't algemeen
naar een stapelplaats der Fellowship.
5e. Vrijstelling van alle stapelrechten of onkosten in elke
haven, waar ze bij ongeluk (b.v. „door tempeeste") mochten
aanlanden.
6e. Waarborg tegen toepassing van het oude strandrecht
bij schipbreuk.
Hierna volgden een reeks van privilegiën op
rechtsgebied, die echter voor de zeden van dien tijd
geen grooten omvang bezaten ; en die ook lang niet zooveel
bevatten als de Fellowship vroeger wel genoten had. Van
eigen consulaire rechtspraak is hier eigenlijk maar een klein
beetje overgebleven, wel een bewijs, dat de regeering der
Republiek al heelwat hooger gevoel van eigenwaarde bezat
dan vroegere regeeringen, b.v. die van den doorluchtigen
hertog Filips van Bourgondië. Had deze laatste indertijd
bij zijn voorrechtsbrief van 6 Augustus 1446 aan den
') Zie boven blz. 33.
58
gouverneur der Engelschen te Antwerpen civiele rechtspraak
gegeven over alle E n g e 1 s e h e onderdanen in
zijn gebied, de Staten-Generaal der Zeven Provinciën boden
in hun privilege-brief van 1598 niet anders dan de civiele
rechtspraak over de suppoosten van de Court, d. i.
over den predikant, den koster, den conciërge en de vaste
arbeiders (nog niet eens over de makelaars, want die moesten
den eed doen aan de rechtbank hunner plaats van inwoning).
De overige Engelschen, dus ook de Entreloopers, zouden
onder den ge^vonen Nederlandschen burgerlijken rechter
staan, maar, tot geruststelling van de Adventurers, werden
hun hierbij eenige gunsten in de ree hts bedeeling
toegestaan.
Zoo mocht een fellow b.v. nooit worden aangesproken
of „ghemolesteert" voor schuld of misdrijf van anderen,
behalve wanneer hij borg of medeplichtige was. (Een rechts-
regel, die in onzen tijd nog al naïef klinkt, maar die in de
16e eeuw lang niet vanzelf sprak. Men ontzag zich toen
immers in 't minst niet, om een burger aan te pakken voor
schulden van zyne stad, dus nog veel minder om een lid
van eene handelsvereeniging verantwoordelijk te stellen voor
tekortkomingen van zijne broeders.) Voor contracten, door
de Adventurers zelf gesloten, zou nooit cessie of
r e s p ij t verleend worden, wel voor diegene, die zij bij
cessie of insolventie zouden verkrijgen.
Testamenten mocht het bestuur der Fellowship zelf
maken, van roerende goederen volgens Engelsch recht, van
onroerende volgens het recht van het land, waar ze lagen.
Bij erfenis ab intestato (zonder testament) zou hetzelfde
onderscheid gelden. Daar de testamenten toenmaals tot de
kleine civiele rechtszaken gerekend werden, kon men dit
voorrecht beschouwen als eene kleine toevoeging aan de
eigen rechtspraak der Fellowship.
De crimineele jurisdictie bleef geheel in han-
den van den Nederlandschen rechter. Alleen werd in de
59
strafi-echtvordering eene curieuse gunst verleend, die bijzonder
goed paste bg het volk, dat later de habeas-corpus-act
gemaakt heeft. Indien namelijk een fellow werd beschuldigd,
niet „ex officio en bij formeele accusatie" (door de justitie),
dan moest de beschuldiger mee in het huis
van arrest, totdat hij het bewijs geleverd had. Kon hij
dat niet, dan moest de Engelschman weer losgelaten worden
en door zijn beschuldiger schadeloos worden gesteld! De
aanklager borg voor zijne aanklacht!
Nieuw was dit voorrecht voor de Adventurers niet, want
ze hadden het elders ook reeds genoten, o. a. in het privi-
lege van Filips den Goede, anno 1446.
Eindelijk kregen de fellows nog de verzekering, dat hunne
goederen in geen geval zouden verbeurd verklaard worden,
welke misdaad ze ook begaan mochten, mits de Nederlanders
in Engeland hetzelfde voorrecht genoten. (Deze toevoeging
werd bij de overige artikelen zeker ook stilzwijgend onder-
steld, maar alleen bij dit punt uitdrukkelijk vermeld.)
De Merchant Adventurers, ofschoon nog niet tevreden,
talmden toch, na de bezegeling en publicatie van dit octrooi,
niet langer, maar brachten werkelijk hun ganschen
handel binnen de Republiek op eene algemeene
stapelplaats. En hunne keuze viel, zooals na al het vooraf-
gegane te verwachten was, op de stad Middelburg, die dus
nu hare kleine „subsidiarj Court" zag veranderen in de
groote algemeene Court der Fellows hip
op het vasteland. En zij is dat gebleven doorloopend tot
het jaar 1611, dus dertien jaren aan één stuk. Daar-
door heeft ze, naar alle waai'schijnlijkheid, meer van de
Adventurers genoten dan eenige andere plaats in de Republiek.
Natuurlijk wist de Zeeuwsche hoofdstad dit voorrecht op
prijs te stellen ; ze bereidde aan de vurig gewenschte gasten
een waardige ontvangst en bood hun een ruim gebouw aan
op den hoek van den Langendelft en de Sint Jansstraat,
terwijl de Gasthuiskerk, reeds in 1589 voor de toen aan-
( \p^^ii^£.
60
wezige fellovvs ingericht, uu voorgoed werd afgestaan. ')
De nieuwe overeenkomst, waarover reeds de drie afgezanten
in 't voorjaar te Londen gesproken hadden, werd nu gesloten
en, ofschoon tot op heden noch het origineel noch eenig
afschrift daarvan gevonden is, kunnen we toch ongeveer
nagaan wat ze behelsde, omdat bij latere contracten te
Delft, Rotterdam en Dordt er telkens over gesproken wordt.
Zeker is het b.v., dat de stad Middelburg met de goede
hulp der Staten van Zeeland, de juridische privilegiën zeer
veel ruimer heeft gemaakt dan de Staten-Generaal hadden
gewild, zoodat b.v. de civiele rechtspraak van den court-
meester en zijne assistants minstens over alle fellows werd
uitgebreid. Ook lijdt het geen twijfel, dat verscheidene
vrijdommen van accijns werden toegestaan, met goedvinden
der Zeeuwsche Staten. ')
Die Staten toch toonden doorloopend een grooten ijver,
om Middelburg en zijne Engelsche gasten te helpen. Den
lOen September 1598 besloten ze, dat — al hadden de
Staten-Generaal den vrijdom van convooien voor baai
niet gegeven („niet duydelyck genoech uytgesproken") — ,
toch van dit goed voorloopig geen invoerrecht zou geëischt
') Opmerkelijk is het, dat in de Stadsrekeningen van Middelb. van
dien tijd hiervoor zoo weinig te vinden is. Ze vermelden alleen nieuwe
glazen met burgen daerinne in de nieuwe Engelsche Kerk, op 't jaar 1594.
(Zie H. M. Kesteloo „Stadsrekeningen van Middelburg" in Archief,
uitgegeven door 't Zeeuwsch Genootschap 1891, 7e deel Ie stuk.jh . £*- r ■
"j In de Notulen en Resol. van Zeeland wordt dit wel niet vermeld,
maar men vindt er juist in dezen tijd, den lOen September 1598,
dadelijk na de vestiging der Court te Middelburg, dat Veere vrijdom
van wijn- en bieraccijns krijgt voor de Schotsche Court. Dit lijkt erg
veel op eene concessie vanwege het machtige Middelburg, en zoo'n
concessie werd niet gedaan, zonder dat men zelf iets genoten had.
De overeenkomst van 1582 had trouwens reeds aan de Adventurers,
die te Middelburg kwamen of verblijf hielden, vrijdom van alle be-
staande of nog te stellen bier- en wijnaccijns gegeven in het Courthuis
en 3 of 4 andere huizen.
61
worden, maar alleen aanteekening zou gehouden worden,
onder borgtocht, totdat de Staten-Generaal nader zouden
beslist hebben. ') En in de volgende maanden hebben ze,
bij monde van hun ijverigen afgevaardigde Van der ï^arck,
zooveel moeite gedaan in de vergadering der Staten-Generaal,
dat daar eindelijk, den 16en December 1599, de vrijdom van
de baai werkelijk voor onbepaalden tijd toegestaan werd. "')
Nog eene andere groote concessie hebben Hunne Hoog
Mogenden in 't jaar 1599 gegeven, waartoe evenzeer de
Zeeuwsche Staten het hunne gedaan hebben, eene concessie,
die de Adventurers bijzonder op prys stelden : bij het
Plakkaat op het comme rciëer en van de
coopluyden avonturiers van de Engelsche
Natie, van 27 Mei 1599, werd aan alle Engelschen of onder-
danen van den Engelschen Koning verboden, wollen goede-
ren in te voeren op eene andere plaats dan de stapelplaats
der Fellowship ^). Nu zouden dus de gehate Entreloo-
p e r s van Vlissingen en elders allen naar Middelburg
moeten komen, om daar, met behulp der Zeeuwsche
autoriteiten, te worden gedwongen tot toetreding in de Court,
volgens het plakkaat van Elisabeth. Nu was het monopolie
van de Fellowship van alle kanten bezegeld!
Hoe is 't mogelijk, dat de provincie Holland, met Olden-
barneveldt aan 't hoofd, tot zoo'n exclusieve bepaling heeft
kunnen medewerken ?
De kans voor de Hollandsche steden, voor Rotterdam b.v.,
was nu toch lang verkeken. Is het de invloed van Koningin
Elisabeth zelf geweest, die den doorslag gegeven heeft, in deze
nog steeds gevaarlijke tyden, toen men nog voortdurend ijverde,
om het opgezegde bondgenootschap met Engeland te ver-
nieuwen, toen men nog den hoogsten prys stelde op behoud
der hulptroepen van Engeland?
') Not. en Res. van Zeeland, 10 Sept. 1598.
^) Res. van de St.-Generaal, 16 Dec. 1599.
=■) Groot Plakkaatboek, fol. 757.
62
Allicht wel. Zonder twijfel draagt het octrooi van 1598—99
den stempel van zyn tijd. In latere jaren, toen men Engeland
minder noodig had, verloor dit octrooi ook meer en meer
zijne kracht ; het is nog wel meer dan eens vernieuwd,
maar in de praktyk niet te nauwkeurig nagekomen. Entre-
loopers b.v. zyn er altyd gebleven buiten den stapel der
Adventurers en hun getal is gegroeid met de jaren.
DE GROOTE ALGEMEENE COÜRT TE MIDDELBURG.
Middelburg was in die dagen, zooals bekend is, in zijn
goeden tijd en mocht zich zelfs beroemen, na Amsterdam
de voornaamste handelsstad der Zeven Provinciën te zijn.
Het had altijd in drukke verbinding gestaan met Antwerpen,
waarvan het immers in zekeren zin voorhaven was. En nu,
na den val van de groote metropool in 1585, was Middel-
burg haar naaste erfgenaam geworden. Geweldig sterk is
er de toestrooming van Antwerpsche vluchtelingen geweest,
zooals de lidmatenboeken der Gereformeerde Kerk aanwijzen ;
alleen in 1584, '85 en '86 zijn er niet minder dan 2700
Antwerpenaars als nieuwe lidmaten ingeschreven '). Onder
hen waren mannen als de Moucherons, die een ondernemings-
geest meebrachten, zooals hier tevoren niet gekend was.
De toegang tot Middelburg was in die dagen zeer goed,
ook voor de grootste zeeschepen. Ze moesten binnenkomen
door de Arne bij Arnemuiden, een plaatsje, dat geheel
onder Middelburg's bevelen stond en even klein gehouden
werd als Delfshaven door Delft. In de dagen van Karel V,
in 1531, had Arnemuiden beproefd zich van die voogdij
los te maken, maar tevergeefs ; Middelburg had aan 't
langste eind getrokken en had ook nog octrooi van den
') Zie Mr. J. H. de Stoppelaer „Balthasar de Moucheron". ^ 3K
/"
64
Keizer gekregen, om eene nieuwe, ruime verbinding te
maken van de Arne naar de stad, inplaats van de oude
kronkelende Middeleeuwsche vaart '). Binnen Middelburg
zelf kwam nu dit nieuwe kanaal uit in een royale haven,
die er nog heden te zien is en die in verband stond met
alle grachten, zoodat de schepen aan alle zyden der stad
konden lossen en laden.
Voor 't vervoer der handelswaren naar Duitschland en
België was Middelburg uitstekend gelegen ; de waterwegen
naar Merwede en Rijn waren diep en goed bevaarbaar,
de breede Schelde gaf als altijd een heerlijken toegang
naar Antwerpen en ook gelegenheid om te varen naar
Gent en Brugge.
Het eenige bezwaar, dat tegenover al deze goede eigen-
schappen stond, was de ligging van Middelburg zoo nabij
de Spaansche grenzen en het oorlogsterrein. Maar in 1598,
toen Maurits den vijand zoo geducht den schrik op het
lijf gejaagd had, was dit bezwaar zoo heel groot niet. Wel
bestond er een verbod van handel met het Spaansche
gebied, dus ook met Antwerpen, maar dit werd niet al
te nauwkeurig opgevolgd : met licenties of vergunningen
van de overheid was er in te voeren, wat men maar wilde.
De eerste jaren in Middelburg schijnen voor de Fellowship
vette jaren geweest te zijn. „Schijnen", want het is tot
dusver niet mogelyk geweest nauwkeurige opgaven te krijgen
over den omvang van hun handel. Maar er zijn daarentegen
juist uit den tijd omstreeks 1600 bewijzen te over, dat de
benyders der Merchant Adventurers bijzonder talrijk en
bijzonder hevig geweest zijn. Vlugschriften tegen hunne
voorrechten kwamen van alle zijden aanwaaien en de hoofd-
lieden van de Fellowship moesten hun uiterste krachten
inspannen ter verdediging. Het is in dezen strijd, dat de
meest bekende van alle Adventurers, de algemeene secre-
') Zie ^Tegenw. Staat van Zeeland", blz. 139.
65
taris Wheeler zich beroemd gemaakt heeft; in 1601
deed hij zijn „Treatise ofCommerce' verschijnen,
een overzicht van de geschiedenis der Fellowship ') en in
1608 volgde zijn verzameling van de „Lawes, Customes
and o r d i n a n c e s" "), dat toen moest dienen om het
recht van bestaan zijner broederschap te bewijzen, maar
nu nog aanspraak heeft op onze groote waardeering, omdat
het de beste bron is voor de inrichting van dit merk-
waardige lichaam.
In de ,Treatise of Commerce" vermeldt Wheeler o. a.,
dat de Fellowship niet minder dan 3500 leden telt in Londen
en andere steden van Engeland '^), en dat zij best in staat
is, alle lakens en andere wollen manufacturen, in Engeland
vervaardigd, op te koopen en af te zetten. Een andere tot
dusver onbekende Adventurer vertelt in een vlugschrift uit
het begin der 17e eeuw, dat de uitvoer van Eng. lakens,
die vóór de Nederlandsche troeUfelen niet meer bedroeg
dan 30000 stuks door de Engelschen en 6000 stuks door
de Hanseaten, nu gestegen was tot 60000 stuks per jaar,
door de Merchant Adventurers alleen ^).
Ook in latere petities en verweerschriften van de Fellowship
komen altijd weer de eerste jaren der 17^ eeuw voor als
een tijd, waarnaar men terug verlangt.
Maar in de maatschappij van de 16e en 17e eeuw en
vooral in de handelswereld volgden zonneschijn en regen
elkaar maar al te snel op ; eene waarheid, die den Merchant
Adventurers wel bekend was en die ze zeker bij het
') Zie Lingelbach, „The M. A. of England", blz. 209, waar uit-
treksels te vinden zijn.
°) Zie Lingelbach, blz. 5.
") id. blz. 216.
*) Dit stuk is in zijn geheel afgedrukt naar een handschrift in
't Britsche Museum bij Lingelbach, blz. 198 ,The rise and state of
the fellowship of Merchant Adventurers of England".
5
berekenen van liiin winstcijfer wel goed in 't oog zullen
gehouden hebben.
In 1603 stierf koningin Elisabeth, die voor de Fellovvship
met recht eene beschermvrouw, eene goede moeder bijna,
geweest was. Immers, de maiden Queen had zich de ont-
wikkeling van den actieven Engelschen handel meer dan
eenige voorganger of voorgangster ten doel gesteld en ze
had meer dan iemand de vaste overtuiging gekoesterd, dat
gecharterde lichamen met sterke monopoliën daarvoor de
beste werktuigen waren. Bijna over de gansche bekende
wereld had ze beschikt in hare octrooien : Amerika aan
de London- and Plymouth-Company, de zee vóór Amerika
aan de New-Foundland-Co., de landen voorbij de Kaap de
Goede Hoop aan de East-India-Co., Noorwegen en Rusland
langs den nieuwen weg om de Noordkaap aan de Moscovia-
Co., Pruisen c. s. aan de Baltische Comp., Turkije aan de
Levantsche Comp.
En — gelijk we reeds zeiden — het stapelgebied der
Merchant Adventurers had ze uitgebreid tot de Somme en
tot Denemarken ; hun dus tot handelsgebied gegeven de
Nederlanden, Noord-Frankrijk en West-Duitschland.
Haar opvolger, de Schotsche koning Jacobus Stuart, was
lang niet zoo geheel doordrongen van de waarde dezer
handelspolitiek. Hij toonde zich ten minste toegankelijk
voor de klachten en bezwaren, die van verschillende zijden
tegen de monopolies inkwamen. En het parlement, dat nu
weer meer zich kon laten gelden, toonde hiervoor eveneens
een open oor te bezitten, zoodat inderdaad al spoedig ver-
schillende kleinere monopolies ingetrokken werden. Tegen
de Merchant Adventurers kwamen de Stapelkooplui, de
Interlopers en de Engelsche lakenarbeiders in 't geweer,
ieder van hun eigen standpunt uitgaande en alleen ver-
bonden door hun jaloezie tegen de voorspoedige Fellovvship.
Deze doorstond echter gelukkig den aanval en wist nog
in 1607 van den Koning volledige bevestiging van hare
67
voorrechten te verkrijgen '). Men behoeft niet te vragen,
welken klank hare strijdmiddelen gehad hebben.
Maar de overwinning was van korten duur. In 't jaar
1608 werd namelijk de aanval tegen de Merchant Adven-
turers vernieuwd op geheel andere, veel gevaarlijker wijze.
Zekere Cockayne wist de regeering aan 't verstand te
brengen, dat Engeland reeds ver genoeg gevorderd was,
om zelf de wollen manufacturen geheel af te werken, in
plaats van ze ongeverfd („wit") en ongeapprêteerd uit te
voeren, zooals de Merchant Adventurers nog steeds in
hoofdzaak deden.
Hy, Cockayne, die natuurlijk vele lakenbereiders achter
zich had, dorst dit nieuwe bedrijf te ondernemen tot heil
van 't vaderland, indien men hem slechts octrooi wilde
geven. En hij kreeg zijn zin, hoezeer de Merchant Adven-
turers ook alle zeilen bijzetten, om dit te verhinderen ").
Maar dit was Cockayne c. s. nog niet genoeg : zij hadden
geen rust, voordat de Fellowship geheel op zij geschoven
zou zijn. En ze porden en arbeidden bij de regeering, opdat
zij nu ook den uitvoer van de halfafgewerkte manufacturen
geheel zou verbieden. „Het geld moest in 't land blijven",
volgens de oude leuze, die, onder 't noodlot van een
bekrompen egoïsme, , immer wieder neu" is.
Zoo moest dan het vurig gewenschte en lang verbeide
Twaalfjarig Bestand voor de Merchant Adventurers, evenals
voor de Republiek der Vereenigde Provinciën, een tyd van
strijd en onrust worden. Ja, meer nog: een tijd van vechten
op leven en dood.
In zulke omstandigheden was het de vraag, of Middelburg
nog wel de gewenschte stapelplaats was, te meer, daar de
Schelde gresloten bleef en dus het handelsgebied naar ééne
*) Zie Lingelbach „a brief history", blz. XVIII.
-) Zie Lingelbach ,a brief history", blz. XVIII, ook Cunningham
,Growth of Englisb indastry anti commerce" II, blz. 165.
68
zijde belemmerd. De Merchant Adventurers zijn ten minste
spoedig in ernst gaan denken aan de Hollandsche steden,
die steeds op de loer lagen, om Middelburg zijn Engelschen
handel af te kapen. Holland met zijn invloedrijken advocaat
Oldenbarneveldt zou zeker meer kunnen helpen in den strijd
tegen Cockayne dan Middelburg en Zeeland. En de Holland-
sche steden, die nu om de Court vroegen, konden zelf
ook eenig gewicht in de schaal werpen, want het waren in
hoofdzaak het machtige Amsterdam en het snel op-
komende Rotterdam.
De Middelburgers echter roken bijtijds lont en deden
alwat ze konden om den stapel te behouden. In 1610 zonden
ze den schepen Johan Vet met den pensionaris Johan Boreel
naar Londen in Engeland, ,om aldaar te tracteeren mette
Court van de Engelsche natie tot continuatie van de stapel
der Engelsche lakenen binnen der stede". De reis duurde
40 dagen en kostte £ 260 : 16 : 3 plus £ 25 Vlaamsch gratifi-
catie voor ieder der twee heeren, wegens hunne goede be-
moeiingen en hun succes. ')
Maar in 't volgende jaar 1611 moest Boreel een tweede
reis doen. De Rotterdamsche vroedschap had namelijk den
17en Maart 1611 besloten, alles te beproeven, om de Engel-
sche Court binnen hare stad te krijgen ; ze had daartoe den
pensionaris Aeneas van Oldenbarneveldt en zijn broeder den
landsadvocaat (vroegeren pensionaris van Rotterdam) ver-
zocht, alle moeite te doen bij „Wijnwout" (Winwood), den
Engelschen gezant in den Haag: niet alleen met naekte
woorden, maar oock met belofte van Recorapense en van
logys en anders. ')
Boreel heeft tegenover deze luidklinkende argumenten er
') Zie H. M. K es tel o o ,de Stadsrekeningen van Middelburg
van 1600 — 1650" ,in Archief, uitgegeven door 't Zeeuwsch Genoot-
schap, 8e deel, 1^ stuk, p. 92. (Zie ook Lingelbach p. IX.)
") Resol. vd vroedschap van Rotterdam, 17 Maart 1611.
69
geene gesteld van dezelfde soort, voor zoover ten minste
de stadsrekeningen van Middelburg uitwijzen. Toch heeft hij
het pleit voorloopig weer gewonnen, op eene reis van 46
dagen, die aan de stad <£ 237 ; 16 : 7 kostte, waaronder
voor hem weer eene welverdiende belooning. Maar hij kon
niet beletten, dat Middelburg toch nu zijn algemeen mono-
polie verloor : de Fellowship stichtte namelijk weer eene
tweede factorg op het vasteland, daar Hamburg eindelijk
weer eene vestiging toestond en wel op veel mooier voor-
waarden dan in 1567. Een deel van den handel op Duitschland
ging dus voor Middelburg verloren. ')
In December 1611 werd de algemeene vergadering der
Fellowship te Middelburg gehouden ") en by die gelegenheid
schijnt weer eene verplaatsing naar Amsterdam be-
sproken te zijn. Boreel toch werd in 1612 ten derde male
naar Londen gestuurd, en nu kostte de reis niet minder
dan £ 453 : 3 : 9 Vlaamsch, zoodat in dit geval zeker wèl
klinkende overredingsmiddelen zullen gebruikt zijn. Het doel
werd dan ook weer bereikt ; de Merchant Adventurers
, transporteerden haar niet naar Amstelredam".
Rotterdam liet nog niet los, want het had eene bijzondere
affectie voor de Engelsche Court, maar het vischte in
't volgende jaar 1613 leeUjk achter het net. Den 7en Mei
wist men in de vroedschap voor zeker te vertellen, dat de
Merchant Adventurers wilden vertrekken van Middelburg, ^)
waar hun contract van 15 jaren ten einde liep, en den
Sen Mei moest men vernemen, dat Middelburg weer voor
') Zie Lingelbach ,The Merch. Adv. at Haiuburg".
^) Hieruit blijkt dat te Middelburg wel de algemeene vergadering
der Fellowship gehouden werd, tenminste wel eens, maar dat — het
hoofdbestuur in dezen tijd zetelde te Londen (volgens de authentische
mededeelingen in de Rekeningen van Middelburg.) Lingelbach heeft
dus geen recht, om in 't algemeen te zeggen, zooals hij doet op p. 5
noot 1, dat „the seat of government" was op het vasteland.
*) Zie Rotterd. vroedschapsresolutie van 7 Mei 1613.
70
twee jaren een nieuwe overeenkomst had aangegaan. ') Boreel
was namelijk voor de vierde maal naar Engeland getogen,
nu regelrecht naar den Koning en zyn raad. Hij had den
secretaris van Middelburg, Schotte, meegenomen en was
thuis gekomen met het nieuwe contract en eene onkosten-
rekening van £ 453 : 19:2, waaruit men opmerken kan, dat
de Koning en zyn raad goedkooper te overtuigen waren dan
de hoofdbestuurders der Fellowship. Waarschijnlijk heeft
Boreel aan 't hof ook zijn best gedaan om te pleiten tegen
de plannen van Cockayne en zoodoende de Merchant Adven-
turers te verplichten.
In dat geval heeft hij hiermee weinig succes gehad, want
reeds het volgende jaar, 1615, kwam de grootste slag, die
de Fellowship en Middelburg kon treffen ; de Koning gaf
Cockayne volledig zijn zin : hij verbood allen uitvoer van
ongeverfde en ongeapprêteerde lakeuen uit Engeland en
eischte van de Merchant Adventurers hun
charter terug.')
Middelburg kon nu zuchten om de verloren ponden
Vlaamsch, Rotterdam en Amsterdam konden lachen en de
Fellowship kon neerzitten in zak en asch, want haar einde
scheen gekomen.
Cockayne vormde dadelijk eene nieuwe compagnie voor
zijne afgewerkte lakens en dacht die op ruime schaal op
de Nederlandsche en andere markten te werpen. Maar de
t^den bleken al spoedig daarvoor niet rijp : de Engelsche
industrie was nog niet genoeg ontwikkeld en het buitenland
was natuurlijk van dergelijke concurrentie ook niet gediend.
De Staten van Holland namen onmiddellijk hun bekende
represaille-besluit van 1614, dat allen invoer van geverfde
lakens verbood, behalve die van „de gemengelde couleuren",
') Zie Rotterd. Vroedschapsresolutie vau 8 Mei 1613.
°j Zie Pringsheim ,Beitrage zur Wirtschaftsgeschichte der Nieder-
lande", blz. 37, noot 3,
71
d. w. z. de niet-zwarte, die toenmaals in Engeland, volgens
getuigenis van deskundige tijdgenooten, „grof van draet en
daerora onaengenaam tot cledinghe" waren. ')
Het HoUandsche voorbeeld werd door andere provinciën
gevolgd en door de Staten-Generaal ook, zoodat Cockayne
met zijne „fijne manufacturen" overal tamelijk wel voor de
gesloten deur kwam. Engeland, dat het halve ei versmaad
had, kreeg „den leêgen dop" ; de lakenindustrie begon
weldra te kwijnen op zoo'n ongehoorde manier, dat in
wanhoop gezocht werd naar de vreemdsoortigste middelen
tot hulp en herstel. Zelfs de beroemde Bacon, die immers
van allerlei op de hoogte was, werd gevraagd om zijn
advies : hij wist niet anders aan te raden dan - - aan alle
Engelschen te verbieden in de zes wintermaanden zijden
kleeren te dragen, tenzij die tot zekeren graad doorweven
waren met wol !
Voordat echter nog dit of eenig ander plan ten uitvoer
kon gebracht worden, lag Cockayne's compagnie in duigen
en koning Jacobus moest zelf zich vernederen, om de
Adventurers een nieuw octrooi aan te bieden. Na twee
jaar schijndood te zijn geweest, kon de Fellowship uit haar
graf herryzen. Maar zij had een behoorlijk gevoel van
eigenwaarde en — weigerde het koninklijk aanbod, omdat
het niet alles bevatte wat ze vroeger gehad hadden. Eerst
in 1617, toen Jacobus toestemde het oude privilege van
Elisabeth te vernieuwen, waren de Adventurers tevreden
en werd de Fellowship in alle eer hersteld '■').
Maar daarmee waren de gevolgen der gevaarlijke proef-
neming niet uitgewischt. De Entreloopers hadden zich
natuurlijk de drie jaren van verwarring ten nutte gemaakt
en zich goed vastgenesteld, niet meer zoozeer in Vlissingen,
') Zie Pringsheitn „Beitrage zur Wirtschaftsgeschichte der "Nieder-
lande", blz. 37, noot 3.
°) Zie Lingelbach „a brief history", blz. XXXII,
yA-"-^
-.^>'
72
maar vooral in Anisterdaiii. Vandaar, dat de Adventurers
in 1G17 veel meer dan tevoren, vast besloten vï^aren naar
Holland te gaan, ofschoon Middelburg nog wel juist in
't vorige jaar 161G eene stedelijke wisselbank hadden
opgericht '), eene instelling die de fellows bijzonder gaarne
zagen in hunne stapelplaats.
Inplaats van nu aanbiedingen uit de Hollandsche steden
af te wachten, richtten zich de Adventurers nu met een
zeer nederig schryven tot de regeering van Ara sterdam
en vroegen verlof, om hunne Court daar te vestigen. Maar
ze konden toch niet nalaten, aan hun verzoek vrij hooge
eischen te verbinden, namelijk f 400000 in eens te betalen,
en verder „al sulke immuniteyten vrij en gerechtigheden
elders genietende". Om deze en andere redenen bedankte
de regeering van Amsterdam beleefdelijk, „ten ware eenige
andere redelijker en betere presentatie werd gedaen" "').
Dit laatste schijnt niet gebeurd te zijn en men verneemt
niets meer van nadere onderhandelingen.
Intusschen had de regeering van Delft uit eigen beweging
weer moeite gedaan, om de Court te krijgen '). Maar ook
dit liep op niets uit, daar ook de Delvenaars „geen pen-
ninghen wilden beloven" ''). Zoo wordt het ten minste
voorgesteld, maar zonder twijfel zullen de Remonstrantsche
beroeringen, die juist toenmaals in Holland hun hoogste
punt bereikten, ook het hunne bijgedragen hebben tot het
afspringen der besprekingen.
•) Zie flTegenw. Staat van Zeeland", blz. 172. Op alle plaatsen,
waar de Adventurers hun stapel gevestigd hebben, was een stedelijke
wisselbank een van hunne wenschen.
^) Volgens eene vriendelijke mededeeling van den heer Veder,
archiv. van Amsterdam, uit de Resol. van de vroedschap, 7 Oct. 1617.
') Zie Soutendam ,de E. C. te Delft" Nijhoffs Bijdragen. Nieuwe
reeks VI, blz. 22.
*) Zoo'n geldelyke eisch is door de M. A., zoover ons bekend,
nooit tevoren of later gedaan; hij wijst zeker op fiuancieele moeilijk-
heden bij de nieuwe oprichting.
73
Hoe het zij, Middelburg mocht de Engelsche Court nog
eenige jaren behouden.
Toen het droevige drama van Oldenbarneveldt afgespeeld
was, begonnen de pogingen tot verhuizing dadelijk opnieuw.
Rotterdam, in zak en assche, trachtte Delft toen nog gauw
de loef af te steken. Zijne regeerders hadden er wèl „pen-
ninghen" voor over, zooals altijd; ze beloofden ƒ 6000 aan
den Engelschen gezant Carleton en f 12000 aan de Heeren
van de Court te Londen en te Middelburg te betalen,
wanneer de court te Rotterdam zou zijn ').
Carleton beloofde te doen wat hij kon en schreef o. a.
een aanbeveling aan den courtmeester te Londen "), maar
toch ging Delft met de Court strijken. Lnmers, toen eenige
Rotterdamsche heeren van de vroedschap in Den Haag op
audiëntie gingen bij den Middelburgschen gouverneur of
courtmeester, die daar met eenige andere afgevaardigden
gekomen was voor onderhandelingen, kregen zij het gewone
ontwakend antwoord : „we hebben vele aanbiedingen ge-
kregen en zullen de beste uitzoeken" % En kort daarna
kwam het bericht, dat Delft met de Merchant Adventurers
een verdrag gesloten had voor 8 jaren ').
Hoe kon nu de Fellowship aan Delft de voorkeur geven
boven Rotterdam ? Delft was een havenstad — • "t is waar —
door zyn mooie kanaal naar Delftshaven, maar het was
toch veel moeilijker te bereiken dan zijne concurrente.
Ook was Rotterdam toen reeds veel drukker als haven- en
koopstad en had beter verbindingen met het binnenland.
Eindelijk was Rotterdam de hoofdzetel van de admiraliteit
van de Maas, 't geen — hoe vreemd het moge klinken —
minder last van de douane beloofde. Immers, de Rotter-
') Rott. Vroedschapsresolutie van 80 Nov. 1620.
'j id. , 28 Dec. 1620.
") id. „ 8 Maart 1621.
*) Soutendam, blz. 22.
74
daiiische regeering kon op de heeren van de admiraliteit
wel eenigen invloed oefenen, zoodat ze, als 't moest, een
oog toedrukten bij de inning der convooien en licenten, /
die hun opgedragen was. Heeft Delft dan meer geld beloofd /
als belooning voor Courtmeesters of anderen ? 't Is niet
waarschijnlijk, want Rotterdam kon meer missen en had
zich immers altijd zeer mild getoond. Waarom dan toch
Delft gekozen ? De latere vroedschapsresolutiën van Rotter-
dam geven hieromtrent eenig licht. Ze vermelden toch, dat
bij de latere onderhandelingen van de zijde der Fellowship
altijd bezwaar gemaakt wordt over de A r m i n i a n e n ').
De Merchant Adventurers schijnen dus bang geweest te
zijn, dat Rotterdam, het brandpunt der Remonstrantsche
ketterij, minder invloed zou hebben bij de Staten van
Holland en Prins Maurits dan Delft, dat ook wel een eind
weegs met Oldenbarneveldt meegegaan was, maar toch al
spoedig tot inkeer was gekomen en o. a. geen waardgelders
had aangenomen '). Ook weten we, dat Carleton, niettegen-
staande zijne beloften aan Rotterdam, Delft geholpen heeft,
want in een der stukken in het Delftsch archief (aangehaald
bij Mr. Soutendam, blz. 27) wordt vermeld, dat „Carleton
naast God tot de Court binnen Delft het meest heeft
bijgedragen". Zijne handelwijze tegenover Rotterdam is dus
niet erg mooi geweest : intusschen zal de invloed van den
Arminianen-vijand koning .Jacobus I hierin wel niet zonder
schuld zijn.
') Zie o. a. Rott. vroedschapwesolutie van 13 Sept. 1623.
3) Zie Blok, ,Gesch. van het Nederl. volk" IV, blz. 148.
INTREDE IN HOLLAND. DE COURT IN
'T PRINSENHOF TE DELFT.
Den 14en April 1621 werd het contract met Delft
gesloten, van de zijde der Fellowship geteekend door Edward
Bennet, governor, William Wight, Samuel Aldersey en
Joseph Avery, en gesteld in het Latyn ').
Niet lang daarna deden de Merchant Adventurers hunne
intrede in het klassieke Prinsenhof, dat sedert den ramp-
zaligen moord van 1584 grootendeels ledig stond. Middelburg
zag hen met leede oogen vertrekken, want hun heengaan
was het eerste teeken van achteruitgang na den val van
Antwerpen. Middelburg had gedaan wat het kon, maar 't
had niet mogen baten. De Merchant Adventurers hebben
beweerd, dat ze weggingen ,soo om de ongesontheydt der
lucht aldaer als om andere redenen". Aan de Zeeuwsche
koortsen kon men toenmaals weinig veranderen en aan
„de andere redenen" al evenmin : Holland was nu eenmaal
een beter handelsterreni geworden dan Zeeland, vooral in
') Het oorspronkelijke stuk, 20 bladen folio perkament, is nog te
Delft aanwezig, met de zegels van de H.H. Edward Bennet
(Courtm. te Londen), W™. Wight, Sam. Aldersey en Joseph
A V e r i e.
76
1621, toen de oorlog weer begon en Zeeland veel meer
bedreigde dan vóór het Bestand ').
Een troost mocht Middelburg vinden in de West-Indische
Compagnie, die hare Kamer aldaar vestigde in hetzelfde
gebouw, dat pas door de Engelschen verlaten was. (Dat
de nieuwe instelling echter niet opwoog tegen de oude, is
misschien op te maken uit het feit, dat een deel van 't
gebouw in 1636 ingericht werd voor Bank van Leening) ^).
Delft kreeg geen afdeeling van de West-Indische Com-
pagnie, maar mocht zich in plaats daarvan verheugen met
de Engelsche Court. We mogen echter wel dadelijk opmerken,
dat deze factorij te Delft nooit de algemeene en eenige
court der Adventurers op 't vasteland geweest is, zooals
Middelburg die in het begin der eeuw had gehad. Immers,
de Court te Hamburg bleef voortbestaan. Het is zelfs zeer
waarschijnlijk, dat Delft niet eens de Hoofdcourt heeft
gehad, want, niettegenstaande den 30-jarigen oorlog, was
toenmaals het Elbe-gebied nog veel rustiger dan het Kijn-
gebied, en Hamburg kon meer voorrechten en meer vertier
aanbieden dan Delft. Misschien is reeds in 1617 bij de
wedergave van het charter, de hoofdzetel der Adventurers
te Hamburg gevestigd ''). Of daar evenwel ook de voor-
naamste stapel gebleven is, toen Rotterdam de andere Court
') Misschien beeft ook het verdwijnen der Engelsche bezetting uit
VUssingen, na den afkoop der pandsteden in 1614, Middelburg minder
aantrekkelijk gemaakt voor de M. A.
") Zie ,,Tegenw. Staat van Zeeland", blz. 175.
^) In een request, vanuit Delft aan de St. van Holland gericht in
1621, zeggen de M. A. zelf, dat ze reeds in Middelburg slechts het
minste deel van hun handel gedreven hebben, „synde het meeste
gegaan naar Hamborch". Dit doelt dan zeker alleen op de laatste
jaren te Middelburg.
Lingelbach „Am. Hist. K-eview", Jan. 1904, p. 274, beweert kortweg,
dat vanaf 1621 de Hoofdcourt te Hamburg was gevestigd, maar hij
heeft van de geschiedenis der M. A. in de Nederlanden weinig kennis
genomen.
77
had (vanaf 1635) is een andere vraag ; immers toen was
de 30-jarige oorlog eene phase ingetreden, waarin de
handel vanuit Hamburg bijna onmogelyk werd.
De overeenkomst, door Delft gesloten, was in hoofdzaak
gelijk aan die van Middelburg en bevatte dus de gewone
verlangens van de Merchant Adventurers. Maar de uit-
voering ervan ging hier natuurlijk niet zoo gemakkelijk
en het duurde zelfs nog meer dan twee maanden, voordat
de Court mocht geopend worden en hare toondagen en
handel mocht beginnen. Immers, men was nu in Holland
aangeland, waar de eigen lakenindustrie een geheel andere
beteekenis had dan in Zeeland, waar ook de lakenhaudel
buiten de Merchant Adventurers heel wat meer omvang
bezat. En Delft had in de Staten van Holland eene positie,
die in de verste verte niet te vergelijken was met die van
Middelburg in de Zeeuwsche Staten.
Terwijl de provinciale regeering van Zeeland in 1598
zelf alle moeite had gedaan, om Middelburg de groote Court
te bezorgen en bij voorbaat genoegen had genomen met
alwat in billijkheid mocht worden overeengekomen '), namen
de Staten van Holland al dadelijk een wantrouwende houding
aan en stelden zich in postuur om het Delftsche „concordaat"
te beknibbelen.
De Merchant Adventurers hadden natuurlijk wel voorzien,
dat er bezwaren zouden zijn en waren daarom reeds begin
Maart 1621 op audiëntie gegaan bij den raadpensionaris
Anthonis Duyck, den opvolger van Oldenbarneveldt '"). De
gezant Carleton had voor hen het woord gedaan en was
vergezeld geweest van afgevaardigden uit alle toenmalige
verblijven der Fellowsliip : 1 uit Middelburg, 1 uit Hamburg,
2 uit Engeland.
') Notulen en Resolutiën vaii Zeeland, 9 Jan. 1598.
*) Zie Blok „Gesch. v./h. Ned. volk" IV, blz. 210. Duyck was pas
21 Jan. 1621 in dienst gekomen.
78
Carleton had de toestemming van den koning van Engeland
vertoond, voor de verhuizing uit Middelburg met zijne
,ongesontheyt der lucht", mits dat de Court zou blijven
binnen de Vereenigde Provinciën en speciaal zou gevestigd
worden binnen Holland, „om te betoonen zijner Majesteyt
goede aftectie tot die Provincie".
Vervolgens had de gezant voor de Adventurers gevraagd,
dat de Staten van Holland zouden beloven ,het genot van
de vrydommen en privilegiën henluyden (den M. A.) voortijds
(d. i. in 1587, 1598 en 1599) door de Staten-Generaal
ghegeven " ,
Duyck had hun verzoek in de vergadering van Holland
gebracht den 9en Maart, maar er was voorloopig geen besluit
op genomen '), Zelfs waren de Staten op reces gegaan tegen
Paschen, zonder een bepaald antwoord gegeven te hebben.
Toen ze weer bijeenkwamen, den 20en April, was het
concordaat met Delft reeds goed en wel gesloten ; de afge-
vaardigden van deze stad hadden namelijk uit de Staten den
indruk meegebracht, dat het maar 't beste zou zijn, de
regeering van Holland te stellen voor een voldongen feit. ')
Maar de tegenstanders hadden ook niet stil gezeten. Amster-
dam met zyne Entreloopers, Rotterdam met zijne bedrogen
verwachtingen, de provincie Zeeland met haar spijt over
het verloren geluk hadden gezorgd, dat de noodige protesten
den 2()en April in de vergaderzaal van Holland op tafel
lagen. De scherpste , Remonstrantie" was die der „grossyers
van de wolle Laeckenen uit Amsterdam en andere steden ^),
waarin o. a. beweerd werd, dat de komst der Merchant
Adventurers in Holland zou strekken tot bederf en ruïne
van vele Ingezetenen", en dat men hier zelf het Trojaansche
paard binnenhaalde. De geheel e geschiedenis der Fellowship
') Resolutiën van Holland en W.-Frieal. 9 Jan. 1621.
«) id. 20 April— 8 Mei 1621.
^) Deze werd tevens gezonden aan de Staten-Generaal.
79
werd erbij opgehaald, natuurlijk bezien door den bril der
concurrenten. De Merchant Aventurers — zoo werd o. a.
beweerd — waren oorspronkelijk bestemd geweest, alleen
ora wol uit te voeren, en daardoor hadden ze zich verdien-
stelijk gemaakt, maar ze waren geheel van hun programma
afgeweken, en manufacturen gaan uitvoeren, eerst ruwe en
ongeverfde, maar later — toen de Engelsche industrie meer
vooruitging (door de overkomst van Nederlanders),
fijnere en afgewerkte tot zelfs puike lakens toe. Ze hadden
daardoor de industrie en dên handel in de buurt van hunne
stapelplaatsen vernietigd en waren dan telkens weer ver-
trokken, hunne vorige woonplaats in armoede achterlatend.
Immers, de Nederlaudsche grossier kon tegen hen niet con-
curreeren wegens hunne vrijdommen van rechten en de
kleinhandelaar nog veel minder, want de Merchant Adven-
turers hadden wel overal beloofd, alleen in 't groot te ver-
koopen, maar ze hadden altijd die belofte geschonden.
Eindelijk — en dit is teekenend voor de toenmalige
handelsbetrekkingen van Engelschen en Nederlanders —
eindelijk werd nog betoogd dat de gevaarlijkheid der Mer-
chant Adventurers overal gebleken was, b.v. in Danswyck
(Danzig), Polen, Moscoviën, Oost-Indiën, Cyprus, Oandia
en Syria.
Na lezing en bespreking van dit stuk, met vermelding
van „Zeeland's klachten", besloten de Staten van Holland
bij meerderheid, dat ze de octrooien der Merchant Adven-
turers wilden onderzoeken, om te zien, of die lieden mochten
gaan, waar ze wilden en of die van Delft ,dus (d. i. op
de wijze als in hun concordaat) met hen hadden mogen
handelen of niet". Hiervoor werd eene commissie benoemd,
met de opdracht spoedig rapport uit te brengen. Intusschen
werd door de Merchant Adventurers en allen die hen helpen
wilden, alles in 't werk gesteld, om den indruk van de ge-
melde verzoekschriften te verzwakken. Men wist zelfs gedaan
te krijgen, dat een gTOot getal andere lakenkoopers, van
80
Leiden, Haarlem, Hoorn, Delft, Medemblik Enkhuizen
en Edam een tegenvertoog aan de Staten zonden tegen de
grossiers van Amsterdam, enz. Daarin werd gezegd, dat deze
laatsten „alleen op haer eygen ende nyet op tgemeen proffijt
letten, en alleen imaginaire, opgeraepte ende ongerijmde
beuzelingen " te berde gebracht hadden ').
De Merchant Adventurers zelf (,de Court") richtten zich
niet tot de Staten van Holland, maar tot de Hoog Mogende
Heeren Staten-Generaal, die immers hunne beschermers
waren sedert 1598 en die ook, volgens de Utrechtsche
Unie, eigenlijk de buitenlandsche zaken te behandelen hadden.
Hun vertoog is zoo bijzonder merkwaardig, èn om den stijl
èn om den inhoud, dat we niet kunnen nalaten eenigszins
uitvoerig erbij stil te staan ^). Vooral is het de moeite
waard te zien, hoe zij weten te speculeeren op gevoelig-
heden en hartstochten der Hollanders van die dagen.
Ze betitelen dadelijk de pogingen van de Amsterdamsche
grossiers c. s. als „practycque van den Satan", die alleen
kon dienen om , sterke factieu ende vreerade opinien te
wege te brengen onder de ignorante gemeynte", een ge-
vaarlek werk, waarvan men „de experientie had
o. a. door de Arminiaansche factie". Hun
„lichtveerdig schrijven tegen de societeyt van de koopluyden
Avonturiers van Engeland" bevatte „niet anders als rotte
calumnien". Hunne bewering, dat de Court van „dangereuse
consequentie" was, had nog niemand ooit tevoren gehoord.
Wel was het algemeen bekend, dat de Court nooit (!)
gevraagd had ora toelating, maar dat ze altyd zelf was
aangezocht door „Princen ende gemeynten van diversche
landen en dat hun vertreck (vooral) seer beclaecht was".
Zoo was het geweest al den tijd van haar bestaan, ,all
») Soutendam, blz. 23.
^) Soutendam, Bijlage IIT. Dit is'eigenlijk eene breedere uitwerking
van het request, als pamflet verspreid in de steden van Holland.
81
boven de dryhondert jaer". De Staten-Generaal zelf hadden
immers ook „de prooffiten ende beneficien" erkend. Was
het nu geen ,impudentie van dese luiden, de Actiën van
hare Magistraten in quaestie te trekken ?"
Dat de Merchant Adventurers oorspronkelijk ten doel
hadden gehad, wol uit te voeren, was een grove onwaar-
heid ; ze hadden vanaf het eerste begin te Brugge, altijd
laken, karsaai en andere manufacturen in
de Nederlanden gebracht, en hierop waren hunne vrijbrieven
steeds gefundeerd ; het was hun zelfs nooit geoorloofd
geweest „eenige woll uyt hun lant te transporteren" ^).
Dat men in Engeland de kunst van lakenweven geleerd
had van Nederlanders, van Vlamingen, was waar, maar de
„const van diversche andere manufacturen" was er eveneens
door Nederlanders ingebracht en werd er nu nog door
Nederlandsche onderdanen uitgeoefend, tot schade van de
Merchant Adventurers. En buitendien, waarom waren die
Vlamingen in Engeland gekomen ? Om hun eigen land te
berooven van zijn grooten schat? Neen, zij waren uitge-
dreven en in Engeland goed ontvangen. Dus — eigen schuld
van de Nederlanders.
De gi*ossiers hadden ook durven zeggen, dat de Merchant
Adventurers op alle plekken, waar ze gekomen waren, de
welvaart hadden uitgezogen en dan waren weggegaan, omdat
er niets meer te halen was. Dit was alweer een schandelijke
leugen.
En dan vertellen deze requestranten hun eigen geschie-
denis op h u n n e manier. Hun Fellowship is eerst getrokken
van Brugge naar Middelburg. Waarom ? Enkel om de hoo-
vaardij der Bruggelingen, die rijk waren geworden alleen door
') Dit is — zoover wij konden nagaan — de waarheid; de Fellowship
heeft, zoover bekend, geen wolhandel gedreven ; hare stapel-artikelen
waren laken, karsaai en baai en onder de 'overige handelswai-en
wordt wol nooit genoemd.
82
de Engelscbe kooplieden, de „eenighe auteurs vau hare wel-
vaert ende prosperiteit" ^). (In 't voorbijgaan wordt hier ge-
waarschuwd: ,wij bidden oitmoedelijck, dat de hoovaerdije
van deze grossiers (in Holland) oock niet sulcke ghevolgen
moghe hebben", b.v. vertrek van de Merchant Adventurers of
wel questies tusschen Engeland en deze landen als in 1563.)
In Middelburg is de Fellowship toen (in de 15e eeuw)
maar kort geweest ; ze is spoedig vertrokken wegens
dezelfde inconvenienten, die haar nu weer tot vertrek
dwingen. Toen is ze gegaan naar Antwerpen, waar ze
meer privilegiën genoot dan te Middelburg en toch de
provincie Brabant niet verarmd heeft; integendeel, ze heeft
Antwerpen gevonden als ,een arme Visschersstadt, meest
vol ambachtslieden, visschers ende lantluiden", en het is
„principalijck door de Merchant Adventurers geworden tot
een wonder ende admiratie van alle de werelt. Door hen
kwam in de koffers van Caerle de Vijfde ende Philips II
jaerlycx meer gelts dan gebracht wert vuyt hun gouden
Indien", zoo voegden ze hieraan toe, als eene variante op
een bekend gezegde.
En waarom zijn ze nu uit Antwerpen weggegaan en
eenige jaren later te Middelburg gekomen ? Ha, zijn het
Nederlanders, die dit vragen ? Enkel en alleen om de
tyrannie der Spaansche bestuurders en hunne insolentiën
tegen de Koningin van Engeland ^). Toen Elizabeth de
Vereenigde Nederlanden ging beschermen, heeft de Span-
jaard de Adventurers overal vervolgd en verjaagd, waar
hij kon. eerst uit Emden in Oost-Friesland (door den
') Dus de verzanding van 't Zwin en de mededinging van Antwerpen
tellen voor deze geschiedschrijvers niet mee.
*) We weten, dat Filips IT al bijzonder toeschietelijk geweest was
in zijne onderhandelingen met Engeland over den handel (zie Brug-
mans ,Eng. en de Nederl. in de eerste jaren van Elizabeth's regeering, "
passim).
83
oorlog), toen uit Stade in Duitschland door den Keizer op
te stoken, hen uit te bannen ^).
De Merchant Adventurers hebben dus eenigszins de
„afflictiën" der Nederlanders gedeeld, „dwelk hun des te
meer respect toeeygent" (!).
Ze zijn dan naar Middelburg gegaan en daar vele jaren
gebleven. Ofschoon ze niet eens den geheelen handel daar
gedreven hebben, maar slechts het minste deel daarvan,
„synde het meeste gegaen op Hamborch in Duitslant, alwaer
sy nu oock hare residentie houden", heeft Middelburg
hen toch zeer vriendelijk behandeld. En zij hebben zich
aldaar ook zoo goed gedragen, dat de regeering van
Middelburg hen gaarne wilde houden. Maar ze zijn nu
toch weggegaan, en waarom? — Hier staat de lezer stil. —
Niet om de „ongesontheyt der lucht", zooals men aan de
Staten van Holland had willen wijs maken, maar — „wegens
de malitieuse combinatiën van voorsz. grossiers" (en eenige
andere inconvenienten). Die „combinatiën" hebben vooral
bestaan ten opzichte van het maken van den tarra, waarbij
vele lakens, die goed waren, zijn afgekeurd. Ook hadden
de grossiers de Engelschen beschuldigd, dat zij zulke hooge
prijzen maakten, een aanklacht, die hier teruggeworpen
werd : „juist de grossiers maakten het goed duur en werden
in korten tijd rijk." (Deze laatste verwijtingen lijken ons
onder concurrenten al bijzonder vreemd.)
De bewering, dat de Fellowship de bewerkster zou geweest
zijn van den inbreng van geverwde en bereide
lakens in Nederland, brengt de requestranten bijna tot
tranen. Hebben de Merchant Adventurers niet juist altijd
zich verzet tegen het verwen en bereiden en zich daardoor
zelfs de ongenade des Konings op den hals gehaald ?
Hunne vrijbrieven zijn immers ingetrokken geweest, en eene
') 't Is bekend, dat niet de koning van Spanje, maar Lubeck en
zijne Hansa-vrienden den Keizer vooral hiertoe gebracht hebben.
84
nieuwe compagnie is opgericht expres voor dit nieuwe
werk. Toen deze na 2 jaren , schandelijck gedissolveert"
werd, hebben de Adventurers hun charters weer gekregen
en sinds dien voeren ze nog steeds hunne witte lakens in *).
Nog had men hun durven ver wij ben, dat ze klei n-
handel dreven, dat ze als kramers door 't land trokken !
Dat wist men toch wel beter ; daarvoor stonden ze te
hoog; zi] hielden zich aan de „merctsteden van hare
residentie" en ze waren blij, dat ze met groote moeite
van de Staten-Generaal een plakkaat tegen „de Interlopers
ende wanderende cooplioden" verkregen hadden in 1599
en wederom in 1617 ').
Eindelijk de klacht over het ontrooven van den handel
aan de Nederlanders in de Oostzee en de Middellandsche
Zee. Die was nu ronduit belachelijk, 't Omgekeerde was
waar. Voor minder dan honderd jaar waren er te Londen
niet meer dan 16 tot 18 Nederlandsche kooplui en daar-
onder geen zes van eenig crediet of achting. Hun invoer
bestond alleen in steenen potten (van Keulen waarschjinlijk),
borstels, poppen en „kinderdinghen ende sulcke andere
cramerij", mitsgaders soms wat visch en lijnwaad. De handel
in Duitsche en Italiaansche waren was toen in handen van
de Merchant Adventurers en de Duitschers en Italianen,
met hun „fameuse compagniën." En nu? — Nu wandelen
te Londen en elders vele groote en rijke Nederlandsche
kooplieden, die „hebben vuytgepickt bij naar alle andere
vreemde cooplieden" en die grooten in- en uitvoer hebben,
zoodat maar een cleyn deel of rest overgebleven is voor
de cooplieden Adventuriers om hen te geneeren ! De Neder-
1} Dit is naar de letter waar: de M. A. voerden witte lakens in,
maar toch niet alleen: de gekleurde (niet-zwarte) en in de wol ge-
verfde brachten zij ook mee, zooals we gezien hebben.
-j Dit laatste was ook de waarheid; in 1617, dadelijk na de weder-
oprichting der Fellowship met het nieuwe octrooi van Jacobus I,
hadden de St.-Gen. al hare vroegere plakkaten vernieuwd.
85
landsche grossiers importeeren nu in Engeland de meeste
Duitsche en Italiaansche waren '), zoodat de Adventurers
hunne gelden meest per wissel moeten remitteeren. (Dit is
weer een zeer slimme opmerking : men had zich namelijk
in de Nederlanden dikwijls beklaagd, dat de Fellows hun
ontvangen gelden niet genoeg besteedden, om inkoopen te
doen en dus over de grenzen stuurden, 't geen volgens de
mercantilistische leer van die dagen een groot kwaad geacht
werd. Hier werd nu de schuld op de Nederlanders zelf
geworpen.) Eindelijk volgde nog de apotheose. De booze gros-
siers maakten zooveel drukte, omdat ze eenvoudig alles
wilden hebben, ondankbaren, die ze waren. Ze hadden zich
in 't begin (volgens eene vleiende Bijbelsche vergelijking)
„als bevrosen serpenten soo verwermt bij den handel met
die van de Fellowship, dat, niettegenstaende de deucht hun
gedaen, sy niet en connen naerlaten haer vypersche of
addersche dispositie te laten blijcken int steecken ende
besmetten, soo veel in hen is," het crediet en de reputatie
van hare benefacteurs?
De kwaadaardige grossiers hadden durven spreken van
het Trojaansche paard, „maar indien sy ons gelycken willen
met een peert, soo sullen wij verclaren by wat peert, namelijk
een vuytge reden peert, dwelck, nadat sy 't gereden
ende langen tijd verongelijct hebben, sy nu geerne souden
binden aan een magere cribbe tot Middelborch, daer noch
hoey noch haver is, om tselve te voeden," (Hier komt eindelijk
de aap uit de mouw ; dit is zonder twijfel de ware reden
voor 't vertrek uit Middelburg, zooals wij boven zeiden).
De „vertooners" van 't request twijfelden na al 't aange-
voerde niet, of de Staten-Generaal zouden niet luisteren naar
het „adderengebroet, " de heeren grossiers.
') Ook hier hebben de Adventurers in hoofdzaak gelijk, want de
Nederlanders hebben hun handel, in de MiddeUandsche zee ten minste,
later gevestigd dan de Engelschen.
86
Of' de Staten-Geiieriial dien laatsten wensch ter harte
genomen hebben, blijkt niet en het doet ook weinig ter zake.
De Staten van Holland hebben zich in allen gevalle wèl
aan het verzoekschrift van het „adderengebroet" gestoord.
Toen de commissie, ingesteld tot onderzoek van de Delftsche
onderhandelingen met de Adventurers, haar verslag uitbracht,
verklaarde ze, nog geen goed oordeel te kunnen vellen,
daar Delft haar eerst de gesloten overeenkomst moest ver-
toonen of ten minste uittreksels daarvan, „om te mogen
weten, wat gehandelt was op den tarra, de geverfde
lakens, de verwerij, bereiderij, Interloopers, Imposten
(d. i. vrijdom van accijnzen), convoyen en licenten^).
Delft toonde zich verontwaardigd en vroeg, „of het zelf
mocht handelen of niet ; de Staten moesten toch vertrouwen,
dat een stad als Delft niet meer vrijdommen zou geven, dan
ze bij haar selven con praesteren. "
Maar , andere leden" (waaronder vooral Rotterdam) ver-
stonden, „dat in zoo hoogwichtigen saeke ende soo veel
leden betreffendt, het contract in duplo moest worden over-
gelegt, of ten minste extracten nopens de genoemde poincten."
Delft vroeg nu, wat de overigen dachten, en dezen ant-
woordden zeer vriendelijk, dat ze Delft de Court wel gunden,
maar alleen het belang der provincie voor oogen hadden.
Daarop gaf Delft wat toe : het wilde de uittreksels leveren
op de genoemde punten, maar alleen zoover ze in 't contract
voorkwamen (!). Een vreemde beperking inderdaad, maar
die begrijpelijker wordt als men de echt-sophistische toe-
voeging leest :
„Niet komen voor bepalingen over verwen, bereiden,
inbrengen van geverfde lakens, tarra of Enterloopers, —
dat eenige prejudicie dese Provincie of
de Leden van dien kan geven." — Wat de hoofdzaak
betrof, die de provincie het meest aanging — de kwestie
Resol. van Holl. en W.-Friesl., 20 April— 8 Mei 1621.
87
van convooien en imposten, daarvan kon Delft al dadelijk
wel verklaren, dat liet niets meer had toegestaan dan die
van Middelburg, en dat men in 't geheel niet bang behoefde
te wezen, dat de provincie aan de verpachte middelen te
kort zou komen '). Meer kon men toch niet verlangen.
Maar de Staten verlangden wèl meer.
Ze vonden de zaak zelfs gewichtig genoeg, om eerst nog
eens ruggespraak te houden met hunne lastgevers en —
intusschen de Merchant Adventurers aan te schrijven, dat
ze voorloopig niet mochten doorgaan met het overbrengen
der Court naar Delft.
Twee en een halve week bleven de heeren van de Staten
weg en ze maakten van dien tijd gebruik, om de overeen-
komst met Middelburg eens na te zien. Daarin vonden
vooral de Rotterdammers ') en Amsterdammers veel te veel
voorrechten „omtrent tollen, convoyen, imposten, waaggeld,
die alle den Lande aengingen" en buitendien „nog vele
andere rakende de particuliere neringhen'', zoodat ze met
het aanbod van Delft geen genoegen konden nemen, maar
kortweg eischten, dat het „concordaat" zou vertoond worden,
zoodat de Staten dan een „goed reglement" konden maken,
om de wilde sprongen van Delft in te toomen. Intusschen
moesten dan de lakens, die de Merchant Adventurers (tegen
't verbod) reeds hadden laten komen, te Delfshaven niet
ontladen worden dan met voorkennis van den commies
der convooien en van den belastingpachter, opdat men even-
tueel de invoerrechten en accijnzen nog zou kunnen invorde-
ren ^).
Over deze eischen maakte Delft zoo'n groot misbaar.
') Hier werd gedoeld op de provinciale accijnzen, b.v. op wijn en
bier, brandstof en brood, waarvan de Merchant Adventurers altijd
vrijdom verlangden, dien Delft natuurlijk niet op eigen verantwoor-
ding mocht schenken.
") Rotterd. vroedschapsresolutie van 21 Mei 1621.
= ) Resol. van Holland 25 Mei-'26 Juni 1621.
88
diit het in de Staten tot een verwoed krakeel kwam, totdat
eindelijk de edelen, die in dezen onpartijdig waren, een
vredesvoorstel deden. „Er diende gelet, in wat voegen bij
de Heeren van Delf aen de andere leden kon worden
gedaen contentement, om eenigheyt ende vertrouwen onder
nialkanderen te behouden." Het eind was, dat een midden-
weg werd gevonden. Delft zou [de keuze hebben, om of
het concordaat te vertoonen in de Staten, of wel het te
stellen in handen van Prins Maurits en eenige onpartijdige
leden, die de punten van algemeen belang er uit zouden
zoeken en deze dan overleggen aan de vergadering der
Staten. Na onderzoek dier hoofdpunten zou men het boven-
bedoelde „goede Reglement tot conservatie van de gemeene
Neeringen" maken.
Delft moest hierin nu wel toegeven, maar kon niet
nalaten, de zeer ware en zeer snedige opmerking te maken,
dat eenige leden, die nu zulke bezwaren hadden tegen de
inlating van de Court in Holland, dit hadden moeten open-
baren op de eerste mededeeling van den Raadpensionaris.
(Ja maar — zullen die van Rotterdam gedacht hebben,
toen wisten we niet, dat Delft de Court zou krijgen ^).
Intusschen- hadden de Merchant Adventurers met hunne
gewone voortvarendheid al maar vast een toondag uitge-
schreven tegen 15 Juni, 't geen de booze grossiers aan-
leiding gaf tot een nieuw vertoog aan de Staten van
Holland. Natuurlijk moest Delft nu zorgen, dat die toondag
uitgesteld werd (tot 21 Juni), ofschoon het zijne overtuiging
uitsprak, dat hij „anders de verwerije, bereijderije en andere
Neeringen geen prejuditie kon doen".
Prins Maurits nam met zijne commissie van onpartijdige
leden het „concordaat" spoedig ter hand en — ofschoon
het werk hem nog al ongewoon moet gevallen zijn —
M Rotterd, vroedschapsresolutiën van 7 Juni 1621 (mededeelingen
van de afgevaardigden, die naar de Staten geweest zijn.)
89
was hij er weldra mee klaar. De uittreksels kwamen in
bij de Staten en eene commissie werd benoemd, om ze te
onderzoeken, tevens de „dolerende Laeckenkopers" te liooren
en het „goede reglement" in ontwerp op te maken. Leden
der commissie waren : de Heer van Sommelsdijk (de bekende
FranQois van Aerssen) en de steden Dordrecht, Haarlem,
Delft, Leiden, A m s t e r d a m, Gouda, Rotterdam,
Alkmaar, Hoorn en Enkhuizen (de tien lakensteden).
Leden genoeg, om langzaam te werken ! Toch waren ze,
gedreven door Delft, dat natuurlijk haast had, reeds den
19en Juni klaar, waarop hun ontwerp-reglement dadelijk
door de Staten werd aangenomen.
Dit Reglement van 19 Juni 1621 is de provin-
ciale grondwet geweest voor de Adventurers gedurende hun
verblyf in Holland en verdient daarom nadere aandacht,
vooral als tegenhanger (nog liever tegenstelling) van hunne
algemeene grondwet, het octrooi van 1598 en '99.
Het eerste artikel gaf aan de Fellowship verlof,
eene court te Delft te vestigen ('t geen al lang gebeurd
was), maar alleen op de octrooien, „die w ij (de Staten van
Holland) ende de Hoogli Mogende Heeren Staten-Generaal
sullen goetvinden te accorderen, op vertrouwen dat
de Nederlanders o o c k hunne oude v o o r-
deelen enz. in Engeland sullen genieten".
Deze laatste toevoeging maakte natuurlijk al die octrooien zeer
wankel, want in Engeland waren immers de oude voordeelen
van den Magnus Intercursus al zoo lang verwaarloosd.
Artikel 2 herinnerde de Adventurers nog wat duide-
lijker, dat ze in de macht der Staten bleven : ze zouden
, onderworpen sijn aen al onse plakkaten enz., gemaeckt of
noch te m a e c k e n " .
Artikel 3 bepaalde, dat de Adventurers den pas inge-
voerden accyns of impost op de vreemde wollen lakenen
promptelijk moesten betalen. Ze moesten „de laeckenen
vóór 't opdoen (d. i. vóór ze verder afgewerkt werden)
90
aangeven in quantiteit en qualiteit", en ze laten looden door
den pachter van den accijns, die er pas bij den verkoop
zijne loodjes weer zou komen afnemen.
Artikel 4 vermaande sclierpelijk tot nakoming van het
plakkaat op het inbrengen van vreemde geverfde en bereide
lakens (van 1614) en van het gehate plakkaat op den tarra,
dat in 1616 en 1617 nog eens vernieuwd en uitgebreid was.
Artikel 5 verbood aan de Adventurers, zelf hunne
lakens te verven of anders af te werken, of wel dit door
een ander voor hunne rekening te laten doen. Degene, die
verdacht werd, op deze wijze als onderkruiper der Hollandsche
ververs en bereiders op te treden, kon op den eed gevor-
derd worden. (Weer een bewijs, hoe roekeloos men toen-
maals met eeden omsprong.)
Artikel 6 werkte het verbod van den detailverkoop
wat nauwkeuriger uit, zonder zich te storen aan de groote
woorden, waarmee de Adventurers hun afkeer van dat
bedrijf hadden te kennen gegeven. Van gewone lakens
mochten alleen h e e 1 e stukken (van 28 of 32 yards)
worden ingevoerd en verkocht, van pakgoederen niet minder
dan een half pak. (Intusschen waren er reeds halve lakens
te Delft aangekomen, een bewijs, dat de Court eene andere
opvatting van groothandel had dan de Staten ; voor deze
reeds aanvrezige stukken werd, bij wijze van gunst, verlof
tot verkoop gegeven.)
Artikel 7 eindelijk verlangde, dat geen laken uit de
stapelstad zou verzonden worden, voordat het „finalyk"
verkocht was (zeker voor de controle) en dat de Adven-
turers geen tweede stapelplaats binnen de Vereenigde
Nederlanden zouden mogen kiezen. (Dit laatste voorschrift,
dat zeker vrees verraadt voor een gedeeltelyken terugtocht
naar Zeeland, zal wel het eenige geweest zijn, waar Delft
van ganscher harte mee instemde) ')•
Zie bet geheele Reglement in de Res. van Holland van 19 Juni 1621.
91
De voorschriften van het hier beschreven reglement waren
zeker in vele opzichten lastig genoeg en 't is geen wonder,
dat de Merchant Adventurers te Delft ze in hunne gewone
scherpe taal „voorbeeldeloos hard" noemden. Maar de inhoud
was toch nog lang niet zoo, als b.v. Rotterdam gewenscht
had, 't geen wel de moeite waard is, om nog even aan te
toonen, omdat die stad zelf later de Engelsche Court heeft
gekregen en toen heel andere meeningen verkondigde.
In hunne vroedschapszitting van 7 Juni 1621 dan hadden
de Heeren van Rotterdam aan hunne afgevaardigden ter
Statenvergadering een lijstje in handen gegeven, om daarmee
den ouden concurrent Delft op te frisschen. Behalve de
punten omtrent de geverfde lakens, de tarra en het bereiden
van lakens, die aangenomen zijn en in 't reglement voor-
komen, verlangde Rotterdam :
ten Ie, dat de Court maar voor 1 jaar zou worden
toegestaan, om middelerwijl te bewerken dat de Hollanders
weer in Engeland werden behandeld naar de entrecoursen
(handelsverdragen) uit de dagen van Elizabeth, in 't bijzonder,
dat de spelden weer op 2| stuiver in plaats van 9 stuiver
het dozijn bij den invoer zouden gesteld worden ') ;
ten 26, dat „een generaal gilde over alle de geünieerde
Provintien van die van de Laakenneeringe zal werden
opgerigt ende dat de Engelse aan Niemandt als die van
't selve gilde sullen mogen verkoopen. Ende dat voort
Inkoomen int selve Gilde ten Proffyte van de Generaliteit
drie gulden off in den Eynde een zekere somme jaar-
lijks bij de Gildebroeders soude werden betaelt, mits dat
daermeede de verhooginghe op de Laackenen onlangs ge-
consenteert, soude koomen te cesseeren."
') Rotterdam bezat toenmaals heelwat speldenindustrie; er bestond
sedert 1594 een belangrijk speldenmakersgilde, (zie de keur daarvan
in een der keurboeken). De verhooging van 't invoerrecht was zeker
een van de middelen om de Engelsche metaal-industrie op de been
te helpen.
92
Dit laatste punt is bijzonder slim bedacht, om verschillende
vliegen in één klap te slaan. Het „generale gilde" zou
natuurlijk den kleinhandel voor de Engelschen geheel
onmogelijk maken, maar 't zou ook den Nederlandschen
lakenhandel in staat stellen, op zijne beurt als trust of'
syndicaat op te treden, zooals de Merchant Adven-
turers zelf deden en b,v. een stint of maximum vast te
stellen, dat men van de Court zou koopen. In allen gevalle
zou zoo'n gilde de Engelsche Fellows in hun handel eenigszins
de wet kunnen stellen ten opzichte van kwaliteit, prijzen enz.
De contributie van /' o of een andere som zou eensdeels de
macht van 't gilde versterken en anderdeels een verhooging
van accijns (en invoerrecht) doen vervallen, die Rotterdam
een doorn in "t oog was, gelijk alle belemmeringen van den
invoer in dien tijd. Daardoor zouden ook de Hollandsche
importeurs van Engelsch laken beter kunnen concurreeren
tegen de Adventurers, die immers al lang van de Staten-
Generaal vrijdom van convooi voor hunne lakens, karsaaien
en baaien hadden. De Hollandsche importeurs, maar ook
de Entrelopers, die blijkbaar te Rotterdam opgedoken waren
evengoed als te Amsterdam. Immers, achter het voorstel
van het „generale gilde" kwam nog het dreigement: „soo
men dat nyet wil aennemen, sal verclaert werden, dat
Rotterdam opentlijck de Entreloopers sal toe-
laten ende dat men de Engelse Court sgne vrijdommen
moet opseggen, dat anders Rotterdam aen de
Entreloopers deselfde vrijdommen sal geven" ').
') Het genei'ale gilde is niet aangenomen, maar, zooals bekend is,
werd 17 jaar later (1638) een soort provinciaal gilde opgericht in het
lakenvak, de „Droogscheerderssynode," eene vereeniging der laken-
bereidersgiklen van 10 steden. Rotterdam heeft daaraan meegedaan,
ofschoon het toen zelf de Engelsche Court had en de „Droogscheerders-
synode" daar ook eenigszins vijandig tegenover stond (zie Dr. Kern-
kamp „de Droogscheerderssynode" in het Feestgeschenk aan Prof.
Rogge 1901 en mijn „Textielindustrie van Oud-Rotterdam" in Rott.
Jaarboekje 1900).
93
Na de vaststelling van 't ,voorbeeldeloos harde" regle-
ment op 19 Juni 1621 wordt in de Resolutiën van Holland
voorloopig niet meer van de Com't te Delft gerept, maar
niettemin moet ze nog wel eens ter sprake zijn gekomen,
want het is zeker (uit latere verzoekschriften van de
Adventurers zelf), dat ze in Delft zeer spoedig, behalve
den vrijdom van invoerrechten op laken, saai en baai, ook
vrijstelling heeft verkregen van wijn- en bieraccijns voor
de huishoudende leden en voor het courthuis met zijne
gemeenschappelijke tafel. En in 1625 wordt gemeld, dat
de ontheffing van convooi ook verleend zal worden voor
de lakens, die binnen een jaar na den invoer weer worden
verscheept naar Engeland of naar Hamburg ').
De positie der Court mocht dus dragelijk genoemd wor-
den en de invoer van laken is vrij aanzienlijk geweest.
zoover men kan nagaan : in 1629 werd in eene memorie
der Adventurers zelf meegedeeld, dat jaarlijks ongeveer
dertig duizend stukken werden aangevoerd (dus
de helft van den invoer in de beste jaren te Middelburg,
toen dat de eenige stapelplaats was).
De regeering van Delft deed alle moeite, om haren
gasten het verblijf aangenaam te maken ; zij zorgde voor
kranen, lichters, wagens, werkvolk, enz. tegen billijke
betaling ; zij stichtte zelfs eene beurs en eene wissel-
bank '), alleen ten gerieve van de Adventurers van het
Prinsenhof. Het eerste jaar, toen die bank er nog niet
was, hadden de Engelschen gebruik gemaakt van de
Amsterdamsche wisselbank, om hunne gelden naar Engeland
over te maken. Maar den lOen Januari 1622 kwamen ze
overeen, ,de wissels in Delft te maacken". Ze hielden dit
evenwel niet vol, daar de Delftsche bank lang niet de
'j Zie Sou t endara, blz. 26.
") Zie van Blej'^swyk „Beschrijv. van Delft," blz. 552 en 665;
beurs en wisselbank zijn van korten duur geweest.
94
soliditeit en den grooten naam van de Amsterdamsche
verkreeg, en dit gaf aanleiding tot verscheidene moeilijk-
heden, die zich later te Rotterdam herhaalden en daar
nader beschreven zullen worden.
Nog eene tweede dergelijke belofte deden de Adventurers
in 1622, namelijk „de retourwaaren niet meer in Amsterdam
te zoeken, soodra Delft suffizantelick sou zijn gefurneert
in voldoende quantiteit, keuze en soo goede coop als tot
Amsterdam". Deze laatste voorwaarde is evenwel nooit naar
genoegen vervuld, en dit lieeft Delft het geheele genot
van de Court bedorven. Reeds in 1623 toonden de Adven-
turers weer den ouden lust, om te vertrekken, en toen het
in 1635 eindelijk daartoe kwam, was het „omdat er te
Delft gebreck was aen sekere waeren, die sij voor hunne
retourvrachten behoefden" ').
Zoodra de Rotterdammers er de lucht van kregen, dat
de Court uit Delft weg wilde, staken ze onmiddellijk weer
de voelhorens uit. Begin September 1623 hadden de burge-
meester Nobel en de secretaris Sraoutius in den Haag reeds
een onderhoud met den Delftschen „Courtmeester", en dadelijk
daarna trokken ze zelfs naar Delft en werden er in de
vergadering der Court toegelaten. Den 13en September
waren ze terug te Rotterdam en deelden hunne bevindingen
mede in de vroedschap. Zoo bijzonder mooi stonden de
kansen nog niet ; het was wel zeker, dat de Engelschen
uit Delft weg wilden, maar tegen Rotterdam bestonden
niet minder dan acht bezwaren').
Het eerste was „de swarigheyt van de A r m i n i a n e n",
waarvan boven gesproken is. Ze wordt niet nader aan-
geduid, maar is toch gemakkelijk na te gaan. Rotterdam
was nog steeds in onrust, daar de Remonstranten er
„geheyme conventikelen " bleven houden, begunstigd door
') Zie Soutendam, blz. 26.
^) Zie Rottercl. vroedscbapsresolutiën, 15 Sept. 1628.
95
sommige regeeringspersonen, maar steeds zooveel mogelijk
gestoord en belemmerd door den vervolgzieken schout
Dullaert '). Juist nu, na den treurigen aanslag op Maurits'
leven, was deze ketterjager weer drukker in de weer,
hetgeen telkens tot tumulten en beroeringen aanleiding gaf.
Misschien dachten de Adventurers, dat Rotterdam hierom
bij de Staten niet veel gedaan zou kunnen krijgen, dat er
in 't bijzonder geen verlof zou te bekomen zijn voor een
Anglikaanschen kerkdienst, waardoor de Arminianeu over-
moediger konden worden. Immers, de Engelsche dienst week
meer af van de Nederduitsch-Gereformeerde Kerk dan de
Remonstrantsche,
In de tweede plaats was er eene „swarigheyt" over de
garnizoenen. Dit stond voor een deel in verband met
het vorige punt : wegens de pas genoemde beroeringen had
Rotterdam een garnizoen gekregen, maar buitendien was er,
wegens de tamelijk open ligging der stad, vrij dicht bij het
oorlogsterrein, ook meer kans op geregelde inkwartiering
dan in Delft en andere steden '), en de Adventurers vreesden
blijkbaar dat ze dan niet vrij zouden kunnen blijven, zooals
zij gewoon waren, vooral omdat er wel eens licht Engelsche
of Schotsche troepen konden ingelegerd worden.
In de derde plaats werd de twijfelende vraag gesteld of
de stad kon bewerken, dat de tarra alleen daar zou worden
„gemaekt." Delft had dit niet kunnen gedaan krijgen, zoodat,
gelijk we zagen, de Adventurers dikwijls hun goed moesten
*) Zie Van Rej'n „Geschiedk. beschrijving van Rotterdam" I, blz. 365.
^) Deze meer gevaarlijke ligging is voor Rotterdam eene belem-
mering geweest de geheele 17e eeuw door en is een factor, die tot
dusver te weinig in rekening is gebracht, b.v. bij vergelijking tusschen
Amsterdam en Rotterdam in dien tijd. Het grootendeels wegvallen
van dien factor is zeer zeker een van de oorzaken, waardoor de
Rotterdamsche haven tegenwoordig die van Amsterdam zoozeer over-
treft. Het heeft trouwens overal meegemerkt tot belangrijke veran-
deringen in het zeeverkeer.
96
verzenden ongekeurd en dus in onzekerheid, of de verkoop
wel geldig was. Dit was een van de redenen, om uit Delft
te vertrekken ; geen wonder, dat men onderzocht, of het in
een andere plaats beter zou gaan.
Daarna kwam het oude stokpaardje : zou Rotterdam kunnen
zorgen voor wering der E n t r e 1 o o p e rs '? (Art. 4).
Zou b.v. (zoo vroeg art. 5) Rotterdam een uitlegger kunnen
stationneeren bij den Briel, om de Entreloopers met geweld
den toegang tot de Maas te ontzeggen ? (Men was zeker
bang, dat deze heeren zouden gaan stuivertje wisselen met
de Court ; de Court naar Rotterdam, zij naar Delft.)
De twee laatste punten (7 en 8) waren meer voorwaarden
dan bezwaren en hadden weinig om 't lijf. Het eene betrof
het „bevloyen van de pakhuizen," dat wil zeggen het be-
schermen daarvan tegen de hoog e vloeden, 't geen te Rotter-
dam toenmaals nog veel meer noodig was dan in onze dagen.
Het andere was, dat de Burgemeesters van Rotterdam een brief
zouden schrijven naar Londen aan den principalen Court" ').
Tot dit laatste was men natuurlijk gaarne bereid en wel
tot veel meer. Met haar gewonen ijver voor deze zaken
zond de regeering van Rotterdam in October de burge-
meesters Nobel en van Berckel naar Londen met de opdracht,
dat ze niet alleen het hoofdbestuur der Fellowship te Londen
zouden bezoeken en spreken, maar ook — vier- tot zes-
duizend gulden mochten beloven, als 't noodig was.
Men had namelijk gehoord, dat de secretaris van Middelburg
ook reeds te Londen was, om te zien, of hij de Court van
Delft weer naar zijne stad kon lokken.
*) Hier blijkt we^r onbetwistbaar, dat het hoofdbestuur niet ge-
vestigd was op 't vasteland, zooals Lingelbach beweert, ook niet in
1623, een tijd, toen men toch een hoofdstapel te Hamburg en een
kleineren stapel te Delft had. In alle onderhandelingen met Delft,
Rotterd. en Dordt komt slechts eenmaal, zoover mij bekend, een lid
van het courtbestuur te Hamburg voor en dan nog maar bij toeval,
nl. omdat h ij op weg is naar Londen.
97
Toen de Rotterdammers terugkwamen, konden ze berichten
dat Middelburg bot had gevangen, maar Rotterdam kreeg
de Court evenmin ; ze bleef voorloopig te Delft (waar ze
trouwens nog verbintenis had tot 1629).
Carleton was bij deze onderhandelingen niet te hulp ge-
roepen ; de Rotterdammers hadden zeker voorloopig genoeg
van zijne mooie beloften en begrepen, dat zijn „principaal"
koning Jacobus nu, na den aanslag op 't leven van Prins
Maurits en na den „Ambonschen moord", niet beter te
spreken zou zyn dan twee jaar tevoren.
In Maart 1625 evenwel kwam Jacobus I te sterven en
nu verschijnt Carleton dadelijk weer in de Rotterdamsche
resolutieboeken. Den 14en April werd een bericht van hem
voorgelezen, dat de Merchant Adventurers nu bepaald uit
Delft wilden vertrekken. Hij schijnt dus zelf zijne diensten
weer aangeboden te hebben ') en de Rotterdamsche burge-
meesters, vergevingsgezind waar ze 't belang der stad
konden dienen, trokken onmiddellijk naar den Haag, ,om
van deselve de geleegentheyt daervan te verstaen" '). Men
achtte de kansen onder de nieuwe regeering beter, daar
Karel I, al was hij streng Protestant, toch niet de theolo-
gische waanwijsheid zijns vaders bezat en daarentegen meer
gezond verstand. Toch kwam men ook nu niet verder ;
de onderhandelingen bleven slepen en Rotterdam kon niets
doen dan steeds blijven uitkijken. Het was in deze omstandig-
heden, dat in 1628 de secretaris van de Engelsche Court
te Hamburg, Joseph Harry, op zyne reis naar Enge-
land door Rotterdam kwam, om „de gelegenheijt te zien".
') Tevoren, in 't begin des jaars, had trouwens de Courtmeester
van Delft zelf, Misselden, de Court nog eens aan Amsterdam aange-
boden, maar ten antwoord gekregen dat ze vrijelijk mochten komen,
maar geen voorwaarden hadden te stellen. Dit is de laatste poging
der Adventurers geweest om hun zetel in de machtige koopstad aan
't IJ te vestigen. (Zie Amst Vroedsch. Res., 7 Jan. 1625).
') Rott. Vroedschapsresolutiën, 1 April 1625.
7
98
Men ontving hem zeer beleefd, bood hem eenige „stadts-
kannen" ten geschenke aan en verzocht hem mee te werken,
dat de Court er kwam ').
Ook dit had nog wehiig gevolg, zoodat in 1629 eens
weer voor de zooveelste maal de oude weg werd ingeslagen ;
een burgemeester en de heer Nobel trokken nogmaals naar
het Prinsenhof te Delft ') en boden — gelijk het in den
verbloemden stijl van die dagen heet — „sooveel courtoisie
aen als deselve met reden soude mogen begeeren".
Hierna verflauwde de ijver der Rotterdammers plotseling;
in de vroedschap werd niet meer gesproken van de Merchant
Adveuturers — bijna vijf jaren lang.
Dit zwijgen had natuurlijk zijn goede redenen. De Adveu-
turers met hunne half-officiëele positie in Engeland en hier,
hadden voortdurend aan alle kanten te letten op de doornen,
die aan de rozenstruiken der octrooien en privilegiën al te
welig groeiden. Hadden ze in Nederland wat rust van wege
de autoriteiten, dan begon al gauw een of ander gehaspel
in Engeland, ten minste in dezen tyd der Stuarts. Of wel
men had last in beide landen tegelijk, zooals in de jaren
1629 en 1630. Karel I had, zooals bekend is, eerst vier
jaren lang met zijn parlement overhoop gelegen en had
het toen — in 1629 — naar huis gezonden, om absoluut
te regeeren. Dit was heel aardig en gemakkelijk voor hem,
behalve dat het groote moeite kostte aan geld te komen,
zonder dat het Lagerhuis belastingen toestond. Karel wist
zich te helpen door allerlei oude heffingen opnieuw geldig
te verklaren, alsof ze nooit gestaakt waren, waarbij de
bekende Strafford hem spoedig onwaardeerbare diensten
bewees. Het tonne- en pondgeld was een van die belastingen.
Daar het zeer drukkend was voor handel en scheepvaart,
vond het in de kringen der kooplui dadelijk groot verzet.
') Rott. Vroedschapsresolutiën, 11 Mei 1628.
^) id. 12 Nov. 1629.
99
niet het minst bij de Merchant Adventurers. Dezen besloten
zelfs bij monde van hun hoofdbestuur te Londen allen
handel te staken en gaven daarmee een der eerste
bewijzen van hoogen burgermoed ').
De trotsche Koning meende dezen tegenstand te kunnen
breken door Governor and assistants voor zijn raad te roepen :
daar kregen ze bevel, eene algemeene vergadering der Fellow-
ship te beschrijven en den koninklijken wil kenbaar te maken,
dat de Courts heropend moesten worden. De oproeping ge-
schiedde en de Adventurers kwamen in grooten getale naar
hun huis te Londen, maar zij toonden zich even beslist en
sterk als hunne overlieden : met algemeene stemmen viel
het besluit, dat de pakhuizen zouden geslo-
ten b 1 y V e n. Er is niets in de geschiedenis der Fellowship,
dat zoo duidelijk bewijst, dat zij zich niettegenstaande hare
koninklijke charters, toch beschouwde als een vrij lichaam
en niet als een werktuig der regeering.
De Koning, die van andere meening was, wilde nu de
broederschap ontbinden en vervangen door eene andere,
zooala zgn vader reeds eenmaal gedaan had. Maar h^' kwam
niet eens zoover als deze; de nieuwe Fellowship, die n.b.
uit edellieden en hovelingen bestaan zou, kwam niet tot
stand en de zaken bleven slepen, dat is : de handel bleef
stilstaan, tot groote schade van Engeland, Hamburg en Delft.
Ruim vijf jaren heeft de Fellowship ditmaal den strijd
volgehouden, afwachtend, of de Koning, evenals wijlen zijn
vader, vanzelf zijne genade weer aan zou bieden. Maar toen
Karel dat niet deed, hebben de Adventurers eindelijk het
hoofd in den schoot gelegd: ze beloofden het tonne- en
pondgeld te betalen en boden zelfs den geldgragen Koning
nog eene belangrijke som ineens, als hij hun octrooi maar
teruggaf ^).
*) Zie Lingelbach, „a brief history', blz. XXXin.
°) Zie Lingelbach, „a brief history', blz. XXXIV.
100
Den 7en December 1634 dan verscheen een gedrukt
plakkaat van Karel I '), waarbij nogmaals aan de Adven-
turers het monopolie van den uitvoer van wollen manufac-
turen verleend werd, nu echter naar een gebied, dat eenigszins
afweek van de vroegere monopoliesfeer: Noord-Frankrijk
tot aan de Somme werd er namelijk niet meer bij genoemd,
maar daarentegen aan de andere zijde alle Duitsche
havens opgenomen, zoodat Hamburg een meer cen-
trale ligging kreeg dan vroeger.
Om aan de Entreloopers, wier getal natuurlijk in dezen
tijd weer geducht toegenomen was, „het bedrijf niet geheel
onmogelijk te maken", werden de Adventurers verplicht,
alle Londensche kooplieden (geen winkeliers), die dit ver-
langden, vóór het eerstkomende feest van Johannes den
Dooper (dus vóór St. Jan 1634) op te nemen in de Fellowship
tegen betaling van 50 pond, terwijl die van buiten Londen
gelegenheid tot toetreding zouden hebben tot Sint Michiel
aanstaande, tegen een intreegeld van 25 pond, en hunne
zonen en dienaren tegen slechts 20 nobels. (Van leerjaren
was hierbij geen sprake). Na afloop dezer termijnen zou het
intreegeld verdubbeld worden. Mochten er echter Entre-
loopers zijn, die van deze schoone gelegenheid geen gebruik
wenschten te maken, maar liever bij hun oude verboden
beroep bleven, dan zouden die gestraft worden en wel door
de beruchte Sterrekamer.
Toen de Adventurers in 1634 met dit nieuwe koninklyke
octrooi hunne tweede wederopstanding beleefden, was het
niet noodig, hunne Court te Delft nieuw op te richten, want
die was blijven bestaan tijdens de jaren, dat de Fellowship
„niet bestond". Ze had ook, zooveel in haar vermogen was,
nog teekenen van leven gegeven, o. a. in 1630, toen de
Staten-Generaal (ook al geen vrienden in nood) het tarra-
plakkaat opnieuw verscherpt hadden. Het protest, dat het
') Aanwezig in 't Rott. archief, Bundel Eng. en Schotsclie Court.
101
Delftsche Courtbestuur hiertegen indiende, was zoo krachtig
en welsprekend, dat men in den besten tijd van de Fellowship
niet beter had kunnen verlangen. Al dadelijk in 't begin de
bewering, dat het plakkaat eigenlijk niet mocht gelden, daar
het zonder toestemming der Adventurers gemaakt was ! Het
streed met alle recht, niet alleen met de octrooien van 1587
en 1598, maar ook met het jus gentium en het jus Domini
in 't algemeen, wat de requestranten uit het bij hen zeer
bekende en beminde Romeinsche recht uitvoerig aantoonden.
Hierna — weer afdalende tot de droevige werkelijkheid en
den inhoud van 't plakkaat nagaande, — kwamen de ver-
toonders weer eens met kracht op tegen de keuring buiten
de plaats van verkoop. Die werd toch voor inlandsche lakens
hier ook niet gevergd. „Nergens," zoo eindigde het protest,
„hebben we zoo'n last met de tarra als hier. In Hamburg
en Emden ') verkoopen we op droge tarra ^) en toch worden
al onze lakens daar (op de plaats zelf) getard. Ja, in België
en Spanje (Uwer Hoogmogenden vijandsland) verkoopen we
zonder eenige tarra" ').
Maar de Staten- Generaal, gedreven door Holland, stoorden
zich niet aan de vertoogen der (niet-bestaande) Fellowship.
Integendeel, bij wijze van antwoord besloten ze eenige
maanden later, dat het tarra-plakkaat in al zijne gestrengheid
zou gehandhaafd worden en in alle provinciën op
eenparige n voet^).
Dit optreden der Staten-Generaal teekende meteen de
') Hieruit blijkt, dat te Einden toenmaals ook nog eene Court
bestond, ten minste dat er nog Adventurers kwamen, hetgeen nergens
anders nog gevonden is, ook niet door Lingelbach.
-) Volgens het Nederl. plakkaat moesten de lakens vóór de keuring
nat gemaakt worden (om te zien of de krimp er uit was).
') Deze plaats bewijst, dat de Court vanuit Holland ook nog waren
naar België exporteerde, natuurlijk met licent.
*) Zie het Nieuwe Plakkaat op de tarra van 25 Oct. 1618, met
de aanvullingen van 22 Mei 1617, 24 Juli 1630 en 30 Juni 1631.
Groot Plakkaatboek fol. 781.
102
politieke verhoudingen met Engeland, tlie geheel anders
waren dan in 1598 en dan in 1621. In die vroegere tijden
had men van Engeland onder Elisabeth en Jacobus I nog
wat te hopen en te vreezen gehad, nu, onder Karel I, die
zyn krachten verspilde in den strijd met het parlement,
behoefde men den Britschen leeuw niet meer te 'ontzien.
Daar echter de oude voorrechten niet officieel werden ingetrok-
ken, bleef er eene tegenstrijdigheid heerschen in de bepalingen
der Staten-Generaal, die later aan alle partijen gelegenheid
gaf, hare wapenen eruit te zoeken, zoodat hier een bron
van onophoudelijken strijd aanwezig was.
De Rotterdammers, die in 1634 aan den vooravond stonden
van den feestelijken intocht der Court ten hunnent, konden
dus een voorgevoel hebben van de moeiten, die hun met
de hooge overheden te wachten stonden.
DE INTREDE DER ADVENTUREKS TE ROTTERDAM.
De regeering van Rotterdam had zich stil gehouden,
zoolang de Adventurers in Engeland in ongenade waren,
maar zoodra er kans was op herstel, waren ook de Rotter-
dammers weer op het appel, om de Court tot zich te trekken.
Den 14en Juni 1634 reeds werd in de vroedschap mee-
gedeeld, dat de Engelschen nu bepaald van Delft afscheid
genomen hadden en „dat de koning van Engeland sou hebben
bevolen, dat de Entreloopers souden sijn geconjungeert met
de Engelsche Court". Dit was dus bijna 6 maanden voordat
Karel I zijn plakkaat van dien inhoud uitvaardigde ') ;
waarschijnlijk hebben de Rotterdamsche heeren van den
Engelschen gezant Carletou of wel van nog hooger person-
nages vernomen, dat het herstel der Fellowship op de
genoemde voorwaarde spoedig zou plaats hebben. Hun
ijver werd nu nog verdubbeld, want — zoo spraken zy
met een gloed, waarvan zelfs de dorre vroedschapsresolutiën
den weersch^'n uitstralen — nu zullen de Entreloopers, die
hier zijn, allen kunnen blijven (in de nieuwe waardigheid
van Courtleden tegen den prgs van 25 pond) en de oude
fellows komen erbij vanuit Delft, mitsgaders de Entreloopers
van Amsterdam en elders, dus Rotterdam kan alle En-
') Zie Rott. vroedschapsresol. 14 Juni 1634.
104
gelsche handelaars als broeders vereeiiigd binnen zijne
muren zien. Altijd, als het nu de Court krijgt. Komt die
echter nu niet, dan moeten we de Entreloopers ook nog
verliezen, 't Is dus er op of er onder !
Is het wonder, dat de Rotterdamsche vroedschap nu op
eens f 60000 beschikbaar stelde in plaats van de vroegere
f 6000 ? Ze richtte zich met die groote som tot het hooge
personnage, waarover straks sprake was, namelijk tot den
tresaurier-generaal van Engeland, dus eigenlijk tot den
Koning zelf. Deze was natuurlijk voor een argument van
die kracht zeer toegankelijk : reeds den 28en Augustus kon
meegedeeld worden in de vroedschap, dat Karel I zijne
toestemming had gegeven tot de verhuizing naar Rotterdam,
zoodra de Fellowship weer hersteld zou zijn. De Koning
had toen evenwel zijne f 60000 nog niet in handen, want
de Rotterdammers waren zoo voorzichtig geweest, ze alleen
te beloven tegen den tijd, dat w e r k e 1 ij k alle Entre-
loopers als Courtleden in hunne stad souden zijn.
Wat er verder nog geofferd en beloofd is bij Carleton
en de (uu rustende) autoriteiten der Fellowship zelf, wordt
niet gemeld; maar er is geen reden om aan te nemen,
dat dit minder was dan tevoren, in 1623 en '25, was
bepaald, namelijk f 6000 uiterlgk ").
In hoeverre Carleton meegewerkt heeft, is ook niet precies
na te gaan ; hij heeft dit in allen gevalle zeer geheim
gehouden, om Delft niet voor de borst te stooten. Want
Delft vertrouwde nog altijd op den man, „aen wien het
naest God de Court te dancken had".
Burgemeesteren van Delft schreven nog in 't laatst van
1634 een brief aan Carleton, om hulp tegen de booze
*) De Resolutiën van de Vroedschap in 1634 spreken er niet van
evenmin als van de ƒ 60000 (deze komen pas voor den dag in 1636,
als er kwestie over ontstaat) ; de missiven aan Burgemeesteren zeggen
ook hierover niets en de stadsrekeningen ontbreken helaas lot 1644.
105
plannen van de Adventurers, die weg wilden gaan, , omdat
ze te Delft niet de noodige retourwaren konden koopen".
Dit was geen goede reden, zoo betoogden de Burgemeesteren,
want als de Adventurers zich hielden aan hunne belofte,
om alles in Delft te koopen, dan zou de handel wel zorgen,
dat het te krijgen was ') !
Deze brief bewijst, dat men hopeloos in een vicieuzen
cirkel geraakt was en dat Delft geen drukke koopstad
meer kon heeten. Carleton zal er wel geen uitweg op
geweten hebben ; er is althans geen antwoord van hem
aanwezig, maar wèl is het een feit, dat den 5en Februari
1635 het „concordaat" der Adventurers met Rotterdam
gesloten werd.
De onderhandelingen hierover, die dus nog vrij lang
geduurd hebben, ook na het verschijnen van het koninklijke
plakkaat, zijn gevoerd van wege Rotterdam door de 4 Burge-
meesteren benevens de vroedschapsleden Van Berckel,
Puyck, Sonnemans, Hartigsvelt, üytshoeck
en B e z e ra e r en van de zijde der Adventurers door het
bestuur der Delftsche Court, namelijk S a m u e 1 A v e r y,
deputy-go vernor, W i 1 1 i a m C o c k c r o f t, tresorier, B a r n e y
Reyms, John Quarles en Antony Fletscher,
assistenten en Thomas Clarck, secretaris, met auto-
risatie van het hoofdbestuur, geteekend door den
consul van de sociëteit te Londen, Thomas Moulson,
eques auratus civis et Aldermanniis sive consularis Civitatis
Londini in Anglia ').
De onderhandelingen (die niet meer te vinden zijn naar
't schijnt), hebben natuurlijk weer geloopen over de bezwaren,
die reeds in 1623 waren geopperd. Sommige daarvan hadden
') Zie Soutendam t. a. p. Bijl. VI.
') Zie den aanhef van het concordaat, hier achter Bijl. A, naar
een afschrift in 't Rott. Archief (Bundel ,Eng. en Schotsche Court").
Weer blijkt hier, dat het hoofdbestuur te Londen zetelde.
106
nu weinig kracht meer, b.v. dat omtrent de Arminianen,
want de tijden waren veranderd ; men beijverde zich alge-
meen, de rampzalige twisten te doen vergeten, op het
doorluchtig voorbeeld van Frederik Hendrik ; Amsterdam
had reeds het Remonstrantsch seminarium binnen zyne
muren en Rotterdam had zonder veel tegenspraak van de
andere steden toegelaten, dat de Arminianen twee kerkhuizen
hadden gesticht in een verborgen hoekje. Men kon ook
moeilijk mee beweren, dat Rotterdam om zijne Arminiaansche
neigingen nu nog minder invloed in de Staten had dan
anderen. De bezorgdheid omtrent de Entreloopers moest
eveneens minder op den voorgrond komen, nu men het
mooie plakkaat van Koning Karel had ; de eisch omtrent
den uitlegger bij den Briel werd ten minste niet meer
volgehouden ; Rotterdam moest alleen beloven alles te doen
om van het plakkaat van de Staten-Generaal van 1599,
vernieuwd in 1617 en 1631 (zie boven) „effective ujtvoering
te vercrijgen" '), waar tegenover de Adventurers zich ver-
plichtten tot dezelfde werkzaamheid vóór de uitvoering van
het koninklijk plakkaat ').
Daarentegen was het bezwaar omtrent de tarra grooter
geworden na de nieuwe verordeningen van 1630 en '31.
Om de Fellowship op dit punt tevreden te stellen, moest
Rotterdam ronduit gezegd een Donquichotterie begaan.
Het moest n.b. beloven „de uyterste moeyte te doen", om
de meting alleen in de stapelplaats der Adventurers te doen
bepalen. Het zou beproeven, de Staten-Generaal, met her-
roeping van vroegere ordonnantiën, hiertoe te bewegen door
volgende mooie redenen : „onse stadt is versien met versche
wateren, rivieren ende ander nootsakelyckheden, bequaem
ende nut tot de natmakinghe ende preuve van de laeckenen.
En wij willen een stantvastigen ende sekeren cours van de
•) Zie het „Concordaat", art. 30.
») id. art. 51.
107
metinge stellen, o, Staten Generaal, door de meters de
lengte van ieder laken te doen opteeckenenen ende preuve
te doen geven aan de coopluyden" '). Zoo kwam het te
staan zwart op wit in het concordaat, tot spot van de
andere steden !
Ook de kwestie van de garnizoenen was nog steeds een
bezwaar voor de Engelschen. Juist in denzelfden tijd,
dat Rotterdam onderhandelde met de Adventurers, voerde
Frederik Hendrik in naam der Republiek andere, grootere
besprekingen met de Fransche regeering van Richelieu,
over het bekende of- en defensief verbond. Dit beloofde
een nieuwe opleving van den oorlog te land, die sedert de
inneming van Maastricht wat flauwer geworden was '). Reeds
had de Prins in 1634 eene belegering van Breda onder-
nomen en het nieuwe plan was, zooals vrij algemeen bekend
was, om samen met de Franschen de Zuidelijke Nederlanden
te veroveren. Rotterdam nu moest hierbij tot de basis der
krijgsverrichtingen behooren, vooral in den wintertijd, daar
het zich met zijne ongeveer ijsvrije rivier bijzonder leende
voor troependepót in het barre seizoen.
In den winter van 1634 op 1635 kregen de burge-
meesteren van Rotterdam tweemaal een van die korte mis-
siven van den toenmaals zoo machtigen Frederik Hendrik,
waarin hun werd aangezegd, dat er soldaten zouden binnen-
komen, die ze hadden te voorzien van logies. De eerste is
van Nieuwjaarsdag en spreekt van twee compagnieën, die
uit Frankrijk komen en te Rotterdam moeten blijven, zoolang
het water dicht is, om dan weer naar hun „gedestineert
garnizoen" te gaan. De tweede dateert van 28 Februari
en bericht, dat kapitein Brogghe van Dordt met zijne
compagnie te Rotterdam moest ingekwartierd worden „tot
naerder ordre". Later, in de maand Juni, kwam er nog
') Zie het „Concordaat", art. 34.
») Zie Blok „Gesch. v./h. Nederl. volk", IV blz. 394 vig.
108
een compagnie uit Zalt-Bommel, alweer tot nader order en
waarschijnlijk bestemd voor de groote onderneming tegen
de Zuidelijke Nederlanden, En in 1636 werd weer eens een
compagnie uit Den Bosch naar Rotterdam gedirigeerd ').
Het is dus wel te begrijpen, dat de Adventurers op dit
punt goede waarborgen wenschten omtrent vrijdom van
inkwartiering, vooral omdat er kans was dat men hun de
minder gewensclite landgenooten, zooals de soldaten van
William Brogglie zou toestoppen. Ze verkregen van Kotter-
dam volledige geruststelling op dit punt. Artikel 9 van het
„concordaat" beloofde vrijdom van garnizoenen, mitsgaders
van waken, wachten en contributiën hiervoor, terwijl artikel
20 nog ten overvloede bepaalde, dat geen E n g e 1 s c h e of
Schotsche noch andere soldaten binnen Rotterdam logee-
rend, ooit in de huizen der Fellowship zouden worden inge-
kwartierd.
Toen dit alles dan zooveel mogelijk naar den zin der
beide partijen was afgehandeld en het verdrag gesloten en
bezegeld was, deden de Adventurers weldra hun blijden
intocht te Rotterdam.
Wie in 't voorgaande de langdurige en onvermoeide pogin-
gen der Rotterdamsche regeerders gevolgd heeft, die zich
uitstrekten over meer dan een halve eeuw, kan zich voor-
stellen, met welk eene vreugde en voldoening ze de nieuwe
gasten begroet hebben. Natuurlijk zorgden ze voor eene
behoorlijke ontvangst : een deel van het oude huis
Bulgerstein, op de plaats, genaamd het Roode Zand, waar
de hooge dijk een rechten hoek vormde, en waar in 't begin
der ITtï eeuw eene Fransche school was gevestigd, werd
ingericht voor Courthuis, d. i. kantoor en woning voor den
Courtraeester, den deputy ^), den secretaris, den predikant,
') Zie den bundel Missiven aan Burgemeesteren van Rotterdam
1621—37.
"j Gouverneur en deputy zegt art. 8; hieruit is op te maken dat
de Court te Rotterdam weer wat meer beteekende dan te Delft, waar
109
den conciërge, mitsgaders drie boden en den koster. Tevens
moest het dienen als logies voor de verdere Adventurers,
die te Rotterdam wilden wonen of die er tijdelijk kwamen,
om hunne zaken te doen. Er moet dus vrij wat ruimte
geweest zijn, want de conciërge kon er ook nog open tafel
houden voor de ongetrouwde Courtleden. Mocht er intusschen
te weinig plaats zijn, dan wilde de stad nog zorgen voor
andere huizen tegen eene matige huur. Pakhuisruimte schoot
er op het erf van 't Courthuis ook nog over ; maar buiten-
dien verklaarde Rotterdam zich bereid, op een terrein in de
buurt nog nieuwe te bouwen, als het noodig was. Dit is
echter niet gebeurd.
Alle onderhoud was voor rekening van de stad.
Het Courthuis was dus eene factorij, zooals b.v. de Duitsche
handel ook gehad heeft in Nowgorod, Bergen, Londen,
Brugge enz., een logement voor de komende en gaande
Adventurers, met eigen tafel en min of meer strenge huisregels.
De Waalsche Kerk, vlak tegenover het Courthuis, werd
ingericht voor den Anglikaanschen dienst, „de exercitie van
de Christelijcke gereformeerde religie volgens
de disciplyne ende ordre van de Kercke van Engeland",
gelijk de Rotterdammers het voorzichtiglijk in 't contract
hadden uitgedrukt. Ze wisten, hoeveel last de Adventurers
te Hamburg gehad hadden van de rechtzinnige Luterschen ')
en begrepen dat de strenge Calvinisten in de Staten van
Holland ook wel eens aanmerkingen konden maken, vooral
met het oog op de Remonstrantsche afwijkingen, die te
Rotterdam geduld werden. We zullen weldra zien, dat
deze struisvogelpolitiek hun weinig gebaat heeft. Trouwens,
slechts een deputy was. Het is zelfs waarschijnlijk, dat de Court te
Rotterdam jaren lang de hoofdfactorij der Fellowshij) geweest is op
het vasteland, daar juist omstreeks 1635 de dertigjarige oorlog in
de gruwelijke phase trad, waarin Duitschland bijna geheel verwoest
werd en de Duitsche handel haast onmogelijk werd.
') Zie Lingelbach „the M. A. at Hamburg", blz. 270.
110
de toevoeging aan 't einde van art. 7 bewees genoeg, hoe
de dienst in deze kerk zou afwyken van de „ware Christelycke
gereformeerde religie ; er werd namelijk in verzekerd, dat er
geen andere Engelsche kerk in Rotterdam zou geduld worden
en dat in de Courtkerk alle prediking „tegens de leere oft
discipline van de Kercke van Engeland" zou belet worden.
Het eerste moet doelen op den Engelschen dienst, die, sinds
1627 gehouden werd in de Sint Sebastiaanskapel in de
Lombardstraat '), waarschijnlijk voor de RotterdamscheEntre-
loopers en het bewijst dan, dat de Adventurers die concur-
renten niet alleen in hunne Court, maar ook in hunne kerk
wilden trekken. Het laatste is waarschijnlijk verzocht, om
koning Karel I een plezier te doen, die een afschrik had
van alwat van zijne kerk afweek. De Engelsche dienst in
de Lombardstraat schijnt ook werkelijk opgehouden te zijn,
want we lezen in de vroedschapsresolutiën, dat de Walen,
die hunne kerk aan de Court hadden moeten afstaan, de
Sint-Sebastiaanskapel in de plaats kregen.
Het oude klassieke hoekje van de Hoogstraat, dat tot dusver
de Fransche wijk was geweest, werd nu dus het Engel-
sche kwartier van Rotterdam. Maar ook op een ander
belangrijk punt der stad verrezen nieuwe instellingen ten
behoeve der Engelsche gasten ; de Blauwe Toren, die nog
overgebleven was van de oude vestingwerken langs Blaak en
Nieuwe Haven, en die zich bevond ongeveer op de plaats,
waar nu het Beursstation staat, werd bestemd tot stads-
wisselbank, die Rotterdam moest oprichten, evenals
vroeger Delft, Middelburg en Antwerpen dat hadden moeten
moeten doen voor "t gemak der Adventurers '). En de beurs,
die in 1598 was gesticht bij den ingang van het Haringvliet,
werd nu verplaatst naar de Noordblaak, om ze dicht bij de
>) Zie Wm. Steven „the History of the Scottish church at Rotterdam'
Edinburg and Rotterdam 1832, blz. 325.
-) Art. 27.
111
nieuwe bank te hebben. (Ze was daar in den beginne een
zeer bescheiden gebouw, eene soort loods aan den waterkant,
en is pas in het actiejaar 1720 uitgebreid tot hare tegen-
woordige grootte).
Voor de wisselbank moest Rotterdam echter vergunning
hebben van de Staten van Holland, en het verkreeg die
ook nog in 't zelfde jaar 1635, ofschoon niet zonder moeite,
zooals we spoedig zien zullen.
Zoo bracht de komst der Adventurers te Rotterdam de
inrichtingen mede, die op de stad als het ware den stempel
van den groothandel drukten. Het jaar 1G35 kan daarom
zonder overdrijving het geboortejaar van Rot-
terdam als groothandelsstad genoemd worden.
De Adventurers hebben Rotterdam wel niet gevonden als
een visschersplaats, zooals ze beweerd hebben van Antwerpen,
maar toch als eene plaats, die nog pas in opkomst was.
En al kan men niet op zekere gronden zeggen, dat zij de
stad groot gemaakt hebben (zooals ze zelf later wel wilden
beweren), zoo heeft toch hunne komst aanleiding gegeven
tot het inslaan van een breederen weg dan dien men
tevoren bewandeld had. Rotterdam had zich, in 't laatst
der 16e eeuw, bij de komst der Zuid-Nederlandsche vluchte-
lingen, opgewerkt tot de derde stad van de Republiek ;
het bezat toenmaals reeds naast de oude levensbron, de
visschery, eene vrij belangrijke industrie, terwijl de handel,
behalve het marktverkeer met den omtrek en eenige betrek-
kingen met de Hollandsche en Zeeuwsche steden en met
het Duitsche Ryngebied, ook reeds zijne connecties had
in Oost- en West-Indië en in Engeland. (Als bijzonder,
minder bekend bewijs van dezen Engelschen handel, moge
hier vermeld worden, dat reeds in 1(312 een geregeld
veer op Londen was ingesteld, tegelyk met een veer
op Antwerpen '). De Oost- en West-Indische compagnieën
') Zie Reaolutiën van de Rott. Vroedschap van 1612.
112
hadden vanaf hare oprichting kantoren of kamers te Rot-
terdam, maar deze waren niet van de grootste, b.v. lang
niet zoo belangi-ijk als die van Middelburg).
Had Rotterdam dus in 't begin van de eeuw nog bij de
Zeeuwsche hoofdstad moeten achterstaan en dong het mis-
schien omstreeks 1630 nog met deze om den voorrang,
zoo was in 1631 bij de komst der Engelsche Court toch
voor een ieder duidelijk, dat het zijne Zuidelijke concurrente
geheel overvleugeld had. Het was nu de tweede koop-
stad der Nederlanden geworden en het heeft dien
rang niet weer losgelaten gelijk Middelburg, ook al zijn
de Adventurers betrekkelijk al spoedig weer heengegaan.
(Uit dit laatste kan juist zeer duidelijk blijken, dat deze
handelaars, al hebben ze misschien den stoot gegeven tot
nieuwe ontwikkeling, toch voor Rotterdam niet de onmis-
bare factor waren, om eene belangrijke rol te spelen.
Toen zij meenden, dat hun verblijf aldaar lang genoeg
geduurd had, gingen zij heen, maar Rotterdam kon het
ook zonder hen af.)
Het is hier de plaats, om de stedelijke wisselbank,
zooals Rotterdam die oprichtte, op 't voorbeeld van Amsterdam,
Middelburg en Delft iets nader te beschrijven. Ze is wel
niet het belangrijkste der geldinstituten in de vroegere
Republiek, maar ze heeft toch eenige beteekenis gehad en
haar bestaan weten te rekken tot in den Franschen tijd
toe, terwijl de Delftsche al spoedig weer verdwenen moet
zyn na het vertrek der Adventurers. Mr, W. C. Mees, een
Rotterdammer van geboorte, heeft in zijn bekend werk
over het Bankwezen in Nederland gedurende den tijd der
Republiek ') ook de Rotterdam sche wisselbank besproken,
maar slechts zeer kort en hij erkent zelf dat het onderwerp
lang niet uitgeput is. Het stedelijk archief bevat nog ver-
') Mr. W. C. Mees, „Proeve eener Geschiedenis van het Bankwezen
in Nederland gedurende den tijd der Republiek", Rotterdam, 1838.
113
schillende bescheiden, die heel wat meer licht over deze
instelling kunnen doen opgaan en de bestudeering zeker
waard zijn. Enkele daarvan zullen hier ter sprake komen,
zoover ze te maken hebben met de Merchant Adventurers.
De Rotterdamsche wisselbank dan moest evenals de
beroemde Amsterdamsche vooreerst eene gelegenheid zijn
tot het wisselen van vreemde geldsoorten, ten tweede een
geldmagazijn en ten derde een geldfilter. Een geldmagazijn,
d. i. een echte deposito-bank ; ieder die wilde mocht er
geld in bewaring geven op de vaste voorwaarde, dat het
bleef liggen binnen de stevige muren van den Blauwen
Toren ; rente kreeg hij dus niet, integendeel, hij moest nog
iets toe betalen voor de moeite van het inschrijven in de
grootboeken en van het bewaren. (Men vindt hier eenige
gelijkenis met onze tegenwoordige safe-deposits). Maar de
bank nam niet elke muntsoort aan ; zy weerde alle minder-
waardig geld, dat toenmaals zoo menigvuldig was, en liet
alleen bepaalde groote munten door hare loketten passeeren.
Daarom was ze tegelijk een zuiveringstoestel, een filter.
Van pasmunten hadden alleen de schellingen toegang en
dan nog maar voor één tiende van den geheelen inbreng.
Het voordeel voor den koopman was nu hierin gelegen, dat
hij eene veilige bewaarplaats had voor zijn geld en dat hij
bij handelstransactiën kon betalen of betaald worden met
gesloten beurs, namelijk door bankgeld van zijne rekening
te laten overschrijven op de rekening van een ander of
omgekeerd. Omdat nu het bankgeld door de bovengenoemde
filtratie beter te vertrouwen was dan gewoon courant geld,
moest iedereen op een dergelijke betaling in de bank gesteld
zyn, zoodat de bank werkelijk een grooten geldvoorraad
moest vastleggen. (Minder dan 300 gulden mocht niet worden
ingebracht). Natuurlijk verkreeg het bankgeld zoodoende
een zeker agio boven het gewone betaalmiddel. Te Amsterdam
is dit agio altijd vrij hoog geweest, omdat daar de schellingen
tot veel kleiner bedrag werden toegelaten en in 't algemeen
8
114
scherper werd toegezien ; daarom heeft de Rotterdamsche
bank nooit zoo'n aantrekkingskracht gehad als hare Amster-
damsche zuster en gaven op den duur Rotterdamsche inge-
zetenen zelfs de voorkeur aan de laatste, al trachtte de
stad dit op alle wijzen te verhinderen.
De drie tot dusver genoemde functies der bank moesten
haar maken tot eene zeer soliede en vrij gemakkelijke instel-
ling voor den groothandel te Rotterdam en omstreken, maar
ze gaven nog geen gelegenheid, om den handel met verder
gelegen streken van dienst te zijn. Voor de Merchant Adven-
turers was nu juist dit de hoofdzaak ; zij moesten een ge-
schikt middel hebben, om hunne gelden naar Engeland over
te zenden, daar zij, zooals we weten, altijd meer goederen
in de Nederlanden in- dan uitvoerden.
Daarom werd te hunnen behoeve de bank ook dienstbaar
gemaakt aan het koopen en incasseeren van wissels en aan
het overmaken daarvan op Londen. De stad verplichtte zich
zelfs, alle penningen op wissel te nemen, die de Adventurers
wilden remitteeren op Londen met een „agio" van 4 groot
Vlaamsch op ieder pond sterling en onder waarborg van
de stedelijke schatkist. Daarentegen waren de Engelschen
van hun kant niet gedwongen, van deze diensten gebruik
te maken ; ze mochten ook gerust door tusschenkomst van
anderen remitteeren, eene vrijheid, die ze zich te Delft ook
voorbehouden hadden. Maar in Delft hadden ze van die
vrijheid gebruik gemaakt, om de Amsterdamsche wisselbank
als kassier te nemen en dat meenden de Rotterdamsche
heeren toch te moeten voorkomen : de Adventurers moesten
al hunne goederen verkoopen op beding van betahng te
Rotterdam, in bankgeld, en al hunne wissels op Londen
l)ehandelen en sluiten binnen Rotterdam. ')
De stad had natuurlijk liever aan hare bank het monopolie
toegekend gezien, maar ze heeft dit niet gedaan kunnen
') Art. 49.
115
krggen : zelfs de verplichting, die de Fellowship nu op
zich had genomen, gold maar voor één jaar, terwijl daaren-
tegen de stad hare bankiersdiensten beloofde voor drie
jaren, want de Fellowship had na afloop van den vasten
termijn nog twee jaar optie. Zulk een overeenkomst moest
wel eene vruchtbare kiem in zich dragen van geschillen
en moeilijkheden en die zijn er dan ook meer dan genoeg
uit voortgekomen. De Adventurers wenschten volledige vrij-
heid, want zy wilden genieten van het goede bankgeld en
van de groote soliditeit der Amsterdamsche bank ; de
Rotterdammers wilden daarentegen volledige verbintenis aan
de bank van Rotterdam. Het feit, dat men eene geregelde
verzending van alle gelden der Adventurers, die naar Enge-
land moesten, door tusschenkomst van den Rotterdamschen
geldhandel mogelijk achtte, bewijst intusschen wel, dat de
handelsconnecties van die stad met het Britsche rijk reeds
van vrij groot belang moeten geweest zyn.
Tegelijk met de wisselbank werd door Rotterdam nog
eene tweede nieuwe handelsinstelling opgericht, waarvoor
ook permissie van de Staten noodig was, namelijk eene
kamer van Assurantie. Of die ook de vrucht was
van een wensch der Engelsche gasten wordt niet gemeld
en is daarom ook niet waarschijnlijk. Maar dat ze voor
hen eene aantrekkelijkheid te meer moest zijn, is wel
buiten twijfel en evenzeer, dat ze het hare moest bijdragen
tot de uitrusting van Rotterdam als „de tweede koopstad".
Behalve met de genoemde instellingen en gebouwen kwam
men de Adventurers nog in 't gevlei met allerlei vriende-
lijkheden en gemakken. De „Sociëteit" mocht eigen
meters, vouwers, pakkers en andere knechts houden, ook
eigen makelaars aanwijzen ten getale van zes (die intusschen
vooraf den gewonen eed op *t stadhuis moesten doen). Ze
kreeg het gebruik van kaden en kranen tegen zeer matige
vergoeding : ook zou de stad haar helpen aan lichters,
jsleslepers", wagenaars, schippers, „arbeyders en werklieden
116
te land en te water" en tot overmaat van veiligheid,
's nachts een paar wachten bij hunne pakhuizen zetten.
De rij van beloften werd gesloten door eene typisch-
Rotterdarasche verzekering, die bewijst, dat de Adventurers
de „gelegentheyt" hunner stapelplaatsen vooraf goed opnamen :
Rotterdam verbond zich namelijk „alles te doen, om de
stadt te bevrijden van watervloet" '). Dit doelde dan zeker
in 't bijzonder op het „bevloejen* der pakhuizen, waarvan
ook gesproken wordt, namelijk het beveiligen door ophooging
en vloedplanken.
Het Courthuis en de kerk lagen, zooals we weten, op
den hoogen Schielandschen dijk en waren dus tamelijk
veilig behalve bij zeer hooge vloeden, de kaden echter aan
de Leuvehaven en den Steiger, die hier in aanmerking
kwamen, waren toenmaals zonder twijfel lager dan nu en
moeten dus wel geregeld last van het water gehad hebben.
Bij deze schildering van de vreugdevolle ontvangst der
Adventurers zijn reeds verscheidene artikelen van het con-
cordaat ter sprake gekomen. Er blijven er echter nog vele
andere over en wel juist diegene, die in 't algemeen by
de vestiging van kooplieden in vreemde landen als de
voornaamste gerekend worden. We zullen die hier behan-
delen, geordend naar natuurlijke groepen, heel anders dan
in het concordaat zelf, waar ze eigenlijk op eene wonderlijke
manier dooreen staan, zoodat men zich met verbazing
afvraagt, hoe eene vereeniging, die zoovele rechtsgeleerden
onder hare hoofden telde, aan zoo'n vreemde volgorde is
gekomen. Intusschen, het feit bestaat en maakt de studie
van dit verdrag (en ook van de andere) nog al omslachtig
en moeilijk.
De groote wenschen der Middeleeuwsche en latere kooplui,
die op vreemde landen handelden, lagen op het gebied der
belastingvrijdommen en der rechtspraak.
') Art. 37 tot 48 van het Concordaat.
117
Wat het eerste punt betreft, nam men natuurlijk in het
concordaat tot grondslag de voorrechten, door de Staten-
Generaal verleend by hun octrooien van 1587, 1598 en
1599, die vernieuwd waren in 1617 en 1631. Rotterdam
zou zorgen, dat die plakkaten gehandhaafd werden. Dan
zouden dus de Adventurers genieten : Ie vrijdom van
inkomende convooien op lakens, karsaaien en
baaien en van uitgaande convooien op dezelfde goederen,
indien ze binnen een jaar weer uitgevoerd werden naar
Engeland of Hamburg of (eventueel) naar eene andere
stapelplaats van de Fellowship ; 2e verminderd tarief voor
hunne andere koopwaren, die geen stapelartikelen waren ;
3e de zachte behandeling in geval van smokkelen, zooals
reeds Filips de Goede die had toegestaan ; 4e de behoor-
lijke toelating in havens, waar ze door storm of dergelijke
ongelukken zouden verzeilen.
Maar al deze gunsten werden door Rotterdam uit eigen
bevoegdheid of wel op eigen risico nog belangrijk uitgebreid.
Behalve de lakens enz. zouden ook de Engelsche bieren
vrij zijn van invoerrecht, opdat de fellows daarvan behoorlijk
en goedkoop hun genot zouden kunnen hebben. En de
vrijdom van uitvoerrecht zou evenzoo niet enkel gelden
voor de genoemde Courtwaren, maar ook voor alle wollen
manufacturen, die binnen 't jaar weer weggingen.
Tevens beloofde men een „vrijgeleijde en sauf-conduit" in
Rotterdam en onderhoorigheden ') en zelfs in geheel Holland
(als men dat van de Staten gedaan kon krijgen). Van
vrijdom van licenten, die in Middelburg zoo'n voornaam
punt geweest was^ werd hier zelfs in 't concordaat niet
gesproken ; zeker omdat de uitvoer naar de Zuidelijke
Nederlanden, waarvoor die licenten noodig waren, hier niet
veel beteekende. Rotterdam beloofde echter belangrijke vrij-
') Het Rott. rechtsgebied strekte zich uit over geheel Schieland
en een klein deel van IJselmonde,
118
stellingen op 't gebied der accijnzen. Naast
het inkomende Engelsche bier zouden de Adventurers ook
nog onbelast inlandsch bier en onbelasten wijn kunnen
drinken. De conciërge van 't Courthuis zou die dranken
mogen inslaan voor zichzelf en voor de gemeyne tafel, die
hij hield voor inwonende „officieren" en logeerende felle ws,
en de overige broeders, die er buiten woonden, zouden
voor hun huishouden evenzoo kunnen doen. Alles echter
„in groote, maar niet in cleyne quantiteiten". Zooals later
zal blijken, is van deze vrijheid een buitengewoon druk
gebruik gemaakt ; er is zelfs in sommige jaren beweerd,
dat de Adventurers meer bier en wijn insloegen dan alle
tappers der stad met elkaar I Men moet intusschen niet
denken, dat dit alles tot eigen lafenis gebruikt is ; in de
Court bestond nog altijd de gewoonte, om op toondagen
aan de bezoekers een glaasje bier of wijn te schenken en
de Adventurers met hun grooten handelsgeest konden ook
den lust niet bedwingen, om van hun ruimen voorraad
te gaan verkoopen, al was dat strengelijk verboden.
Verder werd nog vrijdom van accyns beloofd voor „andere
huyshoudende provisie", o. a. van 40 ton turf en brandhout
voor ieder lid. De controle hierop zou plaats hebben door
middel van briefjes, geteekend door Courtmeester en secretaris.
De accijnzen waren evenwel, zooals bekend is, in die dagen
geen zuiver stedelijke instelling meer, zooals b.v. in de
15e eeuw. Integendeel: het grootste deel kwam aan de
provincie en behoorde tot de „gemeene middelen", ingesteld
bij de Unie van Utrecht, het kleinste deel was voor de
stad. Nu kon Rotterdam dus dit laatste vrijelijk kwijtschelden,
maar voor 't eerste moest Holland verlof geven. In 't con-
cordaat werd daarvan echter met geen woord gesproken '),
zeker omdat de Court te Delft den vrijdom reeds genoten
had, maar de Adventurers konden toch wel bevroeden,
') Zie art. 9.
119
dat de ïStaten de iioodige aanmerkingen zouden maken.
Het verlangen naar eigen consulaire recht-
spraak sproot natuurlijk voort uit wantrouwen in de
rechtsbedeeling van het vreemde land, waar men zich
vestigde. Bij de Engelschen, als eilandbewoners, is dit
wantrouwen altijd nog al groot geweest en men mag
daarom onderstellen, dat de Adventurers in den grond huns
harten wel niet minder gewenscht zullen hebben dan vol-
ledige crimineele en burgerlijke jurisdictie voor alle Engelschen
en bovendien gemengde rechtbanken voor alle rechtszaken
tusschen hen en de bewoners van het vreemde land zelf.
Alles op de wijze, zooals de Europeesche mogendheden ze
tegenwoordig nog genieten in Turkije en China.
Maar deze wensch was ten opzichte der Nederlanden
reeds lang een droombeeld, zooals in 1598 duidelijk genoeg
gebleken was in het octrooi van de Staten- Generaal. Het
weinige, dat toenmaals gegeven was, trachtte men nu in
het concordaat met Rotterdam zooveel mogelijk uit te
breiden. En hierin had de stad groote macht, ten minste
zoover het haar eigen rechtsgebied betrof.
De Staten-Generaal hadden slechts eigen civiele recht-
spraak toegestaan over de suppoosten van de Court,
Middelburg had ze uitgebreid over alle fellows, de stad
Rotterdam gaf ze over alle Engelschen in haar
rechtsgebied, Entreloopers zoowel als fellows '), zelfs nog
over diegenen, die het burgerrecht van de stad verworven
hadden of nog zouden verwerven '^).
Gemengde rechtspraak in geschillen tusschen Engelschen
en Nederlanders hadden de Staten-Generaal volledig ge-
weigerd, het Rotterdamsche concordaat nam ze op, al was
het dan in geringe mate. Indien een Engelschman eene
actie instelde tegen een Nederlander (of anderen ingezetene),
') Art. 12.
') Art. 18 en 19.
120
dan moest hij zich wenden tot de stedelijke schepen-
bank, waarvan geen beroep was, ging echter de eisch
uit van een ingezetene, dan had die de keuze tusschen
de bank van den Courtmeester en die van de stad. Dit
kan intusschen niet anders geweest zijn dan een wassen
neus : wel heel zelden zal er iemand gevonden zijn, die
in zoo'n geval zijn heil zocht bij den Engelschen rechter,
vooral waar nog in 't bijzonder werd voorgeschreven, dat
eene zaak moest blijven, waar ze eenmaal aangelegd was ').
De Adventurers waren slim genoeg om dit te begrijpen
en hebben gezorgd, dat hun tevens voor de stedelijke
rechtbank eene bijzonder gunstige rechtsbedeeling gewaar-
borgd werd. Er zou voor hen eene aparte rol gehouden
worden „van de hangende saecken de Engelschen betreffende,
opdat deselve eerst ende vóór andere saecken mochten
worden geexpedieert ende geeyndigt". Ja, er werd zelfs
beloofd, dat hunne processen zouden worden afgedaan
14 dagen nadat ze in geschrifte waren '). Waarborgen voor
snel recht, niet te versmaden in dien tijd van lange
procedures. Trad een Engelschman vóór burgemeesters en
schepenen met eene schuldvordering, dan mocht aan zijn
schuldenaar geen uitstel van betaling verleend worden ;
met alle middelen moest de rechtbank zyne eischen steunen,
ook, zoo noodig, met vervolging en gijzeling. Woonde de
schuldenaar buiten het Rotterdamsche rechtsgebied, dan zou
de stad hiervoor medewerking vragen van de Staten-Generaal. ^)
Een Engelschman zelf echter kon voor schuld nooit
gearresteerd woi'den, zonder goedvinden van den Court-
meester, tenzij hij insolvent of voortvluchtig was ').
Crimineele rechtspraak hadden de Staten-
Generaal in 't geheel niet willen toestaan, en hierin week
•) Art. 16.
') Art. 16.
»j Art. 22.
""•) Art. 24.
121
Rotterdam weinig van dat standpunt af. Alleen de hand-
having der Courtreglementen werd het Courtbestuur gelaten
en wel ten opzichte van de fellows en van alle andere
Engelschen. Dus : bewaring der orde in eigen
kring. Het stond den Courtmeester vrij, in verband hier-
mee, de leden der Court of andere Engelschen te arresteeren,
hunne goederen in beslag te nemen en zelfs gebruik te
maken van de „stadsgevanckenisse met isers ende andere
instrumenten".
Maar voor al het overige stonden de Engelschen onder
de gewone crimineele jurisdictie van burgemeesters en
schepenen, b.v. — zoo werd nog uitdrukkelijk vermeld —
„voor vechten, hoereeren ofte diefte". Maar ze hadden toch
ook hier weer hunne bijzondere waarborgen, buiten en
behalve het eigenaardige voorrecht van de Staten-Generaal
omtrent het arresteeren van den beschuldiger tegelijk met
den aangeklaagden Engelschman '). Zoo mochten hunne
goederen niet worden verbeurd verklaard bij strafvonnis ;
ook niet, indien over een fellow de doodstraf werd uitge-
sproken. Alleen voor crimen laesae majestatis werd eene
uitzondering gemaakt : in dat geval, dat zeker doelt op
schending van de majesteit der Nederlandsche regeering,
mocht verbeurd-verklaring plaats hebben ').
Ook werd aan de Adventurers nadrukkelijk verzekerd —
sterk bewijs van het bovengenoemde wantrouwen — dat
„indien het geviel, dat iemandt van de societeyt ofte haer-
luyder adherenten gequetst, gewont ofte (dat Godt ver-
hoede !) doot geslaghen wierde binnen de stadt ofte de
limiten ende het gebiet vandien", de regeering van Rotterdam
„van stonde aen alle devoir" zou doen, opdat de misdadiger
zou worden gegrepen „ende in de gevanckenisse geleyt",
en dat hij daarna, zonder uitstel, „soo severe zou worden
*) Zie boven blz. 67.
') Art. 26.
122
gestraft, als zou dienen tot exempel van alle anderen!" ')
Evenzoo moest verzekering gegeven worden van bestraffing
dergenen, die schade zoude doen aan schepen, tonnen,
kabels of koorden door „losmakinge, snijdinge ofte brekinge".
Zij zouden daarenboven gedwongen worden tot „reparatie
ende restitutie" '). In geval van diefstal zou de stad zorgen,
dat de gestolen goederen door den officier (baljuw) terug-
gezocht werden en tegen betaling alleen van de onkosten
werden terugbezorgd aan de Engelsche eigenaars ").
Bij schipbreuk vreesden de Adventurers blijkbaar voor
het oude strandrecht : ze hadden zich ten minste doen
beloven, dat Rotterdam moest zorgen voor teruggave der
betrokken goederen tegen gewoon bergloon, als de ramp
op het gebied der stad gebeurd was en dat degene die te
veel zou willen afdwingen of geweld pleegde, zou gestraft
worden met „gevanckenisse ofte andere arbitraire correctie".
Voor het overig deel der provincie zou Rotterdam dezelfde
verzekering van de Staten zien te verkrijgen ').
Hiermee is de rechtspositie der Adventurers te Rotterdam
geteekend, zoover de letter van 't concordaat die aangeeft;
ze is niet zoo mooi geweest, als men wellicht zou verwacht
hebben, maar ze bood toch nog voorrechten en verzeke-
ringen genoeg, om te spreken van belangrijke begunstiging
boven de eigen Rotterdamsche burgers. In 't algemeen kwa-
men ze overeen met de positie, die de Court te Hamburg
bezat ; alleen schijnt daar de crimineele rechtspraak over kleine
misdrijven in de eigen hand der Adventurers geweest te zgn,
zoodat ze alleen voor ernstige vergrijpen onder de stedelijke
rechtbank stonden, ")
Als buitengewone gunst, mag aan 't einde nog vermeld
') Art. 4.
•) Art. 5.
') Art. 6.
*) Art. 3.
*) Lingelbach „the M. A. at Hamburg".
123
worden, dat de stad Rotterdam beloofde, in geval van oorlog
tusschen Engeland en Spanje, de vloten der Adventurers
te begeleiden niet 2 oorlogsschepen, vanaf de Maas tot de
Theems. ') Dat zoo'n oorlog zou uitbarsten, was intusschen
in deze dagen niet zeer waarschijnlijk : koning Karel I toch
was bijzonder vredelievend wegens geldgebrek ; — maar de
mogelijkheid bestond, en daarmee de kans, om in handen
te vallen van de gevreesde Duinkerkers.
En wat stelden nu de Adventurers tegenover al deze
gunsten, gaven en beloften ? Slechts vijf artikelen we
zeiden het reeds — maar artikelen van gewicht.
Vooreerst de belofte, dat niet alleen al hun invoer, maar
ook al hun uitvoer zou geschieden te Rotterdam (voor zoover
het de Nederlanders betrof). En — wat meer beteekende —
dat de Fellowship al haar inkoopen zou doen te Rotterdam,
indien — zoo wordt er voorzichtiglijk bijgevoegd - „de
coopmanschappen syn van gelycke deucht, tot gelycken
prys, ende op gelycke tijt, als zij elders te becomen sijn" ').
(Dit , elders" doelde natuurlijk op Amsterdam, en de Rotter-
dammers zouden liever gezien hebben, dat het maar weg-
gelaten was, gedachtig aan 't geen te Delft gebeurd was.
Het schijnt evenwel, dat de Delftsche moeilijkheden op
dit punt zich te Rotterdam niet herhaald hebben en later,
bg 't afscheid der Court uit Rotterdam, wordt ook met geen
woord gerept van gebrek aan koopgelegenheid voor de
Adventurers, 't geen alweer bewijst, hoever deze stad reeds
boven Delft stond).
Ten tweede de verzekering, waarvan reeds boven gespro-
ken is, dat de Fellowship zou waken met alle kracht voor
de uitvoering van het koninklijk plakkaat tegen de Entre-
loopers, zoodat Rotterdam de eenige stapelplaats zou worden
van alle Engelsche wollen manufacturen. Deze moesten
') Art. 2.
'j Art. 50.
124
hier minstens vier maanden te koop liggen, voordat
ze mochten verzonden worden naar Hamburg of wel terug
naar Engeland, tenzij ze dadelijk werden afgekeurd (bij de
tarra) of wel reeds bij aankomst naar Hamburg bestemd
waren. Dit was voor Rotterdam het mooiste van alle artikelen ;
een echt, stevig, ouderwetsch stapelrecht. (Artikel 51).
Eindelyk moest de Fellowship zich ook hier verbinden,
alleen groothandel te drijven, om de winkeliers geen con-
currentie aan te doen (een netelig punt, waarover in Vlaan-
deren en Brabant en elders reeds veel twist geweest was).
Ze mocht hare Courtwaren aan niemand anders dan aan laken-
koopers leveren, en dan nog maar op zijn minst in de volgende
hoeveelheden : van ongeverfd laken 5 paklakens of 1 stuk,
van „gecouleurt laken, in de wolle geverwt" 1 heel stuk,
van karsaaien 10 stuks, 't zij „noorts" (van Norwich) of
Devonshires, wit of gekleurd, van bruin laken eveneens 1 geheel
stuk, van kousen, mutsen, hoeden en dergelijke „ cleynicheden "
minstens 1 dozijn '). Voor alle zekerheid werd er nog bijge-
voegd, dat het verbod, om in 't klein te verkoopen (,bij de
elle of 't clein gewicht") niet alleen gold voor de fellows
zelf, maar ook voor hunne vrouwen en ook voor de dienaars
of suppoosten van de Court '). Hieruit kan blijken, hoe er
vroeger wel eens mee geleefd was.
Natuurlijk bleef er toch voor de Adventurers nog wel
ruimte over, om dit en andere artikelen te overtreden. In
zoo'n geval had de Fellowship zelf te zorgen voor bestraf-
fing van de schuldigen. Dit bewijst misschien beter dan eenig
ander artikel, dat dit handelslichaam toch nog in vele
opzichten mocht heeten een „staat in den staat". Rotterdam
had in zake de opvolging van het contract niets te maken
met de afzonderlijke leden, maar alleen met het bestuur van
de Fellowship. Deed dat bestuur z^n plicht niet bij geval
•) Art. 52.
•) Art. 53.
125
van overtreding, dan kon de stad het daarover aanspreken.
Hier zat weer eene rijke bron van allerlei moeilijkheden en
geschillen, door de Rotterdammers zeker wel voorzien ; om
de letter van 't contract in elk geval te redden, hadden ze
aan 't eind van 't hier bedoelde artikel doen opnemen : ,de
bepalingen blyven evenwel van kracht" ') (d. i. ook, wanneer
de Fellowship een overtreder eens niet mocht straffen).
Als een vergoeding voor dit gemis van toezicht op de
eigenlijke overtreders, had de stad nu echter weer alleen
het recht, om „duysterheden" in 't concordaat uit te leggen
„met equiteyt ende goedertierenheyt, die affectie ende faveur
bewysen". Maar indien daardoor geschillen ontstonden, zouden
die beslecht worden door eene commissie van 2 leden van
't stadsbestuur en 2 afgevaardigden van de Court, die het
recht hadden, zoo noodig een vijfden man als „arbitrateur"
te kiezen "').
Mocht de Fellowship aanvulling van het contract ver-
langen, zoo had ze maar te spreken; de stad zou „zoo verre
verstaen als de gerechtigheyt ende reden sou vereyschen" ^).
De duur van de overeenkomst werd bepaald op 15 jaren,
dus heelwat langer dan te Delft ; binnenstijds zou het con-
tract alleen opzegbaar zijn ingeval van overmacht, namelijk
bij oorlog of eenige andere „quade fortuyne", waardoor de
Fellowship niet meer veilig zou zijn. Dan moest de stad
waarschuwen en daarna was de Court verplicht nog zes
maanden te blijven onder bescherming der stadsregeering.
'j Art. 54.
») Art. 56.
') Zie art. 55 en het bijgevoegde vrijgeleide.
DE GROOTE STRIJD MET DE STATEN
VAN HOLLAND.
In 1621, toen Delft zijne overeenkomst met de Adven-
turers gesloten had, hadden de Hollandsche Staten daar
al eene vrij scherpe critiek op uitgeoefend, waarbij Rotterdam
niet achter was gebleven, maar nu, in 1635, nu Rotterdam
het gewaagd had een zelfde contract te sluiten als dat van
Delft, zonder zich zelfs te storen aan het reglement van de
Staten, nu barstte de storm eerst recht los. Immers, het
geval was van alle kanten anders, in alle opzichten meer
uitdagend. Vooreerst had Delft onderhandeld en gecontracteerd
vóórdat er een reglement van de Staten bestond, Rotterdam
deed het, nadat de Staten hunne afwijkende meening duidelijk
hadden uitgesproken. Ten tweede was Delft eene kleine,
achteruitgaande haven, Rotterdam daarentegen was zeer
gunstig gelegen en reeds zeer levendig en belangrijk, zoodat
een monopolie tienmaal gevaarlijker moest zijn.
Ten derde waren de Staten zelf in 1635 in geheel andere
omstandigheden dan 14 jaren vroeger, toen de nederlaag
van Oldenbarneveldt nog zoo versch in 't geheugen lag.
En eindelijk, ten vierde, behoefde men de Engelsche
regeering, die achter de Adventurers stond, nu veel minder
te ontzien dan in 1621.
De Hollandsche Staten konden en moesten zich dus nu
127
geheel anders laten gelden dan vroeger. Dit springt mis-
schien nog meer in 't oog, als men nagaat, dat Rotterdam
een der „kleine steden" was, in rang de zevende onder de
achttien stemhebbende, en dat zijn verdrag vooral de
belangen kon schaden van het machtige Amsterdam (naast
die van Haarlem, Leiden en andere draperiesteden), terwgl
Delft in de Staten in rang de vierde plaats bekleedde,
Delft, dat toch al zoo lang overhoop lag met de gelukkiger
nabuurstad, Delft, dat gloeide van schrijnende spijt over
het verlies van de Engelsche Court.
De storm begon weer met een adresbeweging, die reeds
een aanvang nam in den herfst van 1634. Het waren
echter, opmerkelijk genoeg, ditmaal niet de „satanische"
grossiers, die de spits afbeten, maar de lakenververs van
Amsterdam. Hieruit moet men opmaken, dat, al was het
plan van Cockayne mislukt, de Engelsche industrie
zich toch eenigszins in zijne richting had
ontwikkeld en dat de Adventurers zich
meer dan vroeger op den uitvoer van afge-
werkte goederen waren gaan toeleggen.
Groot was deze beweging der ververs evenwel nog niet ;
slechts zeven van hen hadden een adres opgesteld, te zamen
met zekeren Petrus den Lombart, wellicht een geldschieter.
Ze hadden zich hiermee natuurlijk gewend tot hunne stede-
lijke overheid, tot burgemeesteren en regeerders der stad
Amsterdam, want ze wisten dat die het best in staat waren
hunne klachten en wenschen verder te brengen naar de
Staten van Holland, 't Ging toenmaals volgens den regel :
„klagen bij de naaste autoriteit". De ververs dan betoogden,
dat hun vak achteruitgaande was wegens het invoeren der
Engelsche geverfde „couleure laeckenen" (de lakens van
andere dan zwarte kleur). En nu verwachtten ze zelfs, dat
de Adventurers zwarte geverfde lakens zouden laten
komen, want ze voerden in den laatsten tijd zeer donker-
gekleurde in, tegen den geest van het plakkaat van 1614.
128
De Amsterdamsche vertoogers vroegen nu, dat de stad in
de Staten zou aandringen op nieuwe maatregelen, want
anders zouden honderden tot armoe vervallen of weg trekken,
niet alleen ververs, maar ook anderen, b.v. de verfver-
koopers ').
In het begin van 1685, toen de onderhandelingen van
de Adventurers met Rotterdam ten einde liepen, begonnen
nu alle lakenbereiders van Amsterdam in 't geweer te
komen. Ze richtten zich tot hunne hoofdlieden, die het ver-
zoekschrift met betuiging van instemming doorzonden aan
burgemeesteren en regeerders van Amsterdam. Het stuk
herinnerde aan de klachten van de zeven ververs mitsgaders
den lombard, en dikte ze nog wat aan.
Het plakkaat van 1614 had alle gekleurde lakens ver-
boden, behalve de gemengde kleuren, „die toenmaals grof
van draet en daerom onaengenaem tot cledinghe waren" ;
maar de Engelschen brachten nu allerlei f ij n e geverfde
goederen binnen, tegen den geest van "t verbod, zoo b.v.
„Spaansche lakens, bereyde blancquetten, geverwde en ge-
vryseerde bayen" '). De onderteekenaars, ten getale van
104, allen gildebroeders van het lakenbereidersgilde, ver-
zochten nu, het daarheen te leiden, dat de gekleurde lakens,
van welke soort ook, niet anders dan onbereid (d. i. onge-
*) Een afschrift van dit adres is in 't archief van Rotterdam (bundel
Eng. en Schotsche Court). Opmerkelijk is, dat noch in dit request,
noch in het concordaat sprake is van het oprichten van nieuwe
ververyen te Rotterdam ten behoeve der Adventurers, zooals in de
onderhandelingen met Middelburg: dit bewijst misschien nader de
waarheid der klacht, dat de Engelschen meer geverfd laken invoerden
dan ze mochten.
^) Friseeren is het aanbrengen der kleine krulletjes op de baai.
De klachten, hier vermeld, wijzen ook weer op het streven van
Karel I, om de lakenindustrie in Engeland zoover op te voeren, dat
men enkel afgewerkt fabrikaat kon exporteeren, zooals reeds Cockayne
gewild had.
129
apprêteerd, onafgewerkt) zouden mogen binnenkomen en de
baai niet anders dan ongeverfd. Dan zou er ten minste hier
nog wat aan te verdienen zijn. ').
Eindelijk, even na de droogscheerders met hun aanhang,
kwamen ook de gevreesde grossiers, de lakenkoopers van
Amsterdam, met de bekende klachten en aanmerkingen. Zg
richtten nu hun aanval voornamelijk op het nieuwe privilege
van Karel I, dat in het Rotterdamsche concordaat als artikel
51 was opgenomen. Dit voorrecht zou, naar hun zeggen,
eenvoudig strekken tot „ruïne ende nadeel van den lande,
bederf van den particulieren handel op Engeland en — dit
kwam hier achteraan — bederf van de lakenbereiding in
Nederland. Het was te verwachten — zoo meenden de opstel-
lers — dat alle Engelsche manufacturen „tot cousens
inclusieve" door de Court te Rotterdam ontvangen en ver-
kocht zouden worden. Immers, de Engelsche importeurs
zouden daar allen moeten heentrekken en de Nederland-
sche zouden er het bijltje bij neer moeten leggen, daar zij
dubbele rechten te betalen hadden, eerst in Engeland bij
den uitvoer en dan hier bij den invoer, terwijl de Adventurers
maar eens betaalden. En die enkele betaling (bij den uitvoer
uit Engeland) bedroeg voor de Adventurers slechts 10 shillings
en 8 pence, voor den Nederlandschen koopman echter 22
shillings en 6 pence I Nog niet eens gerekend de mooie
gelegenheid, die de Engelschen Courtleden zouden hebben,
om allerlei andere goederen onder den naam van lakens
in te voeren tegen zeer laag tarief en daardoor nog sterker
te worden in de concurrentie. Om aan de overheid nog
eens goed duidelijk te maken, hoe weinig de Engelschen al
deze voorrechten verdienden, werd eindelijk ook gewezen
op de manieren, die men in Engeland zelf volgde tegenover
de Nederlanders. Aan voorrechten dacht men daar niet, wèl
'j Afschrift ook van dit request in 't Rott. archief (bundel Eng. en
Schotsche Court).
9
130
aan allerlei hinder en last ; zoo bestonden reeds toen allerlei
verbodsbepalingen tegen den uitvoer van wol en andere
grondstoffen '), die duidelijk wezen op de bedoeling der
Engelschen, om onze lakennering, die „nu in veel steden
van Hollandt wel de principaelste neringe tot verryckinge
van 't landt gehouden werf, in den grond te boren.
De lakenkoopers verlangden nu, als tegenwicht tegen het
Engelsche gevaar, dat ieder, die van de Engelsche Court-
leden wollen goederen kocht, alsnog aan de overheid zooveel
tollen en rechten zou betalen, als de korting bedroeg, die
de Fellows zelf genoten hadden, met andere woorden : men
zou hier de lasten ei' weer opleggen, die er in Engeland
waren afgenomen. En hun tweede wensch was, dat de
ingezetenen van de Nederlanden alle goederen vrij en onge-
hinderd zouden mogen verkoopen of verzenden. (Dit doelde
waarschijnlijk op het 33e artikel van 't Rotterdamsche
concordaat, waarbij aan de Adventurers de bevoegdheid
Averd gegeven, een Hollandschen koopman den eed af te
vorderen, dat hij bij den invoer van Engelsche wollen
goederen niet handelde in opdracht van een Entrelooper) ').
Al de genoemde verzoekschriften vonden hun weg naar
de heeren van Amsterdam en vandaar naar de Staten van
Holland, hetgeen blijkt uit het feit, dat het Rotterdamsche
archief ze in afschrift bezit. Rotterdam lieeft er in de
Staten kennis van gekregen en ze laten copiëeren.
Maar de Amsterdamsche grossiers lieten het hierbij niet;
hunne hoofdmannen stelden zich, evenals vroeger, in ver-
binding met „die van de laekenneringe uyt andere steden"
en berichtten den 12en Februari 1635 (dus acht dagen na
de sluiting van het Rotterdamsche concordaat) aan de
') Een bewgs dat deze di-akonische maatregelen niet eerst dateeren
van de regeering van Willem III, zooals wel vaak gedacht wordt,
ofschoon ze toen pas voor 't eerst met kracht schijnen te zijn uitgevoerd.
^) Afschrift ook van dit adres in 't Rott. archief (bundel ,Eng. en
Schotsche Court").
131
regeering van Amsterdam, dat ze gezamenlijk naar den Haag
wilden trekken, om bij de Staten van Holland zelf te
protesteeren. Ze verzochten daarbij alsnog den machtigen
steun van hmme stadsbestuurders. Een protestraeeting en
protestoptocht dus in de 17e eeuw.
De algemeene „Remonstrantie", die zij bij die gelegenheid
aanboden, was nog wat scherper en uitvoeriger dan de
bovengenoemde verzoekschriften. Ze beweerde o. a., dat de
„Spaansche lakens" pas bekend geworden waren n a het
plakkaat van 1614, dat ze kant en klaar ,cleyn van gespin,
fijn van draet" werden ingevoerd in alle kleuren, zonder
eenige rechten, en dat ze zelfs verkocht werden (de oude
klacht) aan particulieren in 't klein. De gevolgen daar-
van waren, niettegenstaande het reglement der Staten van
1621, zeer duidelijk gebleken, want sedert den tijd toen de
Adventurers voor 't eerst in Holland waren gekomen, hadden
meest alle winkeliers veel minder in de consumptie (de
accynzen) betaald dan vroeger. Er waren zelfs „uytsnijders",
die maar de vijfde part meer opbrachten van voorheen !
De Remonstrantie drong dan ook in "t bijzonder op
handhaving van genoemd reglement aan en verzocht tevens,
dat het nog zou worden uitgebreid, zóó dat de Engelsche
Court de Entreloopers niet kon dwingen, zich te Rotterdam
onder hare vleugelen te vestigen.
Hunne Edel Groot Mogenden namen het groote adres
genadig aan en gaven het aan eene commissie van onder-
zoek, die reeds den 17en Februari rapport uitbracht, gunstig
voor de requestranten. Daarop besloot de vergadering dadelijk
aan 't werk te gaan, om het reglement van 1621 uit te
breiden „met eenige nieuwe poincten tot wechneminge
van verscheyden inconvenienten, den voorschreven handel
raeckende" ').
Daarmee zou men zoo denken, dat de zaak beslist was.
') Resol. van Holland 19 Februari 1635.
132
Maar neen, zoo gauw liet de stad Rotterdam zich niet uit
het veld slaan, evenmin als Delft dat gedaan had ; zij had
nu eenmaal de Engelsche Court en zij zou de rechten van
het concordaat verdedigen, al was 't ook tegen de Edel
Mogende Staten van Holland en West-Friesland.
Rotterdam begon met copie te vragen van de „deductie"
der lakenkoopers, ,om deselve te communieeren daer 't
behoort ende daerna verder gedaen te worden ten meesten
dienste van den lande" (!) Ook Hoorn verlangde zoo'n
afschrift, maar 't is me niet gebleken waarom ; misschien
heeft Rotterdam die stad op sleeptouw genomen, om niet
alleen te staan ').
Reeds den len Maart hielden de Rotterdamsche afge-
vaardigden hun tegenvertoog tegen de deductie, dat natuurlijk
nog al lang uitviel en daarom schriftelijk moest worden
ingediend binnen eenige dagen.
Om nu nog eene derde party te hooren, werd ook
besloten den agent van den Koning van Groot-Brittanje,
Bothwell, „morgen 2 Maart" toe te laten in de Staten-
vergadering, om daar de belangen van Engeland en de
Adventurers te bepleiten '").
Tot zoover ging alles nog heel kalm en netjes, en het
zou misschien Rotterdam en zijnen Engelschen vrienden met
vereende krachten nog wel gelukt zijn, het Statenbesluit
wat te temperen, indien de Adventurers in hun ongeduld
het spel niet bedorven hadden.
Deze heeren, nog nauwelijks in hun nieuwe kwartier
gevestigd en nog niet eens zeker van hunne positie aldaar,
hadden zich reeds in postuur gesteld tegen de Entreloopers,
die zich om het mooie nieuwe privilege van Koning Karel I
') De lakenkoopers van Hoorn hadden trouwens ook Delft gesteund
in 1621, nevens die van Haarlem, Leiden, Enkhuizen, Medemblik en
Edani. Rotterdam had dus heelwat minder steun.
2j Resolutiën van Holland, \ Maart 1635.
133
evenmin bekreunden als om de vroegere koninkl^ke voorschrif-
ten en niet de minste aanstalten maakten om naar Rotterdam te
verhuizen. Toen nu voor sommige dier onwilligen, te Amster-
dam woonachtig, Engelsche manufacturen aankwamen te
Rotterdam (zooals zeker in vorige jaren de gewoonte geweest
was), nam de Courtmeester dit op als eene grove brutaliteit
en liet alles in beslag nemen met de gewillige hulp
der Rotterdamsche politie en justitie. Maar de Entreloopers,
dit vernemende, wendden zich als ingezetenen der vermaarde
stad Amsterdam, onmiddellijk tot hunne burgemeesteren en
regeerders en zoo kwam het, dat die op den 8eo Maart 1635
de Rotterdammers met „groote vehementie" op het lijf vielen '),
„Ze hadden vernomen," zoo bromden ze op schamperen
toon, „dat er beslag was gelegd op verscheiden goederen,
toekomende aan ingezetenen van Amsterdam, omdat die
subject zouden zijn aan de Court van de Merchant Adven-
turers, jegenwoordelijk, zoo de Heeren van Rotter-
dam verklaren, residentie hebbende binnen hare stadt,
wat beide wordt ontkend."
En de Staten, nu ook verontwaardigd, namen dadelijk
eene scherpe resolutie : al de gearresteerde goederen moesten
onmiddellijk wurden losgelaten, „kosteloos ende schadeloos" ;
Rotterdam moest nog denzelfden namiddag zijne schriftelijke
weerlegging der bezwaren van de lakenkoopers inleveren,
en eindelijk — Rotterdam moest zijn volledig concordaat
miet de Adventurers aan de goedkeuring der Sta-
tenvergadering onderwerpen").
Toen twee dagen later Amsterdam vroeg, of het beslag
al opgeheven was, antwoordden de Rotterdamsche heeren
zeer naïef, „dat ze daeraf nog geen wetenschap hadden" ^).
Maar de Staten verklaarden kort en bondig, dat, als
') Resol. van de Rott. vroedschap 10 Maart 1635.
») Resol. van Holland en W.-Friesl. 8 Maart 1635.
«) id. 10 Maart 1685.
134
Kotterdam er niet voor zorgde, de Gecommitteerde Raden
zouden komen, om de goederen te ontslaan, en dat de
Adventurers hun handel niet mochten beginnen, zelfs geen
toondagen houden, zoolang hun concordaat niet door de
Staten was goedgekeurd.
Daarop schynt het beslag te zijn opgeheven, want men
hoort er niet meer van spreken, maar in de vertooning van
het concordaat toonden de Rotterdammers weinig lust.
Wel hadden ze, zooals we weten, in 1621 met alle macht
aangedrongen, dat Delft zijne overeenkomst met de Ad-
venturers zou voorleggen aan de Staten, maar, nu 't hun
eigen beurt was, waren ze zich van die verplichting in 't
minst niet meer bewust. Delft evenwel herinnerde zich deze
noodzakelijkheid nu bijzonder goed en Amsterdam bleef
natuurlijk ook aandringen, zoodat de Staten niet loslieten.
Aan dwangmiddelen ontbrak het niet. Den 22*^" Maart,
toen de aanstaande belasting verpachting ter sprake kwam,
werd uitdrukkelijk bepaald, dat te Rotterdam geen enkele
vrijdom van provinciale accijnzen zou erkend worden, als de
stad niet vooraf het concordaat vertoond had '). Het was
blijkbaar uitgelekt, dat aan de Adventurers zulke kwijt-
scheldingen beloofd waren.
Toen op den volgenden dag, den 23eo, de stad Rotterdam
goedkeuring kwam vragen van hare reglementen op de nieuwe
kamer van assurantie en op de nog te stichten wisselbank,
was het antwoord : „exhibeer eerst de ontwerpreglementen
en ^ het concordaat met de Engelschen."
Maar nog exhibeerde Rotterdam niets, dan alleen uit-
vluchten. Ja, het dorst zelfs nog de Staten openlijk te
weerstreven. Toen de provinciale commissarissen in de stad
kwamen voor de verpachting der accijnzen of gemeene
middelen, waren de burgemeesteren brutaal genoeg, om toch
den vrijdom voor de Engelsche Court te proclameeren als
') Res. van Holl. 22 Maart 1635.
13é
een der voorwaarden voor de pachters. En ze trachtten dit
goed te praten met de bewering, dat de Staten alleen had-
den verklaard, dat men goede notitie moest nemen van 't
geen aan de Court geleverd werd aan dranken, enz., in
afwachting van de beslissing over de verdere behandeling.
Maar de Staten logenstraften onmiddellijk die bewering, door
te gelasten, dat de Engelschen moesten beginnen met
te betalen, totdat zij, de Staten hun besluit zouden
genomen hebben. En — onvermoeid, onverzettelijk als
voorheen de oude Cato - voegden ze hieraan toe : „en
Rotterdam moet zijn concordaat vertoonen" ').
Toen herinnerden de Rotterdammers zich de gedragslijn
van Delft in 1621, en waagden een zijsprong: „wij zijn
tevreden, als we ons hierin mogen gedragen als Delft in
1621 ; we willen het concordaat vertoonen aan den Prins
en aan eene commissie, door hem te kiezen uit de Staten ;
dan kunnen die weer rapporten uitbrengen aan de verga-
dering over 't geen de provincie mocht betreffen." Doch de
Staten waren nu voor dien uitweg niet meer te vinden ; ze
weigerden en eindigden alweer met het refrein : „exhibeer
uw geheele contract"')! En, om den ernst hunner bedoeling
nog wat duidelijker te doen uitkomen, gaven ze de ordon-
nantie op de Rotterdamsche wisselbank in handen eener
commissie, bestaande uit de heeren van Delft, Amster-
dam en Hoorn, terwijl het reglement der kamer van
assurantie naar het Hof van Holland gezonden werd om
advies ^).
Dat hielp. Den len April 1635 legde de regeering van
Rotterdam het hoofd in den schoot, en den 2eii April kwamen
hare afgevaardigden in de Staten met de deemoedige woorden :
„we willen gaen met correspondentie en tot contentement
') Res. van Holl. 26 Maart 1635.
»j Res. van Holl. 27 Maart 1635,
») Idem 28 Maart.
136
van Hare Edel Groot Mogenden" '). Ze brachten het con-
cordaat mee en legden het ter tafel. De ontvangst was
natuurlijk niet al te best; „niet veel vehenentie, " om te
spreken met het verslag der llotterdamsche afgevaardigden
zelf, „werd het concordaet tegengegaan" ').
Het waren vooral de grieven der grossiers, die weer op
den voorgrond werden gezet, daar Amsterdam natuurlijk
het hoogste woord had. Men klaagde dus bijzonder over
artikel 51, dat de Entreloopers binnen Rotterdam wilde
trekken volgens het plakkaat van Karel I, dat zelfs met
de straffen der beruchte Sterrekamer of Koninklijke rechtbank
dreigde. En verder over het opnemen van meer artikelen
onder de Courtwaren dan bij de vroegere octrooien was bepaald.
Nu was dat artikel 51 voor Rotterdam en voor de Adven-
turers het mooiste van allen ; het was immers het lokaas
geweest, waarvoor de Rotterdamsche regeerders niet minder
dan ƒ 60000 hadden over gehad, ten behoeve van den Engel-
schen groot-tresaurier. En daarbij werd het nog gerugsteund
door de autoriteit van den Koning van Engeland en van de
Staten-Generaal. Men zou dus zoo denken, dat bet met hand
en tand zou verdedigd zijn. En toch — het tegendeel ge-
beurde: de eisch was nauwelijks gesteld, of hij werd ook
ingewilligd '). Is Rotterdam eenmaal aan het toegeven, op
dien weg dadelijk voortgehold, of heeft het zgne onmacht
in dezen dadelijk ingezien ? Heeft het misschien gedacht :
„Delft en Middelburg hebben die bepaling ook gehad en toch
de Entreloopers niet kunnen dwingen?" — Genoeg, het
artikel werd prijsgegeven: „de Engelsche Koning moest dit
punt maar uitmaken met de Staten-Generaal." Met artikel
51 verviel natuurlijk in de oogen der Amsterdammers tegelijk
het vermeende recht der Engelsche Court, om goederen van
') Res. van Holi. 1 April 1635.
=) Rott. vroedschaijsresol. 1 April 163-5.
") Rott. vroedschapsresolutiën 1 April 1635. Resol van Holland
2 April 1685.
137
Entreloopers in beslag te nemen. We zullen evenwel later
zien, dat de Adventurers nog niet van deze nieening waren.
Indien de Rotterdammers gedacht hebben met hunne
toegevendheid iets te winnen, zijn ze bedrogen uitgekomen.
Nu het concordaat er eenmaal was, wilden de Staten het
ook grondig onderzoeken en ze benoemden daarvoor eene
commissie, bestaande uit de heeren afgevaardigden van
Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam en Alkmaar, allen be-
langhebbenden bij den lakenhandel en de lakenindustrie ').
Maar het liep onderwijl tegen Paschen, en de zitting der
Staten moest weldra gesloten worden ; daarvan kon de
commissie, wegens de kortheid des tijds en de „prolixiteyt
(lengte) van den instrumente " voorloopig haar rapport nog
niet opmaken '). Zelfs tegen het einde van April bij de
opening der nieuwe zitting, was zij nog niet gereed. En
onderwijl zaten de Adventurers al bijna drie maanden lang
met gesloten pakhuizen op de Korte Hoogstraat te Rotterdam,
uitziende naar den Haag, of er nog niets komen zou !
Natuurlijk zochten ze naar middelen, om aan deze ge-
dwongen werkeloosheid een einde te maken ; ze wendden
zich o. a. tot hun aangewezen beschermer den gezant
Bothwell, en deze drong „in hoffelijke en niettemin ernstige
termen" bij de Staten aan op verlof tot opening der maga-
zijnen. De heeren van Rotterdam steunden dit verzoek met
een beroep op Delft in 1621, waar ten minste voorloopig
verlof gegeven was. Ze haalden hierbij met grooten nadruk
en diepen ernst aan, „hoe dat den Resident van syne
Majesteyt van Groot-Brittanniën sich geheel qualyck was
gelatende ende van wegen syne welgemelte Majesteyt ooghlyck
obsterende, van dat de Marchants Adventuriers binnen de
stadt Rotterdam werden belet hare packhuyzen te openen
') Zie Dr. C. te Lintum ,de Textielindustrie in Oud- Rotterdam",
Rott. jaarboekje 1900, blz. 34.
») Res. van HoU. 5 April 1635.
138
ende haren handel te dry ven, daer nochtans aen Entreloopers
ende andere sulks sonder contradictie wert toegestaen. "
Alles vergeefs: het antwoord luidde onveranderlyk : „wach-
ten op de commissie" '). Eindelijk, eenigszins onder den
drang van Bothwell's jammerklachten bij de Staten-Generaal
kwam den 2en Mei het lang verwachte rapport in, maar
het was zoo uitvoerig en zoo vol aanmerkingen, dat Rotter-
dam — nu zelf uitstel vroeg, om copie te nemen en , morgen"
zijne aanmerkingen in te dienen. Doch de andere steden
maakten ook hunne aanmerkingen, en nu moest de com-
missie weer een n i e u w rapport opstellen over de „consi-
deratiën en de contra-consideratiën." Zoo verliepen weer
14 kostbare dagen, die de arme Adventurers moesten door-
brengen achter hunne gesloten deuren, al verklaarde ook
Bothwell aan de Staten-Generaal, dat het verbod van opening
was „tegens het recht aller volken, tegens het publicq
Gelove ende tegens de geoctroyeerde traktaten" ").
Rotterdam verzocht nu, ten einde raad, zelf te worden
toegelaten in de vergadering der Commissie ; dan zouden
daar de meeste geschilpunten kunnen worden beslecht en
de overblijvende zouden „met luttel beslaghs" door de vol-
ledige Statenvergadering kunnen worden afgehandeld ').
Dit middel bracht ten minste eenigen voortgang: men
werd het eens over alle punten op zes na. Van deze
zes werden er door de Staten zelf op den 24en Mei 1635
drie beslist, zoodat er nog maar drie struikelblokken over-
bleven ; het waren : de eigen civiele rechtspraak,
(art. 12) de milde behandeling der smokkelaars (art. 28)
en het recht der Adventurers om beslag te leggen op
goederen, die vermoedelijk voor Entreloopers bestemd waren,
(art. 33) *).
>) Res. van Holland 28 April 1635.
"■) id. 8 Mei 1635.
8) Res. van Holl. 18 Mei 1635.
*) id. 23 en 24 Mei 1635.
139
En ofschoon dit lang geen kleinigheden waren, liet men
ze voorloopig rusten, „om later nogmaels finaellyck behan-
delt te worden," zonder dat evenwel de Adventurers langer
met de opening hunner pakhuizen behoefden te wachten.
't Had trouwens lang genoeg geduurd: bijna vier maan-
den waren verloopen sedert de sluiting van het concordaat.
En wat had men na al dat gesukkel bereikt? Dat de
hoofdpunten, waaraan zoowel de Adventurers als de stad
Rotterdam het meest hechtten, of geheel teloor gegaan of
wel uitgesteld waren, ook zelfs diegene, die door de Staten-
Generaal in 1598 en '99 waren vastgesteld.
Nergens had de Court tot dusver zoo'n slecht contract
gehad. Er bleef nu nog maar één weg tot beter voor-
waarden : requestreeren bij de Staten-Generaal. Dit werd
gedaan en wel weer langs den diplomatieken weg ; Bothwell
kwam nog eens weer officieel vanwege den Koning aan-
dringen op handhaving der oude verdragen ; de Staten-
Generaal konden wel niet anders dan hunne medewerking
beloven en zonden een brief aan de Staten van Holland,
dat ze toch, samengaande met de andere provinciën, het
traktaat van 1598 zouden uitvoeren, „om niet in ongelegen-
heyt te vallen met den Koning van Engelandt" '). Maar de
Edel Groot Mogende Heeren van Holland stoorden zich
ook hieraan niet veel : ze wisten te goed, dat de Engelsche
Koning zelf te veel in ongelegenheid was, om anderen
veel last te bezorgen, en, wat de Hoog Mogende Heeren
Staten-Generaal betrof, daarvoor hadden ze lang niet meer
den eerbied als in de dagen van Prins Maurits, in 1621.
Ze ontzagen zich dan ook niet een antwoord te geven
aan die „Hoog Mogenden", dat, zoo niet onbeleefd, dan
toch een beetje spotachtig klonk. „De bedoeling van Holland
was in 't geheel niet geweest, de oude privilegiën in te
korten, maar alleen — het reglement van de Engelsche
') Res. van Holland, 25 Juli 1635.
140
Court te dresseeren ten meesten dienste van den lande" ').
Zoover men kan nagaan, hebben de Staten-Generaal en
de Engelsche Koning en alle anderen zich moeten neer-
leggen bij deze , dresseering" ; Holland, in 't bijzonder de
stad Amsterdam, bleef meester van het terrein. Het eenige
punt, dat nog achterna toegestaan werd, was dat omtrent
de smokkelaars, de twee andere, die nog hangende gebleven
waren, vielen uit tegen den zin der Adventurers en
hunne vrienden.
De regeerders van Rotterdam en de Courtmeester kregen
dus hun concordaat zeer gehavend terug (3 Juli 1635) ;
mede ingesloten waren het plakkaat van Holland van 1614
(tegen den invoer van Engelsche geverfde lakens), het
reglement van 1621, „gereno veert en geamplieert" en verder
alle besluiten, door de Staten op dit punt genomen. In
een begeleidend schrijven werd minzaam verklaard, dat de
Court zes maanden tijd had, om zich naar dit alles
te regelen en anders heen moest gaan uit de provincie ").
In 't bovenstaande is alleen vermeld datgene, dat in de
Statenvergadering zelf over het concordaat besloten is, met
het vele andere, dat reeds in de commissie tevoren was
afgehandeld. Gelukkig is echter de regeeriug van Rotterdam
zoo goed geweest, zich een volledig afschrift van het con-
cordaat te verschaffen, zooals het door de Staten was
geredresseerd en dit stuk berust nog in 't archief *). Het
is dus mogelijk precies na te gaan, wat er van de overeen-
komst is overgebleven.
Behalve het mooie artikel 5 1 zijn nog v ij f andere artikelen
geheel geschrapt, zoodat er maar een getal van 51 overbleef.
Vooreerst zijn vervallen : art. 29, 31 en 32, waarbg
Rotterdam had beloofd, aan de Adventurers het monopolie
') Res. van Holland 27 Juli 1635.
^) Res. van Holland 3 Juli 1635.
*) Bundel; Engelsche en Schotsche Court.
141
te bezorgen van allen Engelschen invoer (behalve levens-
middelen) en van het transport daarvan.
Verder was artikel 54 geschrapt, dat de keuring of den
tarra van alle Engelsche lakens binnen Rotterdam
voorschreef, en dat trouwens, zooals wij weten, brutaal
genoeg, tegen het octrooi van de Staten-Generaal indruischte.
Eindelijk vond men ook artikel 50 niet meer terug,
waarbij de Adventurers aan Rotterdam de voorkeur hadden
beloofd bij den inkoop hunner retourwaren.
Wat bleef er dus van het monopolie over? Niets anders
dan wat Rotterdam zelf kon geven, namelijk het monopolie
voor den invoer van courtwaren ten behoeve van
Rotterdam. Van dien invoer waren alle Engelschen
buiten de Court uitgesloten. Maar nu restte de vraag :
„wat zijn courtwaren?" In het plakkaat van Karel I
waren als zoodanig aangewezen alle manufacturen, in 't
octrooi van de Staten-Generaal alleen laken, karsaai en
baai, in het oorspronkelijke concordaat met Rotterdam niet
minder dan alle Engelsche coopmanschappen (behalve levens-
middelen). En de Staten van Holland wilden niet anders
erkennen dan witte lakenen').
Over den term courtwaren is dan ook nog verder
gestreden, eenige jaren lang en ten slotte werden de witte
lakens en karsaaien er door alle partijen onder gerekend,
maar de baaien bleven twijfelachtig.
In de godsdienstkwestie toonden de Staten zich vrijzinniger
dan de Adventurers ; zij schrapten o. a. het verbod van alle
Engelsche kerken te Rotterdam, eene verandering, waarover
zeker de Rotterdammers zelf niet ontevreden zullen ge-
weest zijn.
Ten opzichte van den vrijdom van convooien hadden de
Staten zich niet eens gehouden aan het octrooi van 1598,
dat de lakens en carsaaien als courtwaren vrijstelde, nog
') Volgens eene klacht der Adventurers in 1637. (Zie beneden).
142
veel minder aan het besluit van 1599, dat op aandrang van
Zeeland genomen was omtrent vrijdom van baai. Alleen de
witte lakens zouden vrij zijn.
De ontheffing van accijnzen op wijn, bier en andere
„huyshoudende provisie", waarover reeds zooveel te doen
geweest was, had men niet geheel geschrapt, maar beperkt
tot de gemeene tafel en de huizen der officieren, te weten
Courtmeester, predikant, tresaurier en secretaris, zoodat de
stad Rotterdam, om hare belofte te houden, jaarlijks heel
wat accijns bij te passen had.
De civiele rechtspraak van gouverneur en assistenten was
evenmin opgeheven, maar wel streng beperkt tot de leden
en de suppoosten van de Court, zoodat alle andere Engel-
schen, ook die nog binnen Rotterdam woonden, er buiten
vielen. Daarentegen had men echter artikel 13 onaangeroerd
gelaten, zoodat een Adventurer, als hij burger werd van
Rotterdam, toch onder de Engelsche rechtbank bleef.
De faciliteiten, die verder op rechterlijk gebied verleend
waren, had men ook niet geheel met rust gelaten ; zoo was
o. a. voor het maken van contracten en akten de voor-
waarde gesteld, dat ze niet in strijd mochten zijn met de
bestaande wetten en plakkaten, voorwaarde, die trouwens
op zeer verschillende plaatsen van het concordaat met of
zonder noodzakelijkheid ingevoegd was.
De merkwaardigste toevoeging had artikel 18 gekregen,
waarin Rotterdam beloofde, alle moeite te doen, om te ver-
krijgen, dat de „sententien, ordonnantien en statuten der
Court in geheel Holland geldig zouden worden en dat de
officieren van justitie, etc. zouden medewerken tot de uit-
voering ; hierachter was namelgk heel lakoniek gezet :
„behoudens het recht om dat te mogen wey geren !"
De overige punten mogen we stilzwijgend voorbijgaan ;
alleen zij nog vermeld, dat aan 't eind de Staten ook nog
hun merk hadden gedrukt op de overgangsbepalingen. Het
„expliceeren ende uytleggen" van het verdrag, dat Rotterdam
143
zich had voorbehouden m art. 56, werd alleen toegestaan,
,soo veele als het de stadt aanging, blyvende de verdere
der gemeenen lande concernerende artikelen tot dispositie
ende interpretatie van de Heeren Staten van Holland ende
West Friesland." Evenzoo de aanvulling, bedoeld in het
laatste artikel (57).
DE „GOEDE" JAREN VAN "T VERBLIJF TE
ROTTERDAM.
Door de beslissing der Staten werd de vreugde der bin-
nenkomst te Rotterdam voor geen klein deel bedorven. Al
namen zich de Rotterdammers en de Courtleden beiden heilig
voor, aan de eischen van Holland zoo weinig mogelijk te
voldoen, ze konden er toch lang niet geheel aan ontkomen
en moesten er schade door ondervinden. Het ergste was
misschien nog, dat hun onderlinge verhouding er ook onder
leed, daar men niet naliet, de schuld op elkaar te werpen.
De stukken, die in 't Rotterdamsch archief overgebleven zijn
over het 17-jarig doorloopend verblijf der Adventurers,
bieden daarom geen vroolijke lectuur en men vraagt zich
na lezing verwonderd af: „hoe is 't mogelijk, dat de Court
er zoo lang gebleven is?" En toch is het een feit, dat de
Adventurers na afloop van hun 15-jarig contract met aan-
drang om verlenging hebben gevraagd en dat de stad
Rotterdam na den eersten Engelschen oorlog veel moeite
heeft gedaan, om de Engelsche gasten weer te krijgen. Er
moeten dus voordeden van beteekenis behaald zijn, en, aan-
gezien de jaren na 1642, d. i. na de uitbarsting der Engelsche
revolutie, niet goed kunnen geweest zijn, moeten de
jaren daarvoor, die van 1635 — 42, wel beschouwd worden
als een soort van zeven vette jaren. Dat de papieren
dit niet uitwijzen, behoeft niemand te verwonderen ; de
145
handelsboeken zijn, zooals reeds vermeld is, waarschijnlijk
verloren gegaan en voor 't overige is alleen geschreven en
gewreven over minder aangename ervaringen en kwesties,
terwijl de aangename dingen, in 't bijzonder de winsten,
genoten zijn in stilte, zonder er veel van aan 't papier toe
te vertrouwen. Men moet buitendien hierbij ook niet ver-
geten, dat in de 17e eeuw, toen de staatsbemoeiing overal
in de lucht zat als iets vanzelfsprekends, de handel aan
kwesties en geschillen gewoon was en er zich a. h. w. op
had ingericht (evenals heden in de Levant, China, enz.).
Wanneer er eens geen oorlog, geen burgertwist en geen
grove geschilpunten met de eene of andere regeering waren,
dan zorgde de koopman door geweldige winsten zijn slag
te slaan, zoodat hij naderhand een stootje verdragen kon.
In 't bijzonder moet dit waar geweest zijn voor de Adven-
turers, die in hun eigen land een tijd van voortdurende
spanning doorleefden en daarbij nog te rekenen hadden
met de Duinkerker kapers en met de voortdurende onaan-
genaamheden tusschen Engeland en de Nederlandsche Repu-
bliek. Nog daargelaten de vreeselijke oorlog in Duitschland,
die wel hoofdzakelijk den Hamburgschen stapel benadeeld
zal hebben, maar toch ook niet zonder invloed kan gebleven
zijn op den handel te Rotterdam, daar de Rijnstreken van
daaruit bediend werden.
Directe bewijzen van den voorspoed der „zeven vette
jaren" hebben wij te Rotterdam niet kunnen vinden ; in
geen enkel stuk wordt zelfs maar in 't algemeen vermeld,
hoe groot de invoer ongeveer was. Een zijdelingsch bewijs
is evenwel het feit, dat onder al de aanvragen om cessie
(uitstel van betaling), die uit Rotterdam bij den Hoogen
Raad van Holland, Zeeland en Friesland inkwamen, er vóór
1644 geen enkele is van een Engelschman ').
') Zie Missiven aan Burgemeesteren, in het Rott- stadsarchief,
waarin telkens aanvragen om inlichtingen voorkomen omtrent personen,
die uitstel van betaling gevraagd hebben.
10
U6
Bij de klachten, die van de Adventurers te Rotterdam
zijn uitgegaan, vindt men er bijna geene over de in-
en uitvoerrechten, hetgeen wel beteekenen zal, dat ze
die op groote schaal ontdoken hebben, zooals toen trouwens
algemeen de mode was. De admiraliteit van de Maze, die
haar hoofdkantoor te Rotterdam had, is historisch nog
niet voldoende beschreven ; maar dit weet men toch wel,
dat een onderzoek in 't begin der 17e eeuw eene alge-
meene deelneming aan knoeierij bij de ambtenaren aan 't
^icht bracht en dat betrekkelijk weinige jaren later de
toestand "alweer zóó was, dat gansche schepen met koop-
waren werden binnengesmokkeld '). Dit mag voor de Adven-
turers een reden geweest zijn om te zwggen, ofschoon
hun positie er niet in alle opzichten beter door werd ; immers,
hunne concurrenten, de Hollandsche importeurs van wollen
manufacturen, wisten er ook gebruik van te maken en
vonden daardoor gelegenheid, om tegen de Courtleden te
concurreeren ook met de eigenlijke courtwaren, 't geen
anders niet mogelijk geweest zou zijn.
Daarentegen zijn de Adventurers altijd door blijven vechten
en requestreeren tegen de gehate Entreloopers te Amsterdam
en hebben ze zelfs, waar hunne klachten niet hielpen, tot
geweld hunne toevlucht genomen op alle mogelijke wijzen.
Reeds in 't begin van 1635 had de Courtmeester — gelijk
we zagen — goederen van Entreloopers in beslag genomen,
en, al hadden de Staten van Holland dit doen opheffen en
eene herhaling verboden, de Courtmeester probeerde het
telkens opnieuw. Hij kon dit doen, doordat de bedoelde
heeren nog al eens goederen over Rotterdam invoerden, al
was het meestal op naam van een ander. In den herfst
van 1635, zeer kort na het gehaspel met de Staten, be-
klaagde zich zekere Mr. Victorin te Amsterdam over twee
pakken Engelsch laken, die op verzoek van den Courtmeester
') Zie Pringsheim, „Beitrage zur Wirtschaftsgesch. der Niederl.
147
te Rotterdam door den baljuw (officier van justitie) waren
opgehouden '). De stad Amsterdam bracht dit zonder dralen
in de Staten van Holland en schijnt ook al spoedig de
loslatiug verkregen te hebben, met schadevergoeding aan
Mr. Victorin. Er wordt ten minste niet verder over gespro-
ken, noch in de Staten, noch in de Rotterdamsche vroed-
schap "').
Maar in 1637 kwam een nieuw geval voor, dat meer
voeten in de aarde had en tot wonderlijke verwikkelingen
leidde. Ditmaal had de baljuw Dullaert eenige gebreide
goederen (dus geen courtwaren), alweer bestemd voor Am-
sterdamsche Entreloopers, in beslag genomen en bij den
Courtmeester gebracht. AVederom klaagde Amsterdam in de
Statenvergadering en deze schreef den baljuw aan, dat hij
onmiddellijk de goederen moest vrijlaten, daar „de arrestatie
Avas tegens den loop ende cours van de negotie". De baljuw,
oneerbiedig genoegd), liet in 11 dagen niets van zich hooren
, wegens ambtsbezigheden" en vroeg toen zeer naïef aan de
Staten, hoe hij doen moest. Hij had de pakken aangehouden
volgens het plakkaat der Staten-Generaal van 1631 tegen
de Entreloopers. Moest hij ze nu ontslaan zonder de pas-
poorten te ontvangen, die volgens dat plakkaat voor zulke
goederen vereischt waren en zonder dat door den geadresseerde
') Het request van Victorin is in originali aanwezig in het Rott.
archief (bundel Eng. Court).
*) Ook niet in de Missiven aan Burgemeesteren, 't geen misschien
nog meer zegt.
^) Deze correspondentie is in het archief , bundel Eng. en Schotsche
Court.
Dat de baljuw van Rotterdam zoo'n brutale houding dorst aan te
nemen tegen de provinciale regeering, van wie hij eigenlijk van ouds
de dienaar was geweest, vindt zijne verklaring hierin, dat de stad
Rotterdam in 1576 dit baljuwschap had gekocht van de Staten en
dus nu zelf den baljuw aanstelde. / 16000 had de stad betaald voor
dit baljuwschap en dat van Schieland. (Zie Unger , Regeering van
Rotterdam").
148
te Rotterdam de eed was gedaan, die ook in dat plakkaat
werd gevergd, namelijk de eed, dat de goederen niet
voor Engelschen waren bestemd ? !
De baljuw deed dus mee aan bet kunstje, om de autoriteit
der Staten-Generaal uit te spelen tegen de Staten van
Holland. Maar 't hielp hem niet veel ; twee dagen na dato
verscheen bij hem de pensionaris van Amsterdam, Boreel,
met eene nieuwe aanschrijving, waarbij den baljuw gelast
werd, voor Gecommitteerde Raden in den Haag te komen.
Hij verscheen, maar liet zich ook daar, in die hooge ver-
gadering, nog niet afschrikken en verkondigde, dat ze
„hierinne niet feytelick kon gaen" wegens het genoemde
plakkaat. Gecommitteerden spraken dit niet direct tegen en
lieten den baljuw weer trekken, maar — ze zonden dadelijk
bericht van zijn onwillige houding aan de regeering
van Amsterdam, met de boodschap, dat ze zich zelf moesten
zien te redden. Hierop wisten de , koningen van het IJ"
wel raad ; ze schreven niet meer en ze vroegen niet meer,
maar ze tastten door, met représaille-maatregelen van zeer
bijzonderen aard en van snelle werking.
Den 5en November 1637 was de brief van Gecommitteerde
Raden te Amsterdam aangekomen en reeds den 9en daaraan-
volgende verschenen bij den Rotterdamschen baljuw — de
Rotterdamsche bierbrouwers met den eisch, dat hij
de aangehaalde goederen zou loslaten. Ze hadden ver-
nomen, dat de Rotterdamsche regeering eenvoudig beslag
had gelegd op alle gelden, die zij, brouwers, bij hunne
bierstekers (tappers-klanten) hadden uitstaan en dat ze
daarenboven tegelijk allen invoer van Rotterdamsche bieren
verboden had ^).
Wel een paardemiddel, die représaille? Een middel, dat,
zooals gewoonlijk, personen trof, die met de geheele kwestie
') De insinuatie van de brouwers aan den baljuw is in 't archief
(bundel Eng. en Schotsche Court).
149
niets te maken hadden. Dat de brouwers juist werden
uitgekozen, geeft ons het bewijs, dat het Rotterdamsche
bier toenmaals een belangrijk artikel was, o. a. voor den
uitvoer naar Amsterdam, 't geen trouwens zeer begrijpelijk
is, daar Rotterdam een van de weinige steden in Holland
was, die nog vrij goed water hadden, terwijl Amsterdam's
grachten en kanalen reeds lang bedorven waren. (Amsterdam
heeft zijn bier van buiten moeten betrekken, totdat eindelijk
in onze dagen de duinwaterleiding weer frisch water binnen
zijne muren heeft gebracht.)
Onder de brouwers van Rotterdam nu waren invloedrijke
personen, o. a. Jacob van Kouwenhoven, bloedverwant van
een der burgemeesters. De baljuw kon zich van hen dan
ook niet zoo gemakkelijk afmaken als van de Gecommitteerde
Raden ; hij wilde wel eerst, als Pilatus, zijne handen nog
in onschuld wasschen en riep met verontwaardiging : „ik en
doe het geit van de brouwers niet houden," maar — den
12en November gaf hij toch aan den Courtmeester B 1 a d-
w e 1 1 last om de in beslag genomen pakken af te geven.
Eigenaardig is het dat hierbij een notaris te pas kwam ; de
notaris Kieboom bracht het bevel in den vorm van een
burgerlijken eisch over ') en — had aan 't eind eene akte
van protest op te maken, want nu weigerde de Court-
meester, het goed los te laten, , voordat het placcaat
van Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal wert voldaen."
De man bleef natuurlijk volkomen koud voor den nood
der brouwers; hij bleef pal staan op den drempel zijner
pakhuizen, de beschermende schim der Staten-Generaal achter
zich. Voor alle zekerheid vond hij 't evenwel noodig, deze
Hoog Mogende beschermers aan hunne verplichtingen te
herinneren; nog in dezelfde maand November 1637 ging
') Tot afgifte der goederen, gereclameerd door Samuel Hoorn en
Jacob Gerrit als lasthebbenden van hunne meesters (de Engelsche
Entreloopers te Amsterdam) ; — de akte van protest is in 't Rott.
archief.
150
eene „remonstrantie" van de Engelsche Court naar den Haag,
waarin met korte, scherpe en zeer duidelijke termen geklaagd
werd over de houding der Hollandsche Staten c.s. — Vijftig
jaren ruim, zoo begon het stuk, waren nu de Merchant
Adventurers binnen deze landen geweest onder 't genot der
oude privilegiën. (Ze rekenden dus vanaf de eerste vestiging
der kleine Court te Middelburg in 1582). — Ze hadden in
dien tyd hun best gedaan tot , continuatie van de trafiFique
ende vermeerderinghe van de neringhe alhier en groote
weldaden gebracht aan de ingesetenen deser landen," zooals
de Staten- Generaal in hun plakkaat van 1631 zelf verklaard
hadden. Te Middelburg en te Delft waren hunne voorrechten
steeds geëerbiedigd, maar nu, te Rotterdam, wilden ') de
Staten van Holland het concordaat, gemaakt volgens die
privilegiën (!), in vele artikelen veranderen en „besnijden."
Ze hadden zelfs een reglement en een ontwerp-plakkaat
(op naam der Staten- Generaal) gemaakt en wilden daardoor
in 't bijzonder de civiele rechtspraak der Engel-
sche Court over de andere Engelschen in de Nederlanden
niet toestaan, die toch vergund was bij 't octrooi van 1598 (!)
en „geüseert tot Middelburg en Delft." Ook wilden ze niets
anders voor courtwaren erkennen dan witte lakens, geen
baaien of carsaaien (die volgens genoemd octrooi nog al
vrij van invoerrecht zouden wezen, geen gekleurde lakens
in de wol geverfd. De Remonstrantie eindigde met het verzoek,
dat de oude vrijheden zouden worden bevestigd en dat het
concordaat met Rotterdam onveranderd zou mogen blijven,
in spijt van het reglement der Hollandsche Staten.
Zoo schreven de Courtmeester en de zijnen ruim twee
jaren nadat Rotterdam zich had neergelegd bij den
wensch van Hunne Edel Groot Mogenden ! ')
') „Wilden"; — alsof ze het nog niet gedaan hadden.
*) De Remonstrantie van Nov. 1637 is in afschrift in 't Rott. archief
aanwezig. (Bundel Eng. en Schotsche Court).
151
Natuurlijk hadden al deze spartelingeu geen succes ; de
overwinning bleef evengoed aan de Staten van Holland of
liever aan de stad Amsterdam met hare wonderlijke repré-
sailles. De Amsterdamsche Entreloopers kregen hunne ge-
breide goederen „kosteloos ende schadeloos" uitgeleverd en
daarna konden de Amsterdamsche burgers zich weer naar
hartelust laven aan het Rotterdamsche bier. Zoo mogen wij
ten minste wel aannemen, want er wordt voortaan al weer
van deze zaak niet meer gerept. Ook wagen de Courtmeesters
het niet meer, goederen van Entreloopers in beslag te nemen,
behalve één enkele maal in 1642, toen de nieuwe Court-
meester, W'". C r a n m e r, eenige koopwaren van Edmund
With aanhaalde, maar, na dagvaarding voor den Hoogen
Raad van Holland, Zeeland en Friesland, ze dadelijk weer
vrijliet ').
Intusschen, de Adventurers hadden nog een ander middel,
dat reeds in Vlaanderen en Brabant gebruikt was in den
tijd der oude octrooien ; ze begonnen namelijk de Entre-
loopers weer eens te belasten ; van alle Entreloopers-goederen,
die te Rotterdam binnenkwamen, eischten ze een zeker
opgeld, voordat ze verder mochten. Toen dit eindelijk ook
op mislukking uitliep, schoot er nog een laatste wapen
over, een wapen, dat ze naar allen schijn, vrijelijk zouden
mogen hanteeren ; de Fellowship sprak den boycot ui
over de weerspannige Entreloopers ; het Courtbestuur te
Rotterdam verbood ten strengste aan al zijne onderhoorigen,
ook maar den geringsten koop of verkoop met eenig Entre-
looper te sluiten, en de Rotterdamsche vroedschap was
wel zoo goed, dit verbod ook uit te strekken over alle
inwoners van Rotterdam.
De Amsterdamsche Entreloopers moesten dus, wanneer
^
*) De dagvaarding, beteekend aan Cranraer en vergezeld van eene
uitnoodiging aan Schepenen van Rotterdam, is in 't Gemeentearchief
aanwezig.
152
ze te Rotterdam eenig Engelsch goed wilden koopeii, de
heimelijke tusschenkomst inroepen van Amsterdamsche,
Leidsche of andere niet-Engelschen, die er dan natuurlijk
eventueel nog een meineed aan moesten wagen. Nu was
men, zooals bekend is in de 17e eeuw, niet zoo bijzonder
bang voor een meineed, daar er veel te veel eeden van de
menschen gevorderd werden, maar niettemin was deze toe-
stand voor de Entreloopers een groote last. Ze wendden
zich daarom alweer met klachten tot de regeering van
Amsterdam, in een request, onderteekend door negen
Engelschen, die waarschijnlijk het geheele getal der Entre-
loopers uitmaakten. ').
De stellers van het request begonnen met te vertellen,
dat ze tot voor vier jaren (dus tot de komst der Court
te Rotterdam) gewoon waren geweest, vrijelijk karsaaien,
dozijnlakens en andere artikelen in te voeren en daartegen-
over vlas, ijzer, rogge, specerijen, visch en wijn te exporteeren
naar Engeland. Ze hadden dit altijd gedaan over de haven
van Rotterdam en waren daarmee natuurlijk blyven door-
gaan, maar nu werd hun verhinderd, de goederen te Rotterdam
te koopen. (Men moet hieruit opmaken, dat ze veel impor-
teerden door middel van Rotterdamsche burgers of van de
Adventurers zelf). Hoe konden de Merchant Adventurers,
vreemdelingen, zich zulk een willekeur veroorloven in een
vrij land, waar zij niets te zeggen hadden ? ")
Amsterdam bracht met zijne bekende welwillendheid het
') Het request is in originali te vinden in 't Rott. archief (bundel
Eng. en Schotsche Court) en bevat ais onderteekening de volgende
namen :
Ba rent Harraansz, Jan Drowe,
Henry Schuttleworth, Richard Beauchamp,
IJsbrand Heather, Jan Symbinson,
Humfry Denman, Daniel Buir (?).
Jan Dickenson,
^j Het request is in 't Rott. archief (bundel Eng. en Schotsche Court).
153
request in de Staten en kreeg daar onmiddellgk gedaan,
dat ook deze laatste truc der Adventurers afgekeurd werd.
De vrijheid, om te verkoopen aan wie zij wilden, werd
door Hunne Edel Mogenden aan de Adventurers ronduit
ontzegd ; er ging vanuit den Haag „met goeden inct ge-
schreven" een hoog bevel aan de Engelsche Court, dat de
leden hadden te verkoopen aan ieder zonder onderscheid,
zonder eenige heffing, last of impositie ').
Eenige Entreloopers begaven zich nu dadelijk naar
Rotterdam, om inkoopen te doen bij aan hen bekende
leden van de Court. Maar — hoe gaarne dezen wel zaken
wilden doen — ze dorsten niet om den Courtmeester. Onze
Amsterdammers, weinig gesteld op eene vergeefsche reis,
trokken dadelijk naar het Courthuis, doch „conden van
den Courtmeester niets verwerven". Toen naar 't stadhuis,
om te klagen bij Burgemeesteren, die hun natuurlijk al
even weinig troost gaven. „Wij connen de Court niet
commandeeren, wendt U tot de Staten-Generaal, want aen
de Resolutiën van de Staten van Holland stoort zich hier
niemand. "
Nu lieten zich de Entreloopers niet verder van Pontius
naar Pilatus sturen ; ze verlieten het onwillige Rotterdam
en gaven in een nieuw klaagschrift aan de regeering van
Amsterdam kennis van hun wedervaren ').
De hoofdmannen van den Amsterdamschen lakenhandel,
de fameuse grossiers, meenden zich nu ook weer eens te
moeten laten hooren. Hun request kwam op hetzelfde neer
als dat van de Entreloopers, maar 't is opmerkelijk, dat
ze de toestanden geheel anders voorstelden. „De Engelsche
Court," zeiden ze, „is te Rotterdam gekomen in onmach-
tigen staat ; ze heeft de stad Rotterdam gepaaid met haar
plakkaat over de Entreloopers. Nu weten de Entreloopers
') Zie Res. van Holland 25 Jan. 1639.
*) Copie in 't Rott. archief (bundel Eng. en Schotsche Court).
154
van Amsterdam tocli het goed uit Engeland langs hun
eigen wegen te doen komen ; vandaar nijd en spijt
hij de Court, vandaar het verbod aan de leden, om court-
waren of andere dingen te verkoopen aan de Amsterdamsche
„vrijbuiters". Het doel hiervan is niets anders dan „den
laeckenhandel' te Amsterdam te fnuiken en de regeering
van Amsterdam te brengen tot het voorstel aan de
Court, om daar te komen."
Verder bemerken we uit dit request, hoeveel belasting
de Court op de ingevoerde goederen had willen leggen,
namelijk 15 stuivers op de gewone witte lakens, 7^ stuiver
op de dozijnlakens en 5 stuiver op de karsaaien, van welke
laatste de Adventurers zelf — volgens het oordeel der gros-
siers (en der Hollandsche Staten) de invoerrechten ontdoken.
Het verzoekschrift eindigde met den wensch, dat Burge-
meesteren van Amsterdam alle moeite zouden doen, om de
genoemde „onbehoorlyckheden" tegen te gaan ').
Ook deze klachten vonden spoedig hun weg naar de
Staten, waar de verontwaardiging natuurlijk niet gering was.
,Zich niet storen aan de Staten van Holland, en dat naai
het voorafgegane 1 Men zou 't hun spoedig inpeperen. " De
Courtmeester van Rotterdam kreeg een nieuwe, scherpe
aanschr^ving, om te komen voor de Gecommitteerde Raden
en, toen dat niet hielp, voor de Staten zelf, den 18en Maart
1639 "'). Maar voordat het zoover was, voordat Mr. Cranmer
zich in het hol van den leeuw waagde, kwam een andere
bekende figuur zijn hoofd er binnen steken en wel uit eigen
beweging, "t Was de gezant Bothwell, gewapend met een
brief van zijn souverein. Hij had een nieuwen middenweg
gevonden, namelijk om nu eens te overleggen met afge-
vaardigden van de Staten- Generaal e n van de Staten van
') Het verzoekschrift is in copie in 'tRott. archief (bundel E. en
S. Court).
") Ree. van Holland, 4 Maart 1639,
155
Holland, Men bad er in de gegeven omstandigheden weinig
ooren naar en scheepte den gezant af met het beleefd ver-
zoek, om zijn plan schriftelijk in te dienen ').
Dit is blijkbaar niet gebeurd en zoo moest dan de Court-
meester den 18en Maart zich zelf verantwoorden. Hij
verscheen echter niet alleen, maar in gezelschap van zijn
secretaris en van twee afgevaardigden van het hoofdbestuur
te Londen (alweer een bewijs, dat de centrale zetel der
Fellowship niet op het vasteland was).
De Raadpensionaris sprak hen aan uit naam der verga-
dering en stelde drie eischen : a. niet anders onder de
courtwaren te rekenen dan witte lakens, h. geen lasten of
inposities meer te gaan opleggen, c. verkoopen aan
ieder zonder onderscheid.
Maar Bladwell liet zich hier evenmin bang maken als in
de Gecommitteerde Raden ; zijn antwoord klonk vrijmoedig
genoeg : ,de Staten waren zeker misleid en moesten zich
maar wenden tot Bothwell, die zou hen disabuseeren."
Overigens, men kende toch de octrooien en plakkaten van
de Staten-Generaal ; aan dit plechtanker wenschte de Court-
meester zich te houden. Er werd natuurlijk niet op ingegaan.
„Morgen, vóór 10 uur, hebt gij, heer Courtmeester, schriftelijk
te verklaren of gij gehoorzamen wilt of niet" ').
Hiermee gingen de vier Engelschen heen, maar — kwamen
niet terug. Den anderen dag om 10 uur, had men niets
ontvangen en de kamerbewaarder, die uitgezonden werd,
vond den Courtmeester niet meer aan zijn adres. Wel kwam
er wat later op den dag een schrijven van Bothwell met
verzoek om uitstel, opdat de Court eeue schriftelijke „pro-
positie" zou kunnen indienen'). De Staten wilden er niets
van weten en zonden nu den Courtmeester hunne drie eischen
') Res. van Holland, 8 Maart 1639.
= ) Idem, 18 Maart 1639.
*) Res. van Holland, 19 Maart 1639,
156
thuis met last om te gehoorzamen. Deed hij dat nu nog
niet, dan zouden de Adventurers niet langer „in forme van
Courf in de provincie Holland „worden gedoocht of geleden,
maer alle toegestane voordeelen verliezen" ').
Dit bericht bracht nu nog eens alle vrienden op de been ;
den 25en Maart „sijn binnen gestaen den resident Bothwell
met den Courtmeester en drie gecommitteerden van de
Court" ; ze hadden — in plaats van één - twee proposities
meegebracht.
Dit schijnt op de Staten iets meer indruk gemaakt te
hebben ; ze besloten ten minste, de moeite te nemen, om al
de octrooien, akten en resolutiën, de Court rakende, te doen
opzoeken en te laten voorlezen in de volle vergadering, om
daarna nogmaals een besluit te nemen, maar — om de
Engelschen niet al te blij te maken - voegden ze erbij :
„alles onvermindert de voorgaande resolutiën" ').
De moeite, die men zich aldus getroostte, was niet gering ;
drie dagen achtereen duurde de „lezing", een bewijs,
dat er menig woord over gevallen is. Eindelijk volgde het
besluit op den 31en Maart 1639, en het bleek tegenover de
vorige niet „onverminderd" te zyn. Alleen het 2e en 3e punt
van den 23en Maart bleven onveranderd gehandhaafd ; over
het eerste punt was men nog niet uitgepraat ; men zou er
de „besoigne" nog eens op nazien, die in 1635 voorge-
vallen was. Dit heeft evenwel niet geleid tot een nader
besluit ^).
Zoo kwam het, dat de Courtmeester te Rotterdam den
■ien April eene tweede akte thuis kreeg, waarin nog wel
bevolen werd, geenerlei belastingen meer te heffen van
koopwaren voor wie ook bestemd en niemand van den
') Res. van Holland, 23 Maart 1639.
'j Idem 25 „ 1689.
") Idem 31 , 1639.
157
handel uit te sluiten, maar waarin over de kwestie der
courtwaren gezwegen werd ').
Zoo hadden dus de Adventurers met hun ijverige oppositie
en den goeden steun van Rotterdam toch zooveel bereikt,
dat naast hunne lakens ook hunne karsaaien vrij ble-
ven van invoerrecht, 't geen trouwens niet minder was dan
de eerste voorwaarde, waarop ze in 1598 in de Nederlanden
binnengekomen waren. Dit succes wakkerde hun moed weer
zoodanig aan, dat ze de geheele akte met de twee andere
voorschriften ook maar eenvoudig ter zijde legden en in 't
bijzonder metterdaad volhardden in hunne weigering, om
aan de Entreloopers te verkoopen. Intusschen waagden ze
zich ook nog weer met nieuwe „proposities" bij de Staten.
Toen kwam eindelijk het beslissende oogenblik, dat Hunne
Edel Mogenden hun geduld uitgeput vonden en den knoop
doorhakten ; een derde akte ging naar Rotterdam, waarbij
alle vrijheden en voorrechten der Court
werden ingetrokken. Wilden de leden als gewone
kooplieden blijven, dan was dat geoorloofd, mits ze zich
gedroegen naar de besluiten der Staten ").
Dit was het einde. Reeds den volgenden dag verscheen
Bothwell met het bericht, dat de Court haren tegenstand
opgaf; het heffen der impositie was geheel gestaakt en het
verbod van handel met „eenige particuliere" geschorst, „ten
einde de gelegentheyt van de saecke behoorlick aen syne
Majesteyt van Engeland mochte worden gepresenteert ende
Haar Edel Groot Mogende door Gedeputeerden (van de
Court) mochten worden overtuygt van de antiquiteit van
den voorschreven opheve". De mededeeling werd voor ken-
nisgeving aangenomen, maar zonder reserve, en de Staten
besloten nog, terdege te zullen opletten, of de genoemde
maatregelen goed werden uitgevoerd. Anders zou men zorgen.
') Ras. van Holland, 4 April 1639.
«) Idem 10 April 1639.
158
dat de pakhuizen der Court toch werden gesloten. Om de
, antiquiteit van den opheve" (de belastingen) gaven de Edel
Groot Mogende Staten van Holland niets ').
De Koning van Engeland liet zich door die antiquiteit
meer imponeeren, zooals ook begi'ijpelijk is, want zijne
voorgangers hadden reeds sinds de 15e eeuw het recht der
lieffing erkend. Hij toonde zich, toen hem de „gelegentheyt
van de saecke" vertoond werd, bereid zijn plakkaat van
1G34 dadelyk te hernieuwen ; den 6en Mei 1639 verscheen
reeds eene proclamatie, gegeven te York ""), waarin alle
Engelsche kooplui in Nederland en Duitschland nogmaals
gewezen werden op hunne zedelijke verplichting, om in de
Court te komen en hun „enkel uit vorstelijke genade" nog
tgd gelaten werd tot Sint-Michael-Archangel naastkomende.
Maar al dadelijk moesten ze beginnen met al hunne
handelswaren te exporteeren uit en naar de stapelplaatsen
van de Merchant Adventurers, zooals van ouds voorge-
schreven was. In één opzicht overtrof deze proclamatie
alle vorige octrooien, namelijk in de lijst der courtwaren ;
terwijl de Staten van Holland nauwelijks twee artikelen
als zoodanig wilden erkennen, somde de Koning er hier
niet minder dan negen op en voegde er nog bij „any
other English woollen commodities".
De Staten van Holland hebben zich nog de moeite
gegeven, naar aanleiding van deze proclamatie en van
andere koninklijke boodschappen, de redenen en motieven
van hunne handelwijze op te zenden aan den Hollandschen
gezant Joachimi te Londen "). Erg noodig zal dit wel niet
geweest zijn, want, met een variante op de vroegere uiting
der Burgemeesters van Rotterdam, kou men nu met recht
zeggen : , aan de proclamaties van den Koning van Engeland
O Res. van Holland, 11 April 1639.
-) In druk aanwezig in 't Rott. archief. (Bundel Eng. en Sch. Court).
') Res. van Holland, 23 Mei 1639.
159
stoort zich hier niemand." Misschien is het gebeurd met
het oog op de groote toebereidselen, die Spanje in zijne
havens maakte, voor zijne tweede Armada, de vloot van
d'Oquendo ; misschien heeft men Koning Karel I in goede
luim willen brengen, opdat hij de Spanjaarden niet zijdelings
zou gaan steunen. In dat geval heeft de moeite weinig
gebaat, want - zooals bekend is — heeft de Engelsche
regeering in den nazomer van 1639 een alles behalve
vriendelijke gedragslijn gevolgd, toen Tromp met zijne vloot
vóór Duins verscheen.
Na den beroemden slag bij Duins was natuurlijk alle
reden, om den Engelschen Koning te ontzien, vervallen, te
meer, daar deze al spoedig zoodanig met zijne onderdanen
in Schotland en Engeland in strijd geraakte, dat hij zich
naar buiten niet meer kon laten gelden.
De proclamatie van 1639 is de laatste gunst geweest, die
Karel I aan de Adventurers bewezen heeft ; als hij naderhand
zich nog eenmaal met hen bemoeit, is het als hun vijand.
Er was dus geen macht meer in de wereld, die de Fellowship
in staat stelde, ook maar eenigen maatregel tegen de Entre-
loopers vol te houden ; de verwoede en taaie strijd eindigde
in 1640 (of 1642 als men wil) met de volledige zegepraal
dezer vrije kooplieden.
ONAANGENAME ONKOSTEN VOOR ROTTERDAM.
De kwestie der Entreloopers was voor Rotterdam minstens
even onaangenaam als voor de Adventurers zelf ; immers de
groote, schoone verwachting van 1635 was geweest, dat
alle Engelsche handel zou worden samengetrokken in de
Maasstad, dat alle anderen, ook het trotsche Amsterdam,
voor de Engelsche waren afhankelijk zouden worden van
Rotterdam. Met dat toekomstbeeld voor oogen had men
zich zooveel moeite en opofferingen getroost, jaren lang.
Hierbij speelden eene bijzondere rol de ƒ 60000, voor den
Engelschen tresorier-generaal. Deze waren namelijk beloofd
op eene zeer bepaalde voorwaarde : ze zouden betaald worden
voor de helft, zoodra alle Entreloopers te Rotterdam
zouden zijn en voor de wederhelft een jaar daarna. Nu had
de Engelsche regeering met al haren aanhang langs alle
denkbare wegen alle mogelijke moeite gedaan om die voor-
waarde in vervulling te brengen ; de Merchant Adventurers
hadden er zich ook genoeg voor uitgesloofd, de stad Rotterdam
had er een handje aan meegeholpen en de Staten-Generaal,
gedachtig aan vroegere traktaten, hadden zich zelfs (met
gepaste bescheidenheid) doen hooren.
Maar de Entreloopers waren veilig op hunne plaats ge-
bleven, onder de beschermende vleugels van Amsterdam en
de Staten van Holland.
161
Toch had de Engelsche tresorier-generaal zijne f 60000
geëischt, want hij had alles gedaan wat hy kon en 't was
niet zijne schuld, dat de pogingen mislukt waren '). Hij had
in allen gevalle gezorgd, dat het meerendeel der belofte
vervuld was (nl. dat de Court zelf was gekomen), 't Was
weer de resident Bothwell, die dezen eisch moest overbrengen,
en hij was zoo vrij, om zijne goede vrienden van Rotterdam,
toen zij weigerden, dadelijk twee bedreigingen voor te leggen :
hg zou de zaak brengen voor het Hof van Holland, of
hij zou den Koning zien te bewegen, de Court uit Rotterdam
„te trecken" ■).
Dit maakte eenigen indruk en wel zooveel, dat de vroed-
schap hare gewone commissie voor de Engelsche zaken nog
aanvulde met twee leden, deskundigen in den lakenhandel,
namelijk Goudswaert en van Berckel den oude, met verzoek,
een concept-antwoord te helpen opmaken. Dit antwoord
kwam ter tafel in de eerste dagen van 1637 en luidde weer
beslist ontkennend ; 't was echter wat uitvoeriger dan het
vroegere, want het gaf de redenen der weigering op, voor
ons zeer belangrijk. „De stad," zoo werd betoogd, ,had in
geenen deelen zoodanige avantagiën genoten als men had
verwacht;" als men dit tevoren geweten had, zou men de
groote kosten en den last niet hebben gedaan. Immers, de
Entreloopers waren niet verbonden in het corps der Adven-
turers en er waren „te Rotterdam te voren
sooveel ende meer Entreloopers geweest
dan n u" ^). Dit laatste zal zeker niemand verwonderen,
daar de Entreloopers onder de bestaande omstandigheden
overal vrijer en gemakkelijker leven konden hebben dan te
Rotterdam ; wie onder hen de gelegenheid had, zal wel
naar Amsterdam of Delft of Dordt verhuisd zijn, waar
') Rott. vroedschapsresolutiën, 9 Juni 1636.
2) Idem 31 December 1636.
s) Idem 5 Januari 1637.
11
162
zekerheid van een goede ontvangst bestond. De uitlating
van de Rotterdamsche vroedschap bewijst echter, dat er ook
nog wat te Rotterdam gebleven waren, 't geen weer eene
duidelijke aanwijzing is, dat de natuurlijke voordeelen van
deze stad haar voor eiken Engelschen koopman aantrekkelijk
maakten. Immers, deze Entreloopers verdroegen alle aan-
matigingen van de Court, om maar te Rotterdam te kunnen
blijven ; waar de invoer van laken en karsaai, de voor-
naamste Engelsche artikelen, hun verboden was, moeten ze
er kans gezien hebben, met andere import- waren, als ijzer,
tin en levensmiddelen hun brood te verdienen en daarnaast uit-
voerhandel te dry ven in Nederlandsche en Duitsche artikelen.
Na den brief van 5 Januari, hoorde de Rotterdamsche
regeering ruim een half jaar lang niet van de f 60000,
maar in den herfst kwam een schrijven van het hoofdbestuur
der Merchant Adventurers te Londen, als gewoonlijk in 't
Latijn gesteld, waarin „met groote instantie' op betaling
werd aangedrongen, en blijkbaar zelfs gedreigd met vertrek
der Court uit Rotterdam. Ook nu werd niet aan toegeven
gedacht, maar wel de moeite genomen, om een uitvoerig
antwoord op te doen stellen door de commissie, die nog
uitgebreid werd met den jongen van Berckel en J. Verschuure,
„als synde meede van de laeckenneeringe". Met donkere
kleuren werden daarin de tekortkomingen van de Court
geschilderd, en toen de brief wegging, werd aan den Court-
meester van Rotterdam een afschrift tot leering ter hand
gesteld, Intusschen kregen de commissarissen van de stede-
lijke wisselbank de opdracht, eens na te gaan, wat de
Adventurers voor sommen gedeponeerd hadden, terwijl de
stedelijke ontvangers een rekening moesten opmaken van
al de onkosten, die de stad zich voor de Court reeds getroost
had '). Men wilde zich namelijk voorbereiden op een mogelijk
') Rott. VroedschapsresoL, 21 Sept., 5 Oct. en 14 Oct. 1537. Van
de brieven zelf is niets te vinden.
163
vertrek der Adventurers en dan zorgen, dat de bedoelde
kosten gedekt werden uit de eigen Engelsche deposito's.
Deze maatregel is niet noodig geweest, want de bedreiging
werd niet uitgevoerd, men kreeg zelfs geen nieuwe aanma-
ning van den kant der Adventurers. Maar de belanghebbende
zelf, de groot-tresorier, liet bet er nog niet bij zitten ;
in 't volgend jaar 1638 werd de Rotterdamsche vroedschap
zoo hard door hem „geimportuneert", dat ze de meerge-
noemde commissie tweemaal naar den Haag zond, om met
Bothwell te spreken ').
Deze samensprekingen hebben het zelfvertrouwen der
Rotterdammers eindelijk geschokt ; toen den len November
1638 weer over de kwestie beraadslaagd zou worden, was
de vergadering der vroedschap lang niet voltallig en „de
consideratiën der presente leden syn niet soo eenparig
gevallen, dat men daerop in soodanige gewigtige saecke
heeft kunnen concludeeren" "). Drie dagen later waren dezelfde
leden nog afwezig en er waren buitendien nog andere redenen
tot uitstel^).
En toen nu den lOen November eene nieuwe aanmaning
verscheen, vergezeld van eene notariëele acte van protest,
besloot de vroedschap, bij meerderheid van stemmen, toch
maar toe te geven en den eersten termijn van f 30000 te
betalen, mits de Engelschen opnieuw alle moeite wilden
doen tot nakoming der conditiën. Het geld werd verkregen
door eene leening, zooveel mogelijk „op beregeltheyt ofte
vaste brieven" (d. i. niet op lijfrenten), aflosbaar tot believen
der stadt *).
Wat het resultaat is geweest van de andere bemoeiingen
van Bothwell c.s. ten opzichte der Entreloopers, is boven
') Rolt. vroedschapsreso]., 13 Oct. 1638.
2) Idem, 1 Nov. 1638.
5) Idem, 4 Nov. 1638.
*) Idem, 10 Nov. 1638.
164
reeds gebleken ; de slotsom dezer onaangename geschiedenis
was dus voor IJotterdani, dat het zijne /' 30000 — in die
dagen zeker geen kleinigheid — wegwierp.
Het mooiste was nog, dat de twee Courtleden, die naar
Engeland werden gezonden in 't begin van 1639, om daar
bij den Koning en het Londensche Courtbestuur de belangen
van Rotterdam te bepleiten, juist het tegengestelde deden ;
volgens mededeelingen in de vroedschap op 21 Maart 1639,
hadden ze de lakenkoopers van Holland, hunne klanten,
helpen contracteeren, dat ze de lakens en andere courtwaren
voortaan niet meer in Rotterdamsch bankgeld behoefden te
betalen, als ze dit liever deden in contant geld '). Een
nieuwe inbreuk dus op het traktaat, die voor Rotterdam
bijzonder grievend was, omdat haar troetelkind, de nieuwe
wisselbank, er door in het leven getroffen werd. Van de
zijde der Adventurers is de zaak, hoewel niet te verschoonen,
toch wel te begrypen, daar zij reeds meermalen hadden
geklaagd over de bank en om verandering in 't reglement
hadden verzocht (o. a. om toelating van kruisdaalders en
ducatons, waardoor natuurlijk het bankgeld iets meer tot
gewoon courant geld zou genaderd zijn ').
Intusschen is het toch waarschijnlijk, dat de twee Court-
leden, die naar Engeland geweest zijn in 't vroege voorjaar
van 1G39, iets bijgedragen hebben tot de uitvaardiging der
koninklijke proclamatie van den 6en Mei van dat jaar, en
in dat geval konden ze nog met eenig recht beweren, iets
van hun plicht gedaan te hebben. Maar we weten ook, dat
de uitwerking van die proclamatie geen f 30000 waard was.
Onder deze omstandigheden zou men ongetwijfeld ver-
wachten, dat de Engelsche groot- tresorier niet de vrijmoe-
digheid zou bezeten hebben, om ook nog den tweeden termijn
te eischen. En toch heeft hij dat gedaan, of liever niet hij
') Vroedschapsresolutiën van Rott., 21 Maart 1639.
') Vroedschapsresol. van Rott.. 27 Sept. 1638.
165
zelf, maar Z. M. Koning Karel I, die toch eigenlijk ook de
eerste f 3000U had opgestoken.
Deze potentaat zond in November 1640 zekeren Misselden
als buitengewonen commissaris naar Rotterdam, om dien
tweeden termijn in te vorderen. Men zal deze onbeschaamde
boodschap wel moeten beschouwen als een gevolg van den
grooten geldnood, waarin de koning toenmaals verkeerde
door den Schotschen opstand. Reeds had hij het » Korte
Parlement "' bijeengeroepen en daarna het „Lange Parlement",
doch daarvan tot dusver veel aanmerkingen, maar weinig
geld gekregen.
Men kan zich de ontvangst van Misselden lichtelijk voor-
stellen. Hij kreeg niet alleen eene zeer duidelijke weigering,
maar daarbij nog de scherpe toevoeging, dat de Koning
eerder geld geven dan vragen moest, daar hij de goede
verhouding tusschen de Court en Rotterdam tegenwerkte. ')
Als bewijs daarvan werd een nieuw plakkaat vertoond, dat
aan de Adventurers gelastte, bij huwelijk met eene Duitsche
(Dutch) vrouw, onmiddellijk naar Engeland terug te keeren
of wel uit de Court te treden ").
Dit voorschrift was eigenlijk niet nieuw ; het was zelfs
vroeger reeds in veel strengeren vorm gegeven, maar 't was
waarschijnlijk in onbruik geraakt en nu, na den slag bg
Duins, opnieuw uitgevaardigd, 't Kan zijn, dat de Rotter-
damsche vrouwen op de Adventurers byzondere aantrekking
hebben uitgeoefend, zoodat daar Hymen meer dan elders
begonnen was, zijne zachte banden te leggen naast de harde
koorden van het wederzijdsch belang, maar hiervan zijn
toch geen bewijzen voorhanden.
') Vroedschapsresol. van Rott., 20 Nov. 1640.
Misselden zal waarschijnlijk een Adventurer geweest zijn, daar zijn
familienaam meermalen onder de Courtleden voorkomt.
-) Vroedschapsresol. van Rott., 23 en 26 Nov. 1640.
Dit was trouwens een oud voorschrift, dat nu nog maar eens
vernieuwd werd.
166
De Koning heeft na 1640 niet verder up icijne ƒ 30000
aangedrongen, maar zgne gemalin heeft in de eerste maanden
van den Engelschen burgeroorlog, namelyk in November
1642, de Kotterdamsche regeering nog eens laten aanmanen,
zeker, omdat de Stuarts toen het geld nóg beter konden
gebruiken dan ooit te voren. De vroedscha}» toonde tegen-
over de hooge vrouw genoeg ridderlijke gevoelens te bezitten,
om niet dadelijk met een plompe weigering op te treden
en besloot, de verhandelingen met Misselden nog eens na
te lezen. Dit belette natuurlijk niet, dat het antwoord toch
ontkennend uitviel, omdat „niets was gepresteert van wat
den 29en November 1638 was aangenomen". Mocht dus de
stad verder om die f 30000 worden gemoeid, dan zou men
de betaling „excuseeren", en „ter contrarie urgeeren de
prestatie van 't geen beloofd was" ').
Hiermee was de kwestie van de baan ; de koninklijke
eischen werden overstemd door 't wapengekletter van den
burgeroorlog en de Pmüteinen hebben, zoover ons bekend,
zijne vermeende aanspraken in dezen niet overgenomen.
Intusschen, de eerste dertig duizend gulden was men kwijt
en dat was al erg genoeg ; misschien hadden de Rotter-
dammers wel gewenscht, dat de revolutie in Engeland, als
ze toch komen moest, maar een paar jaar eer was uitge-
broken.
Een ander duur koopje had de stad Rotterdam aan den
zoo voorbarig verleenden vrijdom van accijnzen op bier,
wijn en andere „huyshoudeude benoodigdheden" aan alle
Adventm-ers. Zooals we reeds opmerkten, had Rotterdam
volledig de bevoegdheid, de Adventurers en ieder ander dien
zij wilde, vrij te stellen van de stedelijke accijnzen,
maar niet van de provinciale. En toen de stad dien
laatstgenoemden vrijdom toch had geproclameerd bg de
eerste verpachting in 1635, hadden de Staten van Holland
') Vroedschapsres. van Roti., 17 en 24 Nov. 1642.
(,
»
maar 4 st.)
(,
n
„ 8st.)
(,
n
/"l— 4 st.)
{.
ji
/3)
167
dit niet erkend, zoodat de stad zelf de bedoelde provinciale
accijnzen had moeten bijpassen.
Nu waren deze lang niet gering. Volgens de ordonnantie
van 1G31 ') bedroeg o. a. de provinciale w ij n a c c ij n s :
voor een aam Rijnschen of Spaansclien wijn of malvezij f 48
(de stedelijke slechts f 16), voor een oxhoofd Franschen
wijn f 32 (de stedelijke slechts f 8).
Volgens het plakkaat van 1633 ") bedroeg de provinciale
bieraccijns :
van een guldenston 11 stuivers (de stedelijke idem)
, , daalderston 22 „
„ „ tweeguldenston 30 „
„ bieren boven ƒ2: ƒ3 — 13 st.
, een vat jopenbier ƒ 29 — 5 st.
„ een grove ton Engelsch, Lu-
beksch of ander vreemd bier ƒ5(„ „ ƒ1 — 10 st.)
Wanneer dus de Adventurers aan deze twee verhemelte-
streelende dranken zich wat ruim te goed deden — wat ze
niet verzuimden — en buitendien nog schonken aan hunne
goede klanten, zooals hunne oude gewoonte was, dan kon
de rekening in een jaar hoog genoeg worden. De wijn- en
bieraccijnspachters kwamen dan ook tegen het einde van
't jaar 1635 met eene geduchte vordering, die de vroedschap
„voorloopig" betaalde, met het voornemen, het geld later
van de provincie terug te vragen. De juiste som wordt niet
genoemd, maar we kennen wel het bedrag over het dienstjaar
1646—47, dat niet minder was dan ƒ16000 (ƒ12000 aan
't courthuis en ƒ 1000 aan de Engelschen onder de Court '').
Buitendien wordt dan door den pachter nog vermeld ƒ 9700
aan restanten, waarvan Burgemeesteren geen executie willen
toestaan. Indien dit ook de Engelschen betreft, 't geen wel
'j Groot Plakkaatboek, fol. 766.
») Idem , 1648.
") Vroedschapsres. van Rott., 20 Juli 1648.
168
waarschijnlijk is, dan stijgt de som tot /" 25700')! Dit is
natuurlijk geen maatstaf voor 1635 en volgende jaren, daar
er in 1(346 en '47 verscheidene Loudensche en andere Ad-
veuturers te llotterdam vertoefden, maar 't geeft toch eenig
idee van de grootte der onkosten. Tien jaar lang, tot
1644, heeft Rotterdam alles trouw bijgepast, zoodat deze
onkosten zeker in de honderdduizenden geloopen zgn.
Natuurlijk werd geen gelegenheid verzuimd, om de Staten
te bewegen tot wat men noemde „vrijdom der middelen van
consumptie ten reguarde van de Engelsche Court, gelijck
Delft vroeger genoten had." Vooral in 1639, na de nederlaag
der Adventurers op het stuk van de behandeling der Entre-
loopers, deed Rotterdam daarvoor groote moeite en kreeg
werkelijk de meerderheid der Staten mee op zijn hand.
Alleen de afgevaardigden van Haarlem, Leiden, Amsterdam
en Monnikendam maakten nog bezwaar en wilden daarom
eerst ruggespraak houden, wat hun 't gewenschte uitstel
bezorgde ').
In Maart 1640 kwam de zaak opnieuw op het tapijt en
werd drie dagen achtereen bediscussieerd ; Rotterdam liet
duidelijk uitkomen, dat het de gunst niet meer vroeg voor
de Adventurers, de vreemdelingen, maar voor zichzelf, voor
een der leden van de Hollandsche Staten, voor de stad
Rotterdam, die zoovele duizenden moest bijpassen. Na „lange
deliberatie en ernstelycke debatten" kwam men evenwel
niets verder : de oude netelige vraag, of bij meerderheid in
dezen besloten kou worden, bleef onbeslist, de zaak bleef
„in poincten als voor desen," en de voorjaarsverpachting
ging op den ouden voet ^).
Zoo liep het ook in de volgende jaren en Rotterdam
toonde zijne ontevredenheid door hardnekkige obstructie bij
') Res. van de Rott. vroedschap, 20 Juli 1648.
'j Res. van Holland, 23 Sept. 1639.
') Res. van Holland, 21, 22 en 23 Maart 1640,
169
alle mogelijke gelegenheden, belastingen, leeningen, enz.
Eindelijk, in 1644, besloot de vroedschap den knoop door
te hakken, hoe 't ook gaan mocht. Met alle kracht zou men
nog eenmaal den vrijdom vragen, gelijk Delft en Middelburg
dien genoten hadden : hielp dit nog niet, dan zou de stad
hem op de eerstvolgende verpachting weer laten afkondigen,
met de bijvoeging, dat de pachters niet konden rekenen op
vergoeding van stadswege '). De afgevaardigden van Rotter-
dam kwamen uit de Staten terug met het bericht, dat de
vrijdom was toegestaan, met 14 of 15 stemmen,
ofschoon — de raadpensionaris niet had geconcludeerd ").
Feitelijk was er dus niets veranderd, want de 14 of 15
stemmen vóór had men in 1639 ook al gehad en, als de
raadpensionaris niet concludeerde, was geen besluit geldig.
Maar de vroedschap besloot toch de stemming maar voor
resolutie te houden. Om de pachters goed en duidelijk in
te lichten, zou men pertinente Igsten maken van alle vrijge-
stelde Engelschen.
Nu kwamen de pachters in de knel ; ze schreven in op
den ouden voet, blijkbaar denkende, dat Rotterdam, als 't er
op aankwam, toch nog zou bijspringen. We vinden ten minste
op 't Rotterdamsch archief de bewijzen, dat de pachters van
den wijn- en bieraccijns over het tijdvak van 1 Augustus
1644 tot 31 Juli 1645 met hunne vorderingen telkens zijzi
komen opdagen, totdat ze den 3en Mei 1649 voorgoed
werden geweigerd.
Ook wordt eene dergelijke aanvraag vermeld van de
pachters over 1646 — 47, die van de stad /"4736 eischten ").
De pachters, ofschoon in den regel vereenigd tot machtige
syndicaten die in verscheidene steden tegelijk hunne zaken
dreven, wilden of konden toch zulke bankroetjes niet ver-
') Res. v./d. Rott. vroedschap, 11 Juli 1644.
=) Idem 25 Juli 1644.
') Idem 3 Mei 1649.
170
dragen en zochten daarom verhaal op de Adventurers zelf.
Maar de Burgemeesters van 1 {otterdam zaten hun ook hierbij
in den weg; ze verboden het eenige werkdadige middel, de
executie, zoodat de pachters niets kregen en nog lang, zelfs
na 't vertrek der Engelschen, bleven klagen en requestreeren.
Dat de Adventurers misbruik maakten van den bedoelden
vrijdom, is zonder twijfel, want bij de vernieuwing van hun
contract in 1649 werd hun o. a. de eisch gesteld, goede
waarborgen hieromtrent te geven en misbruik te helpen
tegengaan.
Van andere accijnzen dan die op bier en wijn wordt in
de geschillen met Staten en pachters niet gerept ; ze zijn,
naar 't schijnt, niet gewichtig genoeg gerekend, ofschoon ze
toch by de onkosten meetelden. In de „Rekeningen van Rotter-
dam," uitgegeven door J. H, W. Uuger en Mr. W. Besemer '),
wordt over het jaar 1644—45 melding gemaakt van ƒ 48 — 8
st. voor impost van kaarsen en ƒ 49 — 12 st. voor accyns van
zeep, alles ten behoeve van de Merchant Adventurers. Ze
zijn dus blijkbaar nog door de stad vergoed, toen deze reeds
weigerde, den bier- en wijnaccijns bij te passen. Van de
imposten op koren, brandewijn, olie, honig en traan, die
ook verpacht werden, wordt echter in de genoemde rekening
met geen woord gesproken en elders ook niet. Evenmin
worden we iets gewaar over de accijnzen op boter en meel,
die te Rotterdam niet verpacht werden ; volgens de opvatting
van Burgemeesteren moesten de Courtleden ook daarvan
vrij zyn, zoodat we mogen aannemen, dat de ontvangers
van die middelen ook wel vergeefs bij hen zullen aangeklopt
hebben.
Van de verdere kosten der Engelsche Court die niet
onverwacht waren, maar ook al weer meetelden, geven de
bovengenoemde rekeningen eveneens gelegenheid iets zekers
') Bronnen tot de Geschiedenis van Rotterdam, deel III, blz. 311
en 313.
171
te vermelden. Iii 1644 — 45 bedroeg de liuishuur voor Arthur
Dee, officier van de Court f 150, voor Jan Musson, bode,
/"120 en voor Laurens Grover, den voorlezer, eveneens/' 120.
(De andere officieren hadden hunne woning dus in het
Courthuis). Aan buitengewone onkosten wordt /" 50 vermeld
voor 't maken van een kelder. Deze laatste waren vroeger
evenwel grooter geweest; vooral in de eerste jaren van hun
verblijf hadden de hoofdlieden van de Court op allerlei ver-
grootingen en verbeteringen aangedrongen, die, na de noodige
tegenstribbelingen, door Rotterdam waren toegestaan, bijzon-
derlijk in 1636 ').
Hoe groot deze en andere onvindbare bedragen nog geweest
zijn, is niet te zeggen, maar het aangevoerde is voldoende
om te doen zien, dat de Adventurers zoowel vóór hun komst
als tijdens hun verblijf voor de Rotterdammers dure gasten
geweest zijn.
Maar ze schijnen het waard te zijn geweest in de oogen
van het stadsbestuur, want dit heeft ze niet dan gedwongen
laten trekken, zoo als eenmaal Pharao de Israëlieten.
') Rott. vroedschapsresol., 17 Sept. 1635, 12 Febr., 14 Juli en
8 Sept. 1636.
DE COUKT TIJDENS DE ENGELSCHE REVOLUTIE.
De Adventurers, ofschoon in liun hart tegen de willekeurige
regeering van Koning Karel I, hadden zich, als „practische
kooplui", sedert de vernieuwing van hun charter in 1634,
royalistisch getoond, zooals o. a. gebleken is bij hunne
houding in de kwestie van de f 30000 voor den Groot-
Tresorier. Nog in 1640 wordt gemeld, dat de Fellowship
den Koning niet minder dan 40000 pond leende '). Maar
zoodra de bom barstte in Engeland en de Burgeroorlog
uitbrak (1642), volgden de Adventurers bijna algemeen den
drang huns harten en kozen de partij van het Parlement.
Dit bracht hen in een moeilijk parket, want hunne voor-
naamste leveranciers, de lakenvvevers, woonden hoofdzakelijk
in het Westen van Engeland, waar de partij des Konings het
roer in handen hield. Alleen ééne enkele lakenstad, het oude
Norwich, had tot dusver de zijde der Rondkoppen gekozen ").
En, al gaf nu het Parlement eene vernieuwing en uitbrei-
ding van de oude voorrechten ■'), de Merchant Adventurers
•) Lingelbaeh „Brief Historie" XXXIV.
^) Rott. vroedschapsres., 20 April 1644.
') Lingelbaeh blz. 247 geeft den tekst van dit pariementsbesluit,
waarbij aan de Fellowship voor 't eerst een algemeen mono-
polie werd gegeven voor den uitvoer van alle handelswaren naar
de havens van de Somme tot Denemarken, op voorwaarde dat ze alle
173
hadden er in deze omstandigheden al hijzonder weinig aan.
We behoeven nog niet eens aan te nemen, dat de aanvoer
van courtwaren uit het Westen geheel afgesneden werd ;
immers, smokkelen is altijd mogelijk in oorlogstijd en vooral
bij een burgeroorlog.
Maar de Koning, die vroeger zoo zijn best had gedaan,
om alle Engelsche exporteurs van wollen goederen in de
Court te brengen of ten minste den export te leiden naar
den stapel te Rotterdam, deed nu juist het omgekeerde ;
in eene proclamatie van 1644 verklaarde hij de lakennering
in zijne getrouwe steden geheel vrij van de autori-
teit der Merchant Adventure rs, zoolang de
troebelen zouden duren. De lakenbereiders mochten hun goed
leveren aan wien ze wilden. Engelschman of vreemdeling,
en uitvoeren op de wijze en langs den weg. die zij zelf
verkozen.
Dit nieuws werd den 20en April 1644 aan de vroedschap
van Rotterdam bericht door de stedelijke afgevaardigden,
die in den Haag waren '). Teeken end is de raad, dien zij
er aan verbinden. Ze treuren niet om de moeilijkheden voor
de Engelsche Court, ook niet over de vermindering van den
Engelschen handel te Rotterdam, maar — over de vele
Adventurers, die nu zeker uit Engeland naar Rotterdam
zullen komen en — zooveel meer wijn en bier zullen drinken !
Een duidelijk bewijs, hoe practische menschen die afgevaar-
digden waren ; de vermindering van Engelschen import te
Rotterdam ging hun natuurlijk wel aan 't hart, maar daaraan
was op 't oogenblik hier toch niets te doen. Het eenige,
waarvoor Rotterdam zich kon vrgwaren, was nog meer
schade te lijden van den vrijdom van bier- en wijnaccijns,
't geen de kans op goedkeuring van dien vrijdom door de
kooplui, die aan de gewone vereischten voldeden, zou toelaten, de
Londenaars tegen 100 i^ond sterling intreegeld, de overigen tegen
50 pond.
') Rott. vroedschapsresol., 20 April 1644.
174
Staten nog meer zou bemoeilijken. De afgevaardigden stelden
dus voor, dien vrijdom op te heffen of ten minste te beperken,
't Was in verband met deze raadgeving, dat de vroedschap
besloot tot het opmaken der lysten van accijnsvrije Engel-
schen, waarvan boven gesproken is. Hierop werden alleen
die Adventurers geplaatst, die laken of andere wollen manu-
facturen in hunne pakhuizen hadden en niet diegenen, die
te Rotterdam kwamen als werkelijke avonturiers, als eene
soort klaploopers. Den conciërge werd zijn vrijdom evenwel
gelaten als voorheen, „om de eere ende respect van de
compagnie", maar hij mocht niet tappen aan in- en uitloo-
pende Engelschen.
Van de lijsten, die naar aanleiding van deze besluiten
werden opgemaakt, zijn er twee in 't Rotterdarasch archief
bewaard gebleven ; ze zijn vrij slordig opgemaakt, maar
geven toch wel het getal en de namen der Adventurers
aan, die zich te Rotterdam bevonden, en accijnsvrij waren.
De Igst van 1649 bevat zelfs alle namen der aanwezige
Fellows, zonder uitzondering ; zij is daarom hierachter als
bijlage opgenomen ').
De Adventurers te Rotterdam waren allen vurige aan-
hangers van de Parlementspartij, op een na, namelijk Sir
Theophile Baynham. Deze was bij de Rondkoppen in Engeland
bekend als een beslist koningsgezinde en daarom werd reeds
in 1644 aan de regeering van Rotterdam de eisch gesteld,
dat ze hem zou uitleveren. De Rotterdammers waren toen
echter nog niet geneigd, partij te kiezen, maar schijnen
toch ook teruggedeinsd te zijn voor eene vierkante weigering ;
ze vonden een geschikten uitweg : om den man „voor ge-
vanckenis te vrijwaren", maakten ze hem zoo spoedig mogelijk
burger van de stad ").
In 1645 kwam echter een parlementsbesluit, waarbij aan
') Bijlage B.
*) Res. v./d. Rott. vroedschap, 20 Aug. 1644.
17^
alle leden van de Court gelast werd, het republikeinsclie
covenant aan te nemen en te onderteekenen. De Staten-
Generaal, ook voorzichtig in deze dingen, verzochten de
regeering van Rotterdam, te zorgen, dat dit voorloopig niet
gebeurde, maar eerst af te wachten, totdat de Staten van
Holland bijeen geweest waren en met de andere provinciën
geraadpleegd hadden '). Evenwel is de onderteekening toch
doorgegaan en alleen Theophile Baynham heeft geweigerd.
Hij werd daarop door zijne „broeders" uit de Fellowship
gestooten, en op alle manieren belasterd en gehinderd. In
't bijzonder schijnt hg zich geërgerd te hebben aan het feit,
dat de secretaris van de Court hem de vrijbiljetten voor den
accijns niet meer wilde geven.
De gezant Bothwell, die zijn koning trouw gebleven was
en nog steeds in den Haag vertoefde, liet nu nog eenmaal
zijne stem hooren ; hij schreef twee brieven aan de regeering
van Rotterdam met dringend verzoek, om de rechten van
Baynham te beschermen. Maar de uitwerking kon niet groot
zijn, want men was reeds in 't jaar 1646, toen Koning Karel
al geheel door Cromwell met zijne dappere scharen over-
wonnen was. Baynham zelf heeft trouwens van accijnzen en
andere wereldsche zaken weinig last meer gehad, want vier
maanden na den laatsten brief van Bothwell was hij al
dood en begraven. Maar nu werd zelfs zijne weduwe nog
lastig gevallen, niet wegens wijn- of bieraccijns, maar om
andere belastingen. De provincie Holland wilde haar den
200en penning van haar vermogen laten betalen, eene buiten-
gewone heffing, waarvan de Courtleden en hunne weduwen
waren vrijgesteld volgens alle verdragen. De onvermoeide
Bothwell protesteerde ook hier weer tegen, maar met even
weinig vrucht '). De regeering van Holland had zich blgk-
') Aanschryving van de Staten-Generaal van 10 Juni 1645 in 't Rott.
archief (Bundel Eng. en Schotsche Court).
') De origineele brieven van Bothwell, van 28 Febr., 11 Maart en
26 Juli 1646 zijn in 't Rott. archief (Bundel Eng. en Schotsche Court).
176
baar vereenigd met de meening, dat Baynham bij zijn dood
geen lid meer was geweest van de Engelsche Court en had
dus openlijk partij gekozen voor het Parlement.
Dat de Adventurers deze partij zoo algemeen steunden
moest hun natuurlijk ten goede komen, maar het duurde
toch lang, voordat zij er de vruchten van plukten. Zelfs
toen de Koning in wanhoo]) gevlucht was naar de Schotten,
die hem „voor dertig zilverlingen' aan het Parlement uit-
leverden, zelfs toen Karel I onthoofd was, keerde de rust
in Engeland nog niet terug. Eerst in 1650, na de overwin-
ningen van Cromwell in Ierland en Schotland, kwam er
weer kalmte en kon de handel langzamerhand weer
opleven.
De Adventurers hebben dus zeker hunne zeven magere
jaren wel geliad en meer dan dat, terwijl de vette in den
tijd daarvóór het getal van zeven niet eens bereikt hebben,
ten minste niet tijdens hun verblijf te Rotterdam.
Ze moesten het in 1647 zelfs beleven, dat Engelsche
kooplieden uit het Westen in hun eigen stapelplaats aan-
landden met „considerabele partijen laken" en die onderde
oogen der Court te koop aanboden. Een vurig protest,
dat onmiddellijk aan de vroedschap van Rotterdam gezonden
werd, heeft geen merkbaar resultaat opgeleverd ').
In deze moeilijke jaren hebben de Adventurers evenwel
moedig het hoofd boven water gehouden, en elkaar als
broeders gesteund. Onder de kooplieden die tusschen 1640
en '49 te Rotterdam aan lager wal geraakten, zijn wel
betrekkelijk veel Engelschen geweest, maar weinig Courtleden.
Dit blijkt weer uit de brieven, die Burgemeesteren van
Rotterdam ontvangen hebben van den Hoogen Raad van
Holland, Zeeland en Friesland, met verzoek om inlichtingen
omtrent personen, die cessie of surséance van betaling hadden
') Rott. vroedschapsresol., 11 Dec. 1647.
177
aangevraagd '). Slechts éénmaal in genoemde 10 jaar
komt daarbij een Courtlid voor, namelijk Thomas Barnet,
over wien den 9 en Augustus 1646 informatiën ingewonnen
werden '). Daarentegen werden alleen in 't jaar 1647 vier
andere Engelschen, R o g e r s o n, B e r r i t, M a r r e t en
G 1 o v e s, genoemd als aanvragers om cessie, in 1648
pareert Robert Maesson als zoodanig, in 1644 reeds
Jan F o o t "), terwijl alle andere kooplieden, geboren
Rotterdammers, enz. die cessie aanvragen, in al die jaren
te zamen niet meer dan drie of vier in getal zijn. De requesten
door de genoemde Engelschen aan den Hoogen Raad gericht,
geven bijna altijd als oorzaak van hun achteruitgang aan :
„de troebelen over eenige jaren in Engeland ontstaan." Ze
bewyzen tevens dat sommigen van hen reeds lang burger
van Rotterdam waren geworden.
Dat de Adventurers zoo goed het hoofd boven water
hebben weten te houden, moet zonder twijfel voor een deel
worden toegeschreven aan hunne soliditeit en kapitaalkracht,
maar zeker ook in niet geringe mate aan hunne energie en
hun koopmansgeest. Ze wisten de bakens te verzetten, waar
't getij verliep. Toen de burgeroorlog hun den aanvoer van
laken uit de Westelijke steden van Engeland moeilijk maakte,
achtten ze zich niet te hoog om Engelsche wol in Neder-
land in te voeren — zooals ze vroeger nooit gedaan hadden
volgens hun eigen zeggen — en die te Rotterdam te laten
') Zie Missiven aan Burgemeesteren in 't Rott. archief, 9 Aug. 1646.
Daai'in bevindt zich ook een brief van den Prins van 23 Mei 1640,
waarin de Engelsche koopman Barcker genoemd vrordt, als in gijzeling
zijnde. Nu komt de naam William Barcker wel voor onder de Adven-
turers, maar — in 1649. Dit kan dezelfde zijn, maar 't is niet waar-
schijnlijk, juist omdat een Fellow na gijzeling of dergelijke licht uit-
gestooten werd: in allen gevalle is de Barcker van 1640 niet betiteld
als Lid van de Court
*) Zie Missiven aan Burgenieesteren van 30 Juli 1644, U April,
17 Aug., 1 Oct. en 1.5 Nov. 1647, 22 Aiig. 1648.
12
178
spinnen en weven. De gelegenheid daartoe bestond toenmaals
in die stad wel, want de lakenbereiders hadden er zich
staande gehouden niettegenstaande de concurrentie van
*t Engelsche laken, — en er was nog dit gemak aan ver-
l)6nden, dat de goederen nu ook dadelijk konden geverfd
worden, 't geen in Engeland niet best mogelijk geweest
was, daar immers maar enkele geverfde soorten mochten
worden ingevoerd. De Fellows gunden deze industrie echter
niet aan de Rotterdamsche drapeniers of reeders, maar namen
zelf arbeiders (spinners, wevers, enz.) in dienst en hebben
dus een tijdlang zelf de rol van reeders gespeeld. Ze schijnen
het daarbij met den accijns op het laken niet al te nauw
genomen te hebben (wat vroeger trouwens ook al gebleken
was) ; immers, den 7^" November 1G45 lieten Burgemeesteren
drie Courtleden vóór zich komen op het raadhuis en eischten
van hen de belofte, dat ze geen laken meer zouden laten
werken dan door gezworen arbeiders, aan te wijzen
door den pachter van den lakenaccijns en voorzien van een
merkteeken van dien pachter in den vorm van een diploma of
billet. Met een ander punt. waarover ook geklaagd was, wilden
Burgemeesteren zich echter niet inlaten ; er waren namelijk
Rotterdamsche kooplui, die het fabrikaat van de Engelsche
Court hadden „gehaeld door hun eygen werck," d. i. ver-
kocht voor Rotterdamsch laken, tot schade van de eigen
Rotterdamsche nijverheid '). Indien dit te Leiden gebeurd
was, zou het stadsbestuur wel anders gesproken hebben,
maar in de handelsstad Rotterdam was men nooit zoo
bijzonder nauwkeurig geweest op het zuiver houden der
stedelijke industrie. De gezworen arbeiders werden gerekend
een oog in 't zeil te houden en de Engelschen zullen zeker
hun fabrikaat ook naar de stadsramen en de stadshal hebben
moeten brengen ter keurinff.
'j Zie Oud-Memoriael van Burgemeesteren (van 3 Juli 1632 — 25
Oct. 1641) op den datum 7 N o v. 1645.
179
Een ander bijzaakje, dat de Adventurers ook in dezen
tijd hebben waargenomen, is geweest de arbitrage. Dit
mag men ten minste opmaken uit de Resolutiën van Holland
en West Friesland in 1644. Den 14en September van dat
jaar werd in de Staten een remonstrantie van de Engelsche
Court te Rotterdam gelezen, waarin ze zich ernstig beklaagde
over de ambtenaren van de Admiraliteit van de Maas, die
niet meer of minder hadden gedaan dan „seeckere notabele
parthijen van penningen", eigendom van Courtleden en
bestemd naar Londen, in beslag te nemen. De raadpensionaris
deelde mee, dat een adres van denzelfden inhoud bij de
Staten-Generaal was ingekomen. Natuurlijk, de oude
vrienden.
De inbeslagneming was gegrond op een plakkaat van de
Staten-Generaal van 1610 en een ordonnantie van Holland
van 1622, waarbij de uitvoer van geld uit de provinciën
verboden was, maar die nooit waren toegepast ').
De raadpensionaris zat met de zaak blijkbaar verlegen en
vroeg het oordeel van Amsterdam. Toen deed zich het merk-
waardige en voor de Adventurers bijzonder heuglijke feit
voor, dat de machtige Amsterdammers, die hun zoo regel-
matig in de wielen hadden gereden, voor 't eerst hunne
partg kozen. Niet om hun plezier te doen natuurlijk, maar
uit eigenbelang ; de Amsterdammers verklaarden ronduit,
dat in hunne stad het verzenden van penningen buiten de
Provinciën ieder vrij werd gelaten, „alsoo de commercie
andersints wert geoordeelt niet te konnen bestaen". Dit
schijnt nog al aannemelijk, vooral waar Amsterdam het
verklaarde, dat toch in 't bezit was van de beste en grootste
wisselbank der wereld. Toch werd het door de Staten niet
dadelijk beantwoord met intrekking hunner ongerijmde
ordonnantie ; ze besloten eenige gecommitteerden en den
*) Dit blijkt uit de verklaring van den fiskaal der Admiraliteit in
de Statenzitting van 16 Sept. 1644.
180
fiskaal van de Rotterdamsche Admiraliteit te ontbieden, oni
van hen de redenen der inbeslagneming te hooren ').
Twee dagen later kwamen deze Heeren „binnenstaan" en
verklaarden, dat de verbodsbepalingen van 1610 en 1622
bij deze gelegenheid eens waren toegepast, niet omdat ze
wet waren en gehoorzaamd moesten worden, maar alleen
wegens „het sonderlinghe reguard, genomen op de excessieve
groote sommen van penningen, die men hadde gemerckt
daghelyks naar Engelandt te worden afgescheept". Dus als
uitzonderingsmaatregel !
Hierop konden de gecommitteerden heengaan, maar de
fiskaal werd nog eens alleen binnen geroepen, daar men van
hem als speurder dacht te vernemen, of er misschien meer
achter stak. Twee vragen werden hem gesteld, waarvan de
eerste de meest belangwekkende is. „Wat wilden de Engel-
schen met hunne geldzendingen ? Stuurden ze soms
zilvergeld weg, om goud weer in te voei-en?
Of zonden ze eenvoudig hun hier ontvangen geld naar
Engeland, om het daar te gebruiken voor inkoop van goe-
deren of andere doeleinden?" De fiskaal wist hierop geen
antwoord te geven en voor ons zal het ook zeker wel nooit
mogelijk zijn, het ware bescheid met volledige zekerheid te
vinden, tenzij de betrekkelgke papieren van de Adventurers
nog aan 't licht mochten komen. Maar een waarschijnlijk
antwoord is er wel te geven. Aan den eenen kant lijdt het
geen twijfel, dat in deze tijden van burgeroorlog de afzet
van retourwaren voor de Adventurers in Engeland kleiner
moet geweest zyn dan tevoren, zoodat ze de opbrengst
hunner courtwaren etc. wel meer dan anders in contant geld
moesten overmaken, dat tevens kon dienen tot steun van
de parlementspartij. Maar aan de andere zijde wordt in
het besluit, dat de Hollandsche Staten namen op den-
zelfden 16en September 1644, na het vertrek van den
') Rea. van Holland en W.-Friesland, 14 Sept. 1644.
181
fiskaal, gewag gemaakt van eene „hooge steyge-
ringe van de gouden speciën", die den uitvoer
van zilver zeer voordeelig moest maken, als men 't in Enge-
land kon inwisselen tegen lager goudkoers. Bij de ongeregelde
nmnttoestanden van die dagen was dit zeer goed mogelyk
en dan kon het aan geroutineerde kooplui als de Adventurers
heel wat winst bezorgen.
De Staten van Holland hebben in allen gevalle begrepen,
dat het in deze omstandigheden beter was, de kwaal in het
muntwezen te genezen dan een plakkaat toe te passen, dat
den ganschen handel onmogelijk zou maken ; ze besloten,
in de Staten-Generaal aan te dringen, dat de penningen
moesten teruggegeven worden aan de Engelsche eigenaars
en dat eerstdaags het „stuk van de munf zou behandeld
worden ').
Hiervan werd ook dadelijk werk gemaakt, maar de Staten-
Generaal bleken nu hunne oude vriendschap voor de Adven-
turers vrij wel verloren te hebben; de meeste afgevaardigden
dorsten geen besluit te nemen, maar wenschten eerst den
Prins en hunne principalen te raadplegen '). De gedachte
aan Frederik Hendrik schijnt te wijzen op de vrees, dat een
deel der bedoelde gelden zouden moeten dienen voor den
oorlog tegen den schoonvader van 's Prinsen zoon Willem.
Evenwel, Holland had zich voorgenomen, dat de penningen
moesten worden teruggegeven en het heeft ook nu zijn zin
gekregen. De nieuwe muntregeling liet wel is waar nog een
tijd op zich wachten, maar is toch eindelijk gekomen, in
't jaar 1659.
Het is zeer waarschijnlijk, dat de regeering van Rotterdam
aan de bovenvermelde krasse daad der Admiraliteit niet
geheel onschuldig geweest is. Immers, het gold hier niet
weinig de belangen van hare stedelijke wisselbank.
'j Res. van Holland en W.-Friesl. 16 Sept. 1644.
'j Idem 20 Sept. 1644.
182
Indien er geld moest verzonden worden naar Engeland, dan
had men gaarne dat het door die bank geschiedde, want
ze was immers ten behoeve van de ?]ngelschen opgericht
en kon zonder de klandizie der Engelschen niet bestaan.
Wel was in 16o5 overeengekomen, dat de Adventurers vrg
waren, hun gelden te remitteeren door de wisselbank o f
door anderen, maar in 1538 bij de betaling der /"SüOOÖ
aan den Groot-Tresorier was een van de voorwaarden geweest,
dat alle wissels in de bank zouden behandeld worden ').
Daarom gold het in de oogen der Rotterdamsche regeering
als eene overtreding dat de Adventurers de verzendingen
zelf gingen doen en, waar men geen ander middel daartegen
vond, zal men de heeren van de Admiraliteit in den arm
genomen hebben. Is die onderstelling juist, dan zijn de
rollen in deze dagen in alle opzichten omgekeerd geweest :
Rotterdam in conflict met de Court, Amsterdam haar hulp
en steun !
De Rotterdammers hadden trouwens wel redenen genoeg
gehad, om zich met het oog op hunne bank te ergeren en
ten laatste tot zulke paardemiddelen als de bedoelde in-
beslagneming lust te gevoelen.
De andere verplichting der Adventurers, om al hunne
betalingen in bankgeld te doen en al hunne vorderingen
door de bank te doen innen, dus de bank als hun eenigen
kassier te beschouwen, was in 1635 maar voor één jaar
aangegaan en daarna door de Engelschen niet meer nage-
komen. In 't begin van 1638 vooral werd er geklaagd door
de Commissarissen van de bank, dat vele kooplieden hun
bankgeld lichtten, om het naar Amsterdam te zenden. Burge-
meesteren gaven toen verlof om die kooplui wissels te geven
in plaats van geld "). Maar om die wissels te kunnen krijgen,
moesten ze natuurlijk hunne deposito's op goede hoogte
') Res. van de Rott. vroedschap, 10 Nov. 1638.
■-) Oud-Memoriael van Burgemeesteren, 20 Maart 1638.
183
houden en aanvulling was alleen mogelijk in enkele bepaalde
muntsoorten. Dit vonden de Adventurers wat lastig (ofschoon
de Rotterdamsche bank nog niet eens zoo kieschkeurig was
als de Amsterdamsche) en ze verzochten den 27eii September
1638, dat de kruisdaalders en de ducatons ook als bankgeld
zouden toegelaten worden. Dit werd evenwel geweigerd '),
zoodat de Engelschen de bank weer zoo veel mogelijk links
lieten liggen en hunne schuldeischers eenvoudig in courant
geld betaalden, als die 't goed vonden. Daarom namen de
Heeren van Rotterdam den 20en November bij de betaling
der ƒ 30000 aan den Groot-Tresorier, onder de voorwaarden
ook op, dat voortaan in alle toekomst de Adventurers alle
transactiën door middel van de bank moesten doen ').
Dit had tot uitwerking, dat de Adventurers gewoon met
hun courant geld doorgingen, maar — de schuld gaven aan
hunne afnemers, de Amsterdamsche kooplui. Dezen wilden
zoo ijselijk gaarne in gewoon geld betaald worden, zoo
berichtten die van de Court op 16 Januari 1639 aan de
vroedschap, en ze vroegen zeer vriendelijk verlof, om die
menschen ter wille te zijn. — „Jawel,"' was het spytige
antwoord, „daarin heeft de Court zelf al geresolveerd'),
tegen alle recht en billijkheid ; wat doet ge dus nog hier
met zulke vragen ?" — Toen er alzoo geen toestemming
kwam, toonden de Adventurers, dat ze die ook niet noodig
vonden ; den Hen Maart 1639 sloten ze een formeel contract
met hunne Amsterdamsche klanten, waarbij de verplichting
tot betaling in bankgeld werd afgeschaft en vastgesteld, dat
men voortaan eenvoudig zou verrekenen in groote spe-
ciën, zooals ze door de Staten van Holland waren „getol-
lereerd en gepermitteerd" '').
') B,es. van de Rott. vroedschap, 27 Sept. 1638.
^) Res. van de Rott. vroedschap, 27 Sept. 1638.
=>) Idem 16 Jan. 1639
*) Het origineel contract in 't Rott. archief, bundel Eng. en Schotsche
Court.
184
Toen de regeering van Rotterdam dit gewaar werd, ver-
klaarde ze, dat het tegen het concordaat was en hernieuwde
een vroeger verbod tegen alle particuliere wisselaars in de
stad. Tevens besloot zij, om deze zaak te bespreken met de
afgevaardigden uit Londen, die in die dagen hier waren
om de groote kwestie met de Staten van Holland over de
Entreloopers '). Het blijkt dus wel, dat de Adventurers
toenmaals van alle kanten in 't vuur zaten.
Rotterdam heeft evenwel van al deze pogingen weinig
vrucht gezien ; de bank kreeg de klandizie van de Engelschen
niet meer en bleef kwijnen. Ligt het daarom niet voor de
hand, dat Rotterdam's regeering niet vreemd was aan de
gewelddaad der Admiraliteit in 1644 ? Uit eigen macht
schijnt ze er nog een anderen scherpen maatregel op te
hebben laten volgen, namelyk het verbod, om bankgeld uit
de bank te lichten, de sluiting van de bank. In
1645 toch werd door „de kooplui" aan de vroedschap
gevraagd, of men de wisselbank weer open wilde stellen,
zoodat ieder zijn geld er zou kunnen uitlichten. Tevens
wenschten ze dan een nieuw reglement op het bankgeld ').
Hierover werd lang beraadslaagd en eindelijk, den 20en
November, werd de bank weer opengesteld, ruimer en gemak-
kelijker dan vroeger. Men had gebroken met de dierbare
fictie van het alleenzaligmakende „bankgeld" en gaf de
volledige vrijheid, om in de bank eene rekening te hebben
in gewoon courant geld. „Vele kooplieden toonden zich
bereid, op deze nieuwe voorwaarden de bank als hun alge-
meenen kassier aan te nemen en het nieuwe reglement te
teekenen, maar — de Adventurers niet. Slechts een van hen.
Jan Iris, zette zijn naam onder het stuk, maar met de
bijvoeging ,par force. " De vroedschap stoorde zich aan deze
woorden niet en besloot met alle kracht, die in haar was,
') Zie boven, blz.
^) Rott. vroedschapsresoL, 20 Nov. 1645.
185
nu ook de andere Courtleden te dwingen, om in de bank
te gaan ').
Maar al weer was dit gemakkelijker gezegd dan gedaan ;
zelfs nu, in de moeilijke jaren der Engelsclie Revolutie,
lieten de Adventurers zich niet ringelooren op dit punt.
Bewijs daarvan is het feit, dat in 1649 bij de vernieuwing
van het concordaat, een der hoofdeischen van Rotterdam
was : „met de wissels moet men zich houden aan de ordon-
nantie van de wisselbank" *).
') Rott. vroedschapsresol., '20 Nov. 1645.
*) Idem 27 Sept. 1649.
VERNIEUWING VAN HET ROTÏERD. CONCORDAAT.
Tegen den tijd, dat het lot van Koning Karel I beslist
werd, naderde voor de Merchant Adveuturers langzamerhand
het oogenblik, dat het concordaat met Rotterdam ten einde
moest loopen. Immers, de 15 jaren zouden om zijn den
5en Februari 1649, en de termijn van opzegging verviel dus
den 5en Augustus 1648. Indien men echter blijven wilde, dan
was het zaak, bijtijds de onderhandeluigen te beginnen over
een nieuwe overeenkomst. Het hoofdbestuur der Fellowship
te Londen nam daartoe dan ook reeds het initiatief den
/ 24en December l/»47, en wel op echte koopmansmanier. Het
begon namelijk in 'een deftigen Latijnschen brief een zeer
donker beeld op te hangen van de slechte behandeling, die
men te Rotterdam had ondervonden.
„Nergens zijn ooit onze traktaten zoo weinig gerespecteerd
als bij u," zoo heette het, „en het wurdt daarom t^d, eens
te overleggen, of onze Court te Rotterdam nog langer kan
blijven, dan wel in vriendschap zal moeten scheiden. Per
nos non staret si sedem nostram alio transferre cogamur."
(Aan ons zal de schuld niet zijn, als wij genoodzaakt zullen
wezen, onzen zetel naar elders te verplaatsen) ').
') De oorspronkelijke brief is in 't Rott. archief (Bundel Eng. en
Schotsche Court).
187
De heeren te Londen hadden waarschijnlijk verwacht, dat
de regeering van Rotterdam door dit schry ven een heilzamen
schrik zou gekregen hebben en dadelijk heel beleefd zou
verzocht hebben, of de Court toch maar wilde blijven.
Maar zoo ging het geenszins ; de Rotterdammers namen den
brief voor kennisgeving aan, zoodat het hoofdbestuur der
Adventurers b ij n a a n d e r h a 1 f j a a r 1 a t e r nog geen
antwoord had. Blijkbaar wist men te Rotterdam heel goed,
hoe kwaad de zaken in Engeland nog gingen, en men had
immers nog pas geleden gezien, dat de Court bij al hare
moeilijkheden in Engeland, concurrentie gekregen had tot
in haar eigen stapelplaats, concurrentie van kooplieden uit
het Westen van Engeland '). Buitendien mogen we bedenken,
dat Rotterdam met geheel Nederland juist aan 't einde stond
van den roemrijken vrijheids-oorlog, en daarom allerminst in
eene stemming kon zijn, om zich door eenige vreemde kooplui
bang te laten maken, al hadden die ook het parlement en
Cromwell achter zich staan.
Deze zelfbewuste houding van Rotterdam heeft haar doel
niet gemist; in een tweeden brief, van 11 Mei 1649"),
sloegen de hoofdbestuurders te Londen een gansch anderen
toon aan ; men zou hen daaruit niet herkennen als leden
van eene partij, die pas den koning van Engeland naar 't
schavot gezonden had. Ze begonnen met eene heel onder-
danige (Latijnsche) aanspraak en beklaagden zich daarna
zeer nederig, dat Rotterdam hun, na zoovele maanden, nog
met geen antwoord verwaardigd had.
En terwijl ze in hun vorig schrijven zoo uitgevaren had-
den over slechte behandeling, beriepen ze zich nu heel
zoetsappig op „de vriendschap, die door zoo vele jaren
') Zie boven blz. 178.
") Origineel in 't archief van Rott. aanwezig, het eenige stuk met
het ongeschonden zegel der Fellowship voorzien. Het draagt evenals
de vorige brief de onderteekening van den secretaris Thomas,
S k y n u e r.
188
gemeenschap tusschen de Rotterdammers en de Courtleden
vastgemaakt scheen te zijn." Hun verlangen was dan ook
niets anders, dan dat de Court zou mogen blijven o p
dezelfde voorwaarden als tot dusver. Ze wilden
niets meer voorstellen, nog minder eischen, omdat de zaken
in de Republiek van Engeland nog niet op orde waren.
Blijkbaar bedoelden ze hiermee slechts eene v o o r 1 o o-
p i g e verlenging van het concordaat, want ze noemden
geen termijn en ze voegden erbij, dat ze vroeger in Middel-
burg en Delft ook waren gebleven na afloop van hun contract
en dat ze op het oogenblik nog zoo waren te Hamburg.
De bedoeling was dus blijkbaar, om, zoodra de tijden wat
gunstiger werden, weer uit een ander vaatje te tappen.
Welke van de twee gemelde brieven de eigenlijke meening
der Adventurers het best weergeeft, kan ieder lichtelijk
raden. Wie er intusschen nog over in twijfel mocht ver-
keereu, vindt in de Rotterdamsche archiefstukken de zeer
interessante gegevens, die hem overtuigen kunnen. In de
kleine anderhalf jaar namelijk, dat de Londensche heeren
hadden zitten uitkijken naar antwoord op hun eersten brief,
was de Com'tmeester te Rotterdam nog in onderhandeling
geweest met de commissie uit de vroedschap, voor de Engel-
sche zaken ingesteld. Hij is er mee begonnen in 1648, na
den vrede van Munster, en heeft toen eenige niet geringe
wenschen opgesteld („brief heads"), die niet deden vermoeden,
dat de Court zich zou neerleggen bij de oude condities. De
Courtmeester verzuimde daarbij natuurlijk niet, om al de
onaangenaamheden helder in 't licht te stellen, die de Court
met Rotterdam had gehad en die boven nog maar ten deele
zijn vermeld ').
De eerste wensch dus van Courtmeester Cranmer was :
') Bief heads, collected out of the concordate with Rotterdam witch
will been especially insisted in the future Treaty. Afschrift in 't Rott.
archief.
189
a 1 g e h e e 1 e v r ij d o m van c o n v o o i e n en 1 i c e n-
t e n, d. i. van in- en uitvoerrechten. Hij verlangde dit, omdat
de oorlog uit was en had in den grond gelijk. Immers, de
convooien waren oorspronkelijk vergoedingen voor bescher-
ming door de marine bij het uit- en invaren der schepen,
en de licenten waren rechten, te betalen voor vergunningen
tot handeldrijven op 's vijands land. Nu de oorlog ten einde
was, moesten dus beide volgens recht en rede vervallen,
Zooais genoeg bekend is, is dit echter niet gebeurd ; men
kon de gelden niet missen en ze zijn blijven bestaan tot aan
het einde der Republiek. Intusschen hebben toch de Staten-
Generaal in 1648 eenigszins het gegronde der tegenwerping
erkend en het tarief verlaagd '). Of de stad Rotterdam daar
veel toe bygedragen heeft, is niet na te gaan ; zeker zal ze
het niet tegengewerkt hebben, want de commissie uit de
vroedschap heeft aan den Courtmeester beloofd, dat men
voor den gevraagden vrijdom alle moeite zou doen bij de
Staten.
De tweede wensch van den Courtmeester was van meer
bescheiden aard ; hij verzocht dringend, dat men geen lijken
meer zou begraven in en bij de Courtkerk, zonder zijne
toestemming, en dat men de Court geen andere Engelsche
prediking zou laten betalen dan die in haar eigen kerk.
Wat voor andere prediking dat geweest is, wordt niet
gezegd ; misschien had men van de Fellowship, die nu immers
puriteinsch was, bijdragen geëischt voor de reeds bestaande
presbyteriaansche kerkloods op de Glashaven '').
De derde en voornaamste grief van Cranmer gold de
eigen rechtspraak, vermeld in artikel 12 van het
concordaat, „the principal". Daarbij was van de zijde van
Rotterdam volgens hem dikwijls ontwijking en verkeerde
') Zie Missiven van Burgemeesteren van Rott. 1648.
') Zie W™ Steven „the History of the scottish church in Rotterdam,"
blz. 333.
190
uitleg voorgekomen en vooral bij invordering van schulden
hadden schout en schepenen te vaak de voorrechten der
Engelsche Court vergeten. Artikel 12 moest dus duidelijker
en scherper worden gesteld en dan in bewoordingen, die
pasten bij de nieuwe regeering in Engeland.
De commissie uit de vroedschap was hiervoor te vinden,
indien de Entreloopers gereduceerd werden onder de Court,
dus zoo ongeveer tegen den jongsten dag !
Eindelijk roerde de Courtmeester nog de bekende kwestie
van de wisselbank aan. Hij vroeg schijnbaar zeer naïef,
maar na de bovengenoemde nieuwe reglementen wel begrij-
pelijk, wat men eigenlijk onder bankgeld verstond en welke
tegemoetkoming men overhad voor de Engelschen, die hun
geld in de bank wilden brengen.
Ofschoon nu de stad hen al lang gel ast had, dit zonder
eenige „allowance" te doen, beloofde de commissie uit de
vroedschap toch, datmenditpunt samen nader zou bespreken ').
Of er van verder overleg nog wat gekomen is, wordt
niet vermeld, maar in allen gevalle heeft het aan de Court
weinig opgeleverd. De nederige brief uit Londen van 1 1 Mei
1649 sneed alle wenschen en verlangens van den Court-
meester glad af en noodigde als het ware Rotterdam uit,
om van zijn kant eischen te stellen.
Het liet zich niet wachten : zijne drie hoofdcondities waren :
waarborg tegen misbruiken bij den vrijdom van accijns,
gehoorzaamheid aan de ordonnantie op de wisselbank, waar-
borg tegen verkoop van lakens en karsaaien in 't klein '■').
Niets nieuws dus, maar altemaal oude twistappels.
De heeren van Londen namen met dit alles genoegen en
toonden zich zelfs in een schrijven van 1 Maart 1650 zeer
') Zie kladnotulen van de vroedschapscommissie in 't Rott. archief.
") Res. van de vroedschap van Rott., 27 September 1649. Copie
van den ook in 't Latyn gestelden brief in de Missiven van Burge-
meesteren, waarvoor in 1646 een copieboek is aangelegd.
191
dankbaar, dat Rotterdam hen nog zoo goed behandelde, nu
„de koophandel van Engeland overal verslapt en verdorven
was." Deze brief is nog vleiender en nog zoetsappiger dan
de vorige, totdat aan 't eind de oude vijanden, de Entre-
loopers, even bedacht worden. Dan komt de oude bitterheid
nog een oogenblik om den hoek gluren. Aan de regeering
van Rotterdam wordt namelijk nederig verzocht, bij de Staten-
Generaal opnieuw aan te dringen op het oude plakkaat van
Commercie, omdat er zooveel landloopers (circum-
forandi) zijn, ,den naam van kooplieden onwaardig", die in
Holland wollen manufacturen venten aan kleine winkels en
langs de huizen „tot schade van uwe kooplui en ook
van ons" ').
De Londensche Courtheeren hebben hierbij zeker weinig
vermoed, dat de tijd niet ver meer was, waarop die „land-
loopers" te Rotterdam zeer geziene gasten zouden wezen.
') De oorspronkelijke brief, weer onderteekend door Skynner, uit
naam van het Londensche hoofdbestuur, is in 't Rott. archief (Bundel
Eng. en Schotsche Court).
DE EERSTE ENGELSCHE OORLOG — VERTREK
DER COURT VAN ROTTERDAM.
De Adventurers hebben niet veel genot gehad van de zoo
nederig gevraagde verlenging van hun concordaat met
Rotterdam.
Hetzelfde jaar 1650, waarin deze haar beslag kreeg, bracht
in Groot-Brittanje en Ierland het einde van de geweldige
crisis. Cromwell bedwong met zijn sterk en geoefend leger
in één harden slag den opstand der Ieren en overwon daarna
ook de Schotten, die na den dood van Karel I in de wapens
gekomen waren voor zijn zoon. En al waagde deze Karel
Stuart in het volgende jaar nog een avontuurlijken inval
in Engeland, dit kon aan den toestand weinig meer veran-
deren ; als berooid vluchteling mocht hij blij zijn, dat hij
levend den Engelschen bodem kon verlaten.
Vanat 1650 was de republiek, de commonwealth van
Engeland, Schotland en Ierland, sterk gevestigd en achtte
ze den tijd gekomen, om zich naar buiten te doen gelden met
ongekende jeugdige kracht. Aan de Nederlandsche republiek,
die pas tevoren het huis van Oranje ter zijde had gesteld,
bood ze hare vriendschap aan door gezanten op de Groote
Vergadering in den Haag. Het bondgenootschap werd gewei-
gerd, zooals ieder weet : „men wilde van de Republiek geen
bootje maken, dat getrokken werd door een linieschip."
193
Minder bekend zal het echter zijn, dat Rotterdam wel tot
dit verbond geneigd was'); zelfs in 1653, toen Cromwell
bij de eerste vredesonderhandelingen er weer over begon,
wilde Rotterdam nog, dat men hem ter wille zou zijn '). De
reden hiervan zal wel niet ver te zoeken zijn : 't belang
van den Engelschen handel in 't algemeen, 't belang van de
Engelsche Court in 't bijzonder.
Intusschen, dit veranderde niets aan den loop der gebeurte-
nissen. Nederland weigerde in 1650 de aangeboden hand
(zeer terecht !) en dadelijk liet Engeland de tanden zien. De
beruchte scheepvaart wet of Acte van Navigatie, lang voor-
bereid, kwam uu als een bom uit de lucht vallen en deed
naar alle zijden kwesties en moeilgkheden uitbarsten ; voorspel
van een oorlog, die voor Nederland een rampzalige teleur-
stelling werd, zoo kort na den roemrijken vrede van Munster.
Een oorlog vol nederlagen en schade.
Meer dan een jaar lang is de politieke hemel zwaar
bewolkt geweest, voordat het tot de uitbarsting kwam ;
onderhandelingen werden gevoerd in den Haag en te Londen
over de Acte van Navigatie, over vroegere moeilijkheden in
Indië en elders en ook over een nieuw handelsverdrag
(Entrecours).
In zoo'n tijd zijn er altijd pessimisten, die met groote
zekerheid den oorlog voorspellen, en optimisten, die meenen,
„dat het nog wel zoo'n vaart niet zal loopen." Onder de
laatsten behoorden blijkbaar de Rotterdammers en de Adven-
turers. Immers den 13en Mei 1652, dus 16 dagen vóór het
bekende treffen bij Dover, kreeg de Court te Rotterdam nog
een nieuwen C o u r t m e e s t e r, die door de vroed-
schap zeer vriendelijk welkom geheeten werd in eene „missive
van compliment," waarin de hoop werd uitgesproken dat
de Engelsche regeering, nu zoo machtig, eindelijk zou
') Zie Rott. vroedscbapsres. van 17 April 1651.
') Zie Blok „Gesch. van het Ned. volk," V, bk. 53 vlg.
13
194
bewerken, dat de veelbesproken vrijdom van provinciale
accijnzen gegeven werd (als te Delft en te Middelburg). Dit
schijnt voor de Rotterdammers bij alle wisselingen van tooneel
de hoofdzaak geweest te zijn. Ook werd er gevraagd, of
de Schotsche Court van Veere niet tevens hier zou kunnen
komen (zeker, omdat Schotland nu toch onder dezelfde
regeering was als Engeland en de Schotsche maatschappij
der koninklijke steden geheel onder officieelen invloed stond ').
Men was dus te Rotterdam nog vol goeden moed en ver-
wachtte uitbreiding en nieuwen bloei van den Britschen
handel. Maar het kanon van Dover verstoorde die zoete hoop
al te spoedig. De oorlog werd nog wel niet dadelijk ver-
klaard, maar was toch onvermijdelijk geworden. Den 14en
Juni vroegen dan ook de leden van de Court „vrijgeleide
voor al hun personen en adherenten," wat verleend werd ').
Maar — ze gingen toch niet dadelijk weg, ten minste niet
allen, ook niet na de oorlogverklaring. Zelfs toen de oorlog
reeds een jaar in vollen gang was, in 1G53, waren er nog
16 of 17 te Rotterdam aanwezig. Het is zeker een bewijs
van den kalmeu aard, toen reeds den Rotterdammers eigen,
dat het verblijf dezer lieden nog mogelijk was, dat ze niet
mishandeld en hunne woningen niet gebombardeerd werden.
Immers, dit waren geen gewone particuliere Engelschen,
maar menschen, die altyd nog onder de oflficieele bescher-
ming der Engelsche regeering stonden.
Alleen den Hen Augustus 1653, den dag na den droevigen
dood van Maarten Harpertsz. Tromp bij Ter Heyde, is het
„gemeene grauw" één oogenblik tot eene uitbarsting gekomen
en heeft zijne woede gekoeld aan het huis van de weduwe
Robert Eton in de Koestraat, dat totaal ,gespolieert ende
geplundert" werd ^).
'J Res. van de Rott. vroedschap 13 Mei 1652.
'i Idem 14 Juni 1653.
') Idem 12 Aug. 1653.
195
Ook het bestuur van Rotterdam bleef de vreerade gasten
royaal behandelen. Wel haastte het zich (natuurlijk), om
aan den schadelijken vrijdom van accijnzen een einde te
maken, maar het betaalde nog in 1653 de huishuur van
den bode en den voorlezer en ook van den secretaris, den
predikant en den schaffmeester, niet uit medelijden maar uit
berekening, — uit „zekere consideratie" '). Alleen die van
de suppoosten werd ingetrokken '). Toen de kapiteinen der
burgerwacht (wonderlijk genoeg) de 16 of 17 nog aanwezige
Engelschen op hunne lijsten gingen inschreven, om ze o p
te nemen in de s c h u 1 1 e r ij, gelastte de vroed-
schap dat men daarmee zou ophouden. De Heeren vonden
het zeker wat al te gek, om den vijand zelf de zorg voor
de rustbewaring in handen te geven, maar zullen ook wel
gedacht hebben aan het concordaat, dat de Engelschen van
alle militaire lasten, wachten en waken vrijstelde. „Men
moest de nieuw ingeschreven schutters nog maar laten
loopen," besliste de vroedschap, „tot na den uytslach van
de deputatie, die vanweghe de Republiek nog in Engeland
was" ■). Met die deputatie werd bedoeld het buitengewone
gezantschap van van Beverningh, Nieuwpoort, van de Perre
en .Jongestal, dat op voorstel van den nieuwen raadpensionaris
Jan de Witt was uitgezonden, om in *t geheim om vrede te
vragen. Zooals bekend is, had het voorloopig geen succes
en keerde onverrichter zake terug, maar tegen 't einde des
jaars, toen Cromwell, tegenstander van den stryd met de
Calvinistische zusterrepubliek, protector werd, verbeterden
de kansen. Daar evenwel de protector nu weer aankwam
met het oude plan van de onverbreekbare unie en meer andere
moeilijke eischen stelde, duurde het toch nog tot einde April
1654, voordat de vrede te Westmineter eindelijk tot stand
') Res. van de Rott. vroedschap, 22 Juli en 6 Aug. 1652, 12 Mei
en 13 Oct. 1653.
^) Res. van de Rott. vroedschap, 14 Juli 1653.
196
kwam ') Hij was een ware verademing voor 't geheele Neder-
landsche volk en eene groote vreugde voor de Engelschen,
niet het minst voor die van de Fellowship der Merchant
Adventurers. Deze kooplieden, wier handel op Nederland
natuurlijk geheel stil had gestaan en wier verbindingen met
Hamburg ook onder den strijd in de Noordzee liadden
geleden, moesten nu een nieuwen tijd van bloei en voorspoed
verwachten, nu achter hen. in plaats van de zwakke Stuarts,
de machtige Cromwell stond als protector van de Engelschen
in 't algemeen en van hunne vereeniging in 't bijzonder.
Waarschijnlijk hebben ze gemeend, dat hun stapel en hunne
gansche positie in Nederland buitengewoon mooi zou worden,
beter dan ooit tevoren ; immers, Nederland was nooit zoo
rgk geweest en had nooit zoo onder Engeland's overwicht
gestaan. Maar 't is geheel anders uitgekomen; de oorlog
van 1652 is niet de eindafrekening geweest, die onder alle
oude kwesties een streep zette, hij werd integendeel de
inleiding tot een nieuw tijdperk van geweldige worstelingen,
zooals men nooit gekend had. En toen het evenwicht eindelijk
gevonden was, toen de verhoudingen vast en betrouwbaar
werden, in den jare 1(388, bij de troonsbestijging van
Willem III in Engeland, toen — werd de Fellowship van
hare monopolierechten beroofd en de lakeiiexport naar de
Nederlanden enz. aan ieder vrijgegeven.
Daarom zijn de schoone verwachtingen omtrent een nieuwen
overrijken stapel in Holland niet vervuld. Terwijl het mogelijk
en zelfs zeer waarschijnlijk is, dat de Adventurers tusschen
1635 en 1052, tijdens hun verblijf te Rotterdam werkelijk
hun hoofdkantoor in Holland hebben gehad, is na den oorlog,
na 1654, zonder twijfel hun voornaamste stapel te Hamburg
en dat tot het einde toe. Hamburg had wel veel geleden
van den wreeden dertigjarigen oorlog, de Court te Hamburg
had daarbij nog, toen de vrede eindelijk gekomen was, een
') Blok ,Gesch. van het Ned. volk," V, blz. 76 vlg.
197
geduchte inwendige crisis te doorstaan gehad '), maar na
1648 hield de oude vrije Hansastad zich huiten alle politieke
kwesties en mocht het geluk hebben dat juist haar achter-
land, het Elbegebied (Brandenburg vooral) zich het eerst
ging herstellen van de vernielingen van den oorlog, veel
eer en veel vlugger dan het Rijngebied, het achterland van
Holland.
Dat de zaken dezen loop zouden nemen, heeft waarschijnlijk
niemand in 1654 verwacht, allerminst de regeering van
Rotterdam, Zoodra Cromwell was opgetreden als protector
en de vrede in 't gezicht was gekomen, was de Rotterdam-
sche vroedschap weer bij de hand geweest, om de Adven-
turers opnieuw binnen hare muren te lokken, of, zooals zij
het noemde, „de Court te behouden".
Reeds den 16en Februari 1654 was weer eene commissie
uit de vroedschap benoemd, om op het stuk van de Court
te letten. Eene week later was, op voorstel dier commissie,
besloten, eerst den secretaris der Court, die nog steeds op
het cóurthuis in de Hoogstraat verblijf hield, te vragen, of
de Fellowship wel zou blijven bestaan en of hij (de secretaris)
hier zou willen blijven. Zoo ja, dan zou de commissie moeten
onderzoeken, of de Court «nog dienstigh was voor dese stadt
ofte niet" en tevens, of nu misschien ook de Schotsche
Court erbij te krijgen was ""). Ofschoon het antwoord op die
punten in 't algemeen gunstig moet geluid hebben, was men
voorloopig niet verder gekomen, totdat den 7en April een brief
was ingekomen van den buitengewonen gezant Nieuwpoort
uit Londen, waarin de aanstaande terugkeer der Merchant
') Lingelbach ,The Merch. Adv. at Hamburg," (American Histor.
Review Jan. 1904, p. 274) vermeldt, dat de koningsgezinde Fellows
te Hamburg in 1649 den Courtmeester Isaac Lee, benevens verschei-
dene andere republikeinschgezinden wegvoerden. Ze werden door
hunne partijgenooten van de Fellowship bevrijd op Helgoland, waarbij
het tot een hevig gevecht kwam.
-) Vroedschapsresol. van Rott. 16 en 23 Febr. 1654.
198
Adveuturers in Nederhind verzekerd werd, daar de vrede
nu niet lang meer op zich zou laten wachten.
Toevallig was nu in dezen tijd een zekere Mr. Samuel
Avery, die vroeger te Rotterdam had gewoond als Court-
meester, hoofd van het centrale bestuur der Adventurers te
Londen. Aan hem werd dus onmiddellijk een brief geschreven
(in' 't Hollandsch), om zijne voorspraak te verkrijgen voor
„de continuatie van de Court". Men herinnerde hem aan de
„ commoditey ten " , hier steeds genoten, het courthuis en de
huizen voor de officieren van de Court ; de mooie courtkerk,
den vrijdom van accijnzen (die nu misschien ook wel voorgoed
van de provincie te verkrijgen zou zijn) en eindelijk de wis-
selbank, die zoowel met courant geld als met bankgeld
werkte, naar verkiezing ').
Nu was de beurt aan de Rotterdammers om lang op
antwoord te wachten, al was het geen anderhalf jaar. Pas
den 26en .Juni 1654 (volgens den Engelschen stijl van die
dagen den 1 5en) kwam er bericht van den heer Avery, nadat
van hier uit den 18en Juni een tweede brief was gezonden.
Dit was evenwel niet te wijten aan hooghartigheid of repre-
saille-zucht van Engelschen kant, maar aan de post, die
nog ongeregeld was, omdat de vrede nog niet was getee-
kend. Samuel Avery schreef zeer beleefd (ook in 't Neder-
landsch) aan de „Edele erentfeste wyse voorsienighe seer
discrete Heeren" van Rotterdam, dat hij „hunne aenge-
naeme missive van 18 deser" had ontvangen, „neffens eene
coppy van de voorgaende van 16 April". De sociëteit van
de Merchant Adventurers had van den Protector en zijnen
Raad reeds bevestiging van al hare oude voorrechten gekre-
gen, zoowel voor haren zetel te Londen als hare Court te
Hamburg. Als nu maar de Staten-Generaal en de Staten
van Holland (!) alle oude octrooien en voorrechten, vroeger
') Zie het klad van dezen brief in de kladnotulen van de comm.
voor de Engelsche zaken (Bundel Eng. en Schotsche Court).
199
aan de sociëteit gegeven, wilden bekrachtigen, „sonder
eynighe Reglementen, Limitatien ofte Restrictien", dan zou
de sociëteit „meerder oorsaek" krijgen, om haar verblijf
in de vermaarde stad van Rotterdam te , continueren". Wat
hemzelf, Avery, den opperbestuurder, betrof, „het zou aen
zijne uyterste devoir niet raancqueeren bij alle voorvallende
occasien" ').
Dit was dus een goed begin, dat een spoedig resultaat
deed verwachten. Maar de voortgang was anders ; nog
geen maand later erkende de heer Avery ronduit in een
nieuwen brief, dat „zijne goede inclinatie wat verkoelt"
was. En dit nogal door de schuld van twee Rotterdamsche
burgemeesters !
Hoe was dat mogelijk ? Is er misschien geen eenstem-
migheid meer geweest over het nut van de Court voor
Rotterdam ? Of hebben de twee burgemeesters zich laten
raeesleepen door anderen ? Het laatste is niet waarschijn-
lijk, want de regeerders van de stad hadden in den regel
eene eigen meening, vooral over het belang van maatregelen
op handelsgebied. Het eerste is veel meer denkbaar na al
de teleurstellingen en moeilijkheden met de Court en het
wordt zelfs waarschijnlijk, wanneer men kennis maakt met
de stemming in Rotterdam in latere tijden.
Maar laat ons zien wat er gebeurd was. De Rotterdam-
sche vroedschapscommissie had op den beleefden brief van
Samuel Avery zeer beleefd geantwoord, maar in algemeene
termen.
„Zij verheugde zich in de bevestiging van de Courts te
Londen en te Hamburg door den Protector Cromwell en
verwachtte, dat de Court te Rotterdam nu zeker wel spoe-
dig zou volgen. Over de conditiën zou men het wel eens
worden, wanneer het bestuur der Merchant Adventurers
mondeling zou willen onderhandelen. De moeilijkheden by
') De origineele brieven van Avery zijn in 't Rott. archief.
200
de Stateii-Generaal en de Staten van Holland zouden dan
ook wel te overwinnen zijn" ').
Deze brief ging weg den 3en Juli en werd pas drie weken
later beantwoord. In dien tusschentyd had Samuel Avery
een stuk in handen gekregen, dat hem geweldig geërgerd
had. 't Was, volgens zijne eigen woorden, ,een instrument,
getèekent van 2 (Rotterdamsche) Burghemeesters, neffens
anderen, eyschende zestien gulden voor de duysendste pen-
ningh van Mr. Thomas Clarck (den secretaris der Rotter-
damsche Court, die nog steeds hier was), reghstreeks teghens
onse privilegiën ende concordaten". Hierdoor was hem,
Avery, ,de lust vergaen, om voorder in dese saeke te
besoignieren".
In zijn brief van 24 Juli 1654 sloot de vertoornde Court-
nieester een copie van 't bedoelde , instrument" in, zoodat
de Rotterdamsche heeren zich van de waarheid konden
overtuigen. Die copie is nog heden aanwezig, zoodat ook
voor ons de zaak buiten allen twijfel is. De secretaris Clarck
is tijdens den , onver wachten ende swaeren oorloge met de
Engelschen" door de Staten van Holland aangeslagen in
den lOOO^n penning, de buitengewone oorlogsbelasting oj)
de onroerende goederen. Hij heeft natuurlijk geen lust
gehad, om te betalen, waar het een oorlog gold tegen
zijn eigen land, maar hij had buitendien alle recht om te
weigeren, daar het concordaat de Eugelsche Court en hare
leden vrijwaarde voor alle buitengewone heffingen. Hij
heeft dus geweigerd, maar is den 20^11 April 1654
gesommeerd (tot betaling binnen 3 maanden), vanwege de
Staten van Holland. En de onderteekenaars van deze som-
matie waren : A. van der Myle en D. Hagha, benevens
Adriaen Besemer en Adriaeu Hartman, burgemeesteren van
Rotterdam.
') De inhoud van dit schrijven is weer aanwezig in de kladnotulen
van de bewuste commissie uit de vroedschap.
201
Dus den 20en April 1654, een paar dagen voor den
vrede, hadden twee hoofdpersonen uit Rotterdam's bestuur
meegewerkt aan zulk een onbeschaamde inbreuk op de
concordaten !
Geen wonder, dat Samuel Avery nu niet meer geneigd
was, in nadere mondelinge onderhandelingen met zoo'n
bestuur te treden. Hij brak evenwel niet geheel af, doch
eischte vooraf zekerheid: dat de Court „volcomen
soude genieten de effecten vande octrooyen van de Staten-
Generaal en de naerkoming der concordaten eventueel met
Rotterdam te sluyten". Daarbij moest hij vóór alles ook
vernemen, dat alle nieuwe lasten op de Engelschen
en hunne goederen afgeschaft waren.
Deze waarborgen waren niet te geven en met Samuel
Avery was dus niets meer te beginnen. De meerderheid van
de Rotterdamsche vroedschap wilde zich echter de Court
nog niet zien ontglippen ; ze zocht het nu hooger op bij
Cromwell zelf. En de groote „Olivarius, protector Reipublicae
Angliae, Scotiae et Hiberniae", verwaardigde haar met een
zeer genadig en vriendelijk antwoord, waarin hij betuigde,
dat het hem hoogst aangenaam zou zijn, als de Court met
Rotterdam weer accordeerde, dat er om gevraagd
had naast andere plaatsen. Hij beloofde zelfs bij
voorbaat, het eventueele contract te zullen bevestigen ').
't Heeft niet mogen baten. Reeds den llen .Januari 1655,
twee en een halve maand na den vriendschappelijken brief
van Cromwell, berichtte het hoofdbestuur der Sociëteit, uit
Londen, dat de Court zou gevestigd worden te Dordrecht,
en dat men hoopte op vriendschappelijke scheiding en geen
rancune. De oude lust tot verhuizen was blijkbaar weer
over de Merchant Adventurers gekomen ; er werd ten minste
in den brief herinnerd aan de vrijheid van keuze, die ze
') De origineele missive met Cromwell's onderschrift, is te vinden
in 't Rott. archief (Bundel „Eng. en Schotsche Court").
202
altijd genoten luidden, om zich te verplaatsen van de eene
stad naar de andere. De bestuurders voelden zich niet eens
verplicht, den opzeggingstermijn van 6 maanden in acht te
nemen, omdat Rotterdam hen vroeger (d. i. in 1649) daarvan
ontslagen had.
De brief was onderteekend door Samuel Avery en den
députy Charles Lloyd ; hij was echter niet meer in het
Nederlandsch gesteld, ook niet meer in het Latijn, maar
in de En ge Is ch e taal'). Hij geeft dus getuigenis
van het grooter gevoel van eigenwaarde, dat het Engelsche
volk bezielde, nu de roemrijke tijd van Cromwell gekomen
was. Geheel vast was het plan, om naar Dordt te gaan,
in 't begin van 1655 evenwel nog niet; het bericht aan
Rotterdam moest eigenlijk voorloopig meer den dienst doen
van een schrikbeeld. Maar het is toch werkelijkheid gewor-
den vóór het einde van genoemd jaar ; den 29en November
1655 werd het concordaat der Merchant Adventurers met
de regeering van Dordrecht gesloten '). In dien tusschentijd
zijn de Rotterdammers nog steeds gverig werkzaam geweest,
om de Court toch nog te behouden. In 't voorjaar ging
de secretaris Clarke van hier weg, zoodat er geen enkel
bestuurslid van de Court overbleef, maar de Rotterdamsche
afgevaardigden wisten hem in den Haag wel te vinden, waar
hij zijn intrek genomen had in een hotel, met drie bijzondere
afgevaardigden van het hoofdbestuur te Londen. De burge-
meester Navander, de oud-burgemeester van Berkel en de
pensionaris Moons maakten daar eene visite en gingen toen
fluks weer naar Rotterdam terug, denkende, dat de Engel-
schen het bezoek daar beantwoorden zouden. Maar de
') Dit merkwaardige stuk, aanwezig in 't Rott. archief, draagt het
onderschrift:
Yor. WorPs. very aifectionate Friends, the Governot, Deputy, Assi-
stants and Fellowship of Merchants Adventurers of England. Sami.
avery, Govemor, Charles Lloyd, Dep.
^) Res. van de Rott. vroedschap, 3 Jan. 1656
203
Engelsclieii kwHtiien niet, want ze hadden opdracht, i n
den Haag te hl ij ven, om aanbiedingen af te
wachten ').
Toen hebben de Uotterdaiumers de kwestie van de etiquette
op zy gezet en zijn weer gaan solliciteeren gelijk in 1634
en vroeger. Maar hunne aanbiedingen waren toch niet
meer dezelfde als toen ; hun gevoel van eigenwaarde was
blijkbaar óók grooter geworden en ze wilden zich niet weer
blootstellen aan de kans, om door de Staten van Holland
geringeloord te worden. Wel hadden ze weer een
/' 12000 voor de terugkomst der Court over").
Dordrecht echter is meer toeschietelijk geweest en heeft de En-
gelsche Court ten slotte gekregen, het oude, beroemde Dordt,
met zijn voordeeligen handel op Duitschland, zijn stapelrecht,
zijn hoogen rang in de Staten. Zeer waarschijnlijk heeft
de raadpensionaris Jan de Witt, de beroemde Dortenaar,
hier het zijne toe gedaan ; zijne familieleden zijn onder de
onderteekenaars van het concordaat.
Voor Rotterdam is natuurlijk deze afloop eene teleurstel-
ling geweest en geen geringe. Wellicht hadden de regeer-
ders van Rotterdam aan de Dortenaars heel niet gedacht,
want ze waren al lang gewoon, dat die zich tevreden hielden
met hunne Rijnvaart en naast die gemakkelijke bron van
inkomsten niet veel nieuws zochten, maar liever den rentenier
speelden ; ze hadden immers niet eens gezorgd voor eene
kamer der Oost-Indische compagnie te Dordt. En nu grepen
ze opeens naar den Engelschen lakeninvoer e. a. ! Vanwaar
die plotselinge omkeer ^) ?
O De Engelsche Heeren waren George Chaundler en John Webb,
(Brethern of the Fellowship) en Thomas Skynner, secretaris van het
hoofdbestuur te Londen, blijkens de brieven van 7 April, 12 Mei en
26 Mei 1655 in 't archief.
2) Res. van de vroedschap 3 Jan. 1656.
^) Zoover na te gaan is, heeft Dordt ook vroeger nooit moeite voor
de Engelsche Court gedaan, behalve dan misschien in 1580 (zie blz, 32),
maar de Resol. van den Oud-Raad. zijn maar bewaard vanaf 1625.
204
Vuor ons is 't geval zoo vreemd niet ; zonder twijfel
zullen de Dortenaars zelf de kwade gevolgen van hunne
zelfgenoegzaamheid wel ingezien hebben, vooral aan 't voor-
beeld van Rotterdam, dat hun geheel boven 't hoofd gegroeid
was, en ten andere moet ook de groote levensbron van
Dordt, de Rijnhandel, geducht geleden hebben door den
Dertigjarigen Oorlog en door de actie van de andere steden
tegen het stapelrecht.
Rotterdam had gezorgd voor vele verschillende bronnen
van bestaan en daarom kon het de verdwijning van de
Engelsche Court wel te boven komen. Ja, het heeft zelfs
van 't vertrek der Adventurers al dadelijk een tastbaar voor-
deel gehad, dat wel verdient vermeld te worden. De laken-
industrie, de draperie, ging namelijk dadelijk vooruit, in 't
bijzonder door vestiging van Dordtsche drapeniers ').
Twee van dezen, Tiguel en Tout-Sainct, vroegen o. a. het
courthuis gratis in gebruik te mogen hebben, maar 't is
niet zeker, of ze 't gekregen hebben. Een ander duidelijk
bewijs van den genoemden vooruitgang is echter de stichting
van een lakenhal („loy-ende venthal") boven het stads-
boterhuis, het oprichten van een grooten nieuwen volmolen,
enz., alles in het jaar 1657, „ten gerieve van de drapiers,
die tegen 1 Mei hier staen te comen" ').
De lakenbereiding schijnt te Rotterdam nooit zoo druk
geweest te zijn als in dezen tijd, na het vertrek der Engelsche
concurrenten *).
Maar ook de Engelsche handel is met de Adventurers niet
geheel verdwenen ; Rotterdam heeft altijd Engelsche inge-
zetenen behouden, en zelfs eene Engelsche presbyteriaansche
kerk, ook tijdens de groote zeeoorlogen ; eene Schotsche
') Rott. vrocdschapsresol., 11 Dec. 1656.
2) Idem 14 Juni en 26 Maart 1657.
^1 Zie mijn „Textiel-industrie in oud-Rotterdam," Rott. Jaar-
boekje 1900.
205
kerk bestond daarnaast eveneens zonder onderbreking. Zonder
twijfel hebben de Entreloopers, zoowel van de Schotsche
als van de Engelsche natie, voor de lidmaten dier kerken
hun contingent geleverd : Rotterdam is na het vertrek der
Court de stad der Entreloopers geworden. Niet, dat dadelijk
deze menschen daar groote drukte brachten ; de geweldige
oorlogen belemmerden het vreedzaam verkeer te erg, maar,
toen die voorbij waren, toen na 1676 de Republiek eindelijk
toch het verbond met Engeland sloot, dat ze tevoren niet
gewild had, toen trok Rotterdam door zijne gunstige ligging
en zijne onvermoeide pogingen zooveel Entreloopers, dat,
volgens een request van 16^ o (?) in deze stad ruim twaalf
maal zooveel schepen met laken aankwamen als in alle andere
havens tezamen ').
Rotterdam heeft dus het heengaan der Adventurers kunnen
verdragen ; het bleef niet achter als een „trog zonder haver"
zooals Middelburg, ook niet als eene plaats, waar geen
behoorlijke retourvracht was te krijgen, zooals Delft. Zelfs
de wisselbank, die toch alleen voor de Adventurers was
opgericht, bleef bestaan (terwijl die van Delft na een zeer
kort en onbeduidend leven weer verdwenen is en die van
Dordt niet anders dan op 't papier bestaan heeft). Evenwel,
gemakkelijk is de handhaving der Rotterdamsche bank niet
geweest ; er zijn allerlei teekenen van eene geduchte crisis
vanaf den eersten Engelschen oorlog.
Eerst beproefde men, ze weer eens te helpen met een
nieuw reglement, omdat men bemerkt had, dat „in plaetse
dat te voren veel voordeel is gedaen by de Banck van Wissel,
tegenwoordig seer weinig wert geprofiteerd" '). Daarna —
't was in den tijd, dat men nog hoopte op spoedigen terug-
') Dit request aan de regeering van Rotterdam is met een ander,
wat korter, van denzelfden inhoud aanwezig in 't archief (Bundel
E. en S. Court); het is waarschijnlijk hetzelfde, waarvan sprake is in
de vroedschapsresolutiën van 26 Juli 1683.
^) Vroedschapsresol. 19 Mei 165.3 en 8 Juni 1654.
206
keer van de Adventurers — werd nog eens bekend gemaakt,
dat de stad instond voor al wat in de bank was, courant
geld en bankgeld ').
Maar in 1656, toen de Adventurers al naar Dordt waren,
heeft het weinig gescheeld, of de wisselbank zou haar zelf-
standig bestaan verloren hebben ; er werd in de vroedschap
de vraag gesteld, of men haar niet zou combineeren met
de bank van leening "). Dit klonk niet zoo gek in die dagen
als het nu zou doen : combinatie met den Lommerd ! —
Immeis, de leenbank was toenmaals niet enkel pandjeshuis,
maar diende als eene soort hypotheekbank voor beleening
van geheele pakhuizen en schepen met koopmansgoederen ^).
Het voorstel werd dan ook niet zoo heel onwillig opgeno-
men, men sloeg het wel af, maar slechts ,voor dat jaar".
En men sukkelde verder. In 1660 meende de vroedschap
den weinigen bloei der bank te moeten toeschrijven aan
gebrek aan ijver bij de kassiers ; om hun een levendigen
prikkel te geven, ontnam men hun alle salaris en beloofde
daarvoor enkel een aandeel in de winst, „op hope, dat ze
dan „te vigilanter ende wackerder zouden mogen worden
geraaect ende gehouden, omme het profyt ende den dienst
vande banck te betrachten". De reden is, dat eenige jaren
herwaarts, „met coopen ende vercoopen van banckgelt, mits-
gaders wissels, van billioenen, grenaliën als anders seer
geringe profyten zyn gedaen".
') Vroedschapsresol. 8 Mei 1656.
*) Dit blijkt o. a. uit de vroedschapsresol. van Rott. van 18 Dec.
1656, waar gesproken wordt van waren van kooplieden, in
zolders, kelders of schepen, die beleend werden in de bank.
Aardig is het, hoe men aan de Bank van Leening te Rotterdam
nu nog haar veranderd karakter kan zien : het gebouw is namelijk
telkens vergroot door het opzetten van nieuwe verdiepingen; en nu
is het onderste (dus oudste) gedeelte flink, zelfs eenigszins deftig en
met stijl gebouwd, terwijl de hoogere verdiepingen zeer kaal en een-
voudig zijn.
^) Resol. van de vroedschap, 19 Juli 1660.
207
Dit besluit is waarschijnlijk een onderdeel van het nieuwe
reglement, dat op het jaar 1660 vermeld wordt door Mees
en dat het karakter der bank geheel veranderde. Ze werd
namelijk voortaan in den grond eene filiale van de
Amsterdam sche wisselbank, daar ze haar eigen bankgeld
geheel opgaf en de gelegenheid opende, om gewoon grof
zilvergeld in te brengen met het agio van het Amsterdamsche
bankgeld als surplus ; op zoo'n rekening kon dan Amster-
damsch bankgeld worden bij- en afgeschreven, evenals in
Amsterdam zelf, een groot gemak voor de Rotterdamsche
kooplui met hunne wissels op Amsterdam. Daarnaast behield
de Rotterdamsche bank echter ook hare reeds genoemde
kostelooze rekening-courant in gewoon geld ').
Zoo heeft ze voortbestaan tot het einde der 18e eeuw.
'j W. C. Mees „Proeve eener gescliieclenis van het Bankwezen in
Nederland gedurende den tijd der Republiek, Rott. 1838, blz. 208.
De opmerking op blz. 209, dat de Rott. bank in 't eerste begin
gewoon courant geld zou hebben aangenomen in alle soorten is
onjuist, zooals boven bij de kwesties met de Adventurers genoeg
gebleken is. Juist in 't begin heeft ze stevig aan haar eigen gefiltreerd
bankgeld vastgehouden; op den duur is die illusie langzamerhand
losgelaten.
DE COURT TE DORDT.
Dordrecht was natuurlijk Ijuitengewoon verheugd, dat het
zijn gevaarlyken jongen concurrent aan de Maas eindelijk
eens een vlieg afgevangen had en nog wel zoo'n groote,
dat het eene honigbij geleek. Geen moeite was de Dor-
tenaars dan ook te veel, om de ontvangst en de positie
der nieuwe gasten zoo aangenaam en zoo goed mogelijk te
maken ; — Dordt heeft meer kosten gemaakt voor de
Adventurers dan eenige andere stad. Het zorgde niet alleen
voor een courthuis en een courtkerk, maar ook voor eene
nieuwe beurs, een nieuwe haven, ja, zelfs voor een nieuwen
toegang vanuit zee. Voor courtkerk werd ingericht
de oude wijnkooperskapel in de AVijnstraat, die na de Her-
vorming als Waalsche kerk had dienst gedaan en verder
als — IJzervvaag ').
Als courthuis werd aangewezen een deel van het groote
Augustijnerklooster in de Voorstraat, toenmaals het Hof ge-
naamd. De Adventurers konden hier evenwel pas in Augustus
1656 hunne tenten opslaan, daar vóór dien tyd de Chambre-
mipartie er zitting hield, een scheidsgerecht, dat de grenzen
tusschen de Republiek en de Spaansche Nederlanden te
regelen had. Deze Kamer verhuisde 1 Augustus naar Mechelen,
') Balen, Beschrijving van Dordrecht, uitgegeven 1677, blz. 191.
209
(daar ze beurtelings in de twee landen zitting moest houden)
en vond in 1658, toen ze te Dordt terugkwam, haar logies
bezet, zoodat ze een onderkomen moest zoeken in den
Kloveniersdoelen, in de zalen waar eens de Synode hare
zittingen gehouden had ').
De beurs, die reeds sedert jaren in het genoemde Hof
gehouden was, werd in 1660 overgebracht in een nieuw
gebouw ") op het plein, waar nu Ary Scheffer staat. Bene
wisselbank, die op verlangen der Adventurers ook beloofd
was, is nooit tot stand gekomen, zooals we reeds zeiden.
De nieuwe haven, expres voor de Adventurers gegraven,
was de Kalkhaven, aan welker kaden dan ook de Engel-
sche pakhuizen verrezen, almede op kosten der stad ge-
bouwd ^).
En de nieuwe zeeweg? — In 1655, toen de onderhan-
delingen met de Adventurers reeds druk aan den gang
waren, werd door den oudraad besloten eene Nieuwe
Vaart te graven tot verbetering van den toegang uit de
Merwe naar de Dordtsche Kil ''). Nu was dit plan al lang
hangende geweest, in tijden, toen de Engelsche Court nog
vast te Rotterdam zat, maar wegens de groote kosten telkens
uitgesteld. Wanneer we dus vernemen, dat juist in 1655,
toen over de komst der Court te Dordt onderhandeld werd,
eindelijk tot uitvoering werd besloten; dan mogen we aan-
nemen dat de Nieuw^e Vaart, zoo niet een der voorwaarden,
dan toch een der lokmiddelen is geweest, waarop de Court
gekomen is.
Het lange talmen met deze zeewegverbetering werpt tevens
een ander licht op de weinige activiteit des Dortenaren,
ten opzichte van den overzeeschen handel in het voorafgaande
'J Balen blz. 127 en 129.
') Balen blz. 653.
") Balen blz. 883.
*) Balen blz. 883.
14
210
tijdperk ; de Dordtsche zeeweg liet toen reeds blijkbaar veel
te wenschen over, want de andere ingang van de Kil moet
zeer ondiep geweest zijn, daar hij onder een rechten hoek
uit de Merwe liep, evenals de IJsel bij Westervoort uit den
Ryn. Dordrecht was dus toen reeds op weg om eene zuivere
rivierhaven te worden en de komst der Adventurers heeft
in allen gevalle dit groote voordeel gebracht, dat dit proces
een tijdlang werd opgehouden ').
Het concordaat van 29 November 1655 bevatte 57 artikelen,
evenals het Rotterdamsche van 1635, waarop het trouwens
naar den inhoud zeer veel geleek. Men had het namelijk
gewaagd, om bijna al de punten, in 1635 door de Staten
van Holland afgekeurd, hier weer op te nemen. Jan de Witt
') Zie het concoi-daat in de „Verzameling van Handvesten, Privi-
legiën enz. van Dordrecht," uitgegeven door den Burgemeester van de
Wall in 1790. Ook bevat het Dordtsche archief een copieboek, getiteld
„Engelsche en Schotsche Court" van 170 blz., waarin een afschrift
van het concordaat en eenige requesten en brieven. Het origineel
is echter niet meer te vinden. Het Rott. archief bezit twee copieën ;
de eene op kosten van Rotterdam gemaakt, toen het concordaat in
onderzoek was bij de Staten, de andere waarschijnlijk in gebruik
geweest bij Engelschen (van de Court of andere) : ze draagt namelijk
het opschrift: „The articles with Dort, with other papers concerning
the Staten-Generaal" en heeft Engelsche aanwijzingen in margine,
naast de artikelen. Het concordaat is onderteekend :
voor Dordt door: voor de Adventurers door:
Jacob de Witt, regeer. burgem. George Chaundleri
Corn's de Beveren, ridder, John. Webb )
Heer van Strevelshoek enz. Thomas Skj^nner, secret.
Abr. de Beveren, oud-Bur- van het hoofdbestuur te Londen.
gem.. Heer van O. en W. Baren- Thomas Clarcke, rechtsge-
dregt. leerde.
M r. J o h. d e W i 1 1, uit den
oud-raad.
Mr. Govert van Slinge-
landt, pensionaris.
Lingelbach „Laws etc." blz. 240, geeft een uittreksel uit dit con-
cordaat.
211
zou wel zorgen, dat Hunne Edel Groot Mogenden er niet te
veel aan veranderden, en voor 't overige kon ook de Engelsche
regeering een heel anderen invloed uitoefenen dan in de
dagen van Karel I. De Raadpensionaris heeft hiervoor zeker
veel moeite gedaan, maar hij kon toch niet verhinderen,
dat zijne vaderstad nu op hare beurt door de Holland-
sche Staten ter verantwoording geroepen en op de vingers
getikt werd. Het was zeer natuurlyk de stad Rotterdam,
die zich daarvoor de meeste moeite gaf en met het
meeste vuur de stellingen bestreed, die ze in de jaren 1635
en volgende verdedigd had, toen het haar eigen concordaat
gold.
Het mocht echter ditmaal niet gelukken, zooveel van de
overeenkomst af te kluiven als toenmaals gebeurd was;
Dordrecht werd wel gedwongen „te exhibeeren " , ook werd
eene commissie van onderzoek benoemd, maar Rotterdam
werd daarin niet vertegenwoordigd. Wat vreemder is, die
commissie schijnt nooit rapport te hebben uitgebracht van
hare bevindingen ; men vindt in de besluiten der Staten
geen woord meer over het concordaat, ten minste niet voor
den Tweeden Engelschen oorlog, toen zoowel door de
regeering van Dordrecht als door de Staten alle vrijheden
en voorrechten voorloopig ingetrokken werden. De Court
te Dordt is dus bijna tien jaren lang (van 1656 — 65) oog-
luikend in 't bezit gelaten van alle belangryke voorrechten,
van hare civiele rechtspraak, hare vrijdommen van in- en
uitvoerrechten, niet alleen van lakens en carsaaien, maar
ook van baaien en alle andere wollen manufacturen ^), zelfs
van haar artikel 51, waarin den Entreloopers gelast werd,
allen naar Dordt te komen. Ja, den vrijdom van provinciale
accijnzen, die eerst door de Staten eenige malen bepaald
') Volgens een request van de admiraliteit van Amsterdam aan
de Staten, in copie aanwezig in het Rott. archief (Bundel E. en S.
Court).
212
geweigerd werd, wist Dordrecht op den duur voor zijne
Engelsche gasten te verwerven ').
W e 1 1 e 1 ij k heeft dus de Court te Dordt een veel mooier
positie gehad dan te Rotterdam! , Dordt is alle zwarigheden
te boven gekomen," zooals de Dordtsche burgemeester van
de Wall in 1790 vol trots uitroept"). Hij schrijft dit mooie
resultaat toe aan den invloed van „onzen Jan de Wit," 't geen
ten deele zeer goed te beamen is, daar de groote Raadpen-
sionaris toen in zijne volle kracht was en zijner vaderstad
gaarne een dienst bewees. Een andere vraag is het echter,
of het alleen de bemoeiingen van de Witt geweest zijn,
die Rotterdam en de overige steden zoolang tot zwijgen
hebben gebracht. Zeer zeker heeft ook de invloed van
Cromwell het zijne bijgedragen, zooals blijkt uit de
verhandelingen in de Staten-Generaal en de Staten van
Holland in 1655, toen de aanbevelingsbrieven van den
Protector voor de Adventurers ingekomen waren '). Men
aarzelde daar wel, de gevraagde groote privilegiën te ver-
leenen, ,daar Godt de Heere Nederland had gezegend met
zoo florissante commercie, coophandel en traffycque, inson-
derheyt van lakenhandel en manufacturen, dat de reden voor
die groote gunsten scheen vervallen", maar aan 't eind
werden toch de oude vrijheden opnieuw gewaarborgd, wegens
het 12e artikel van den vrede van Westminster, terwijl alle
onvriendelijke plakkaten, uitgevaardigd sedert 1649, werden
ingetrokken. Dordrecht trof met zijn concordaat weer een
tijdstip, dat men Engeland ontzien moest, evenals vroeger
IVIiddelburCT en Delft.
') De Adventurers bezaten die zelfs nog irr 1751, toen hunne voor-
rechten in Engeland reeds lang opgeheven waren, (zie Brief van de
Staten-Generaal aan de Regeering van Dordt, 5 Jan. 17.t1 bij Lin-
gelbach blz. 253).
') Van de Wall, Handvesten enz. van Dordt, bevattend het concordaat
en een korte geschiedenis van de M. A.
^) Verslagen in copie in 't Rott. archief (Bundel E. en S. Court).
213
Eindelijk schijnt er nog eene andere zeer afdoende reden
bestaan te hebben, waarom de Rotterdammers c. s, de Engel-
sche Court te Dordt niet al te lastig gevallen zijn ; ze heeft
namelijk, zoover wij kunnen nagaan, geen groote oecono-
mische beteekenis gehad, niettegenstaande al hare mooie
voorrechten. Van de Wall verkondigt wel in zijn bovenge-
noemd bijschrift de raeening, dat de Court veel handelsbe-
wegiug in zijne woonplaats gebracht heeft, maar weet daarvoor
geen beter bewijs bij te brengen dan het concordaat, en we
hebben reeds bij alle vroegere stapelplaatsen gezien, dat dit
alleen de theorie bevatte, maar lang niet de werkelykheid.
Meer dan aan Van de Wall, die zijn werk uitgaf in 1790,
zal men toch zeker moeten hechten aan den t e g e n w o o r-
digen Staat der Vereenigde Nederlanden,
het uitnemend werk, bij Tiïirion uitgegeven ± 17i0, toen er
nog aangestelden van Adventurers te Dordt woonden. Deze
spreekt wel van de Engelsche Court te Middelburg, Delft en
Rotterdam, maar zwijgt ganschelijk over die te Dordrecht. En
dan — niet te vergeten — de beroemde, nauwgezette en vader-
stadlievende Dortenaar Matthijs Balen, die de Adventu-
rers hun blijden intocht heeft zien doen en hen nog jaren lang
van nabij heeft gadegeslagen. Wat zegt hij in zijne „Beschrij-
ving van Dordt"; uitgegeven in 1677 ? Hij spreekt van de vele
moeite, die de regeering der stad zich getroostte bij hunne
komst en die boven geschetst is. Hij teekent ook aan, hoe
in 1660, bij 't herstel der Stuarts, de Adventurers, opeens
weer heel koningsgezind geworden, eerst den gezant Downing
heerlijk onthaalden op hunne zaal in 't Hof ') en daarna,
wegens de kroning van Karel II, groote vreugdeteekenen
bedreven met teertonnen en „menichten van vuurpglen",
met stroomen van hun accijnsvrijen wijn, dien ze aan 't volk
ten beste gaven "'). Hij vermeldt nog van een ander feest op
') Balen, Beschrijvinge van Dordrecht, blz. 884.
=) Balen, blz. 885.
214
het Hof in Mei 1G61, toen eene „heerlycke krone, als goud,
vol vuurwerk, " schitterend opgehangen werd en 's avonds
„ontalliike" vuurpijlen de lucht invlogen en, tot lichten
schrik der eerzame Dortenaren, neerkwamen tot op de beurs
toe, terwijl op den middag het volk onthaald was op wijn,
zelfs rooden en witten '). Maar van ontallijke schepen met
laken, carsaai of baai spreekt Balen niet, van menichte van
koopers, die op het Hof kwamen, als er géén overvloed
van wgn geschonken werd, zegt hij geen woord, van Engel-
sche bestellingen, die i n de beurs neervielen zooals hunne
vuurpijlen op het dak, zegt hij niet. Maar er is meer.
Toen de tweede Engelsche oorlog voorbij was, heeft Dordt
gepoogd, de octrooien en vrijdommen van de Adventurers
vernieuwd te krijgen, maar — toen daartegen een eenigszins
sterk verzet kwam van de Staten van Holland en de Staten-
Generaal, hebben de Dordtenaren zeer spoedig hunne
pogingen opgegeven.
Den 9en December 1668 was, op voorstel van Rotterdam,
in de Hollandsche Staten aangenomen, geen vrijdommen van
generale of provinciale belastingen meer toe te staan "), en
ofschoon de Heeren van Dordt daartegen nog eene uitvoerige
deductie lieten opstellen, besloot de Oudraad toch den
llen Maart 1669, dat de afgevaardigden ter dagvaart, die
maar... „onder haer moesten houden"^). Nu is het wel
waar, dat dit gedeeltelijk geschiedde, omdat Dordt juist
toen ook in onderhandeling was met de Schotsche Court of
Court der vijf koninklijke Schotsche steden en dat ze de
Engelschen losliet, om voor de Schotten de noodige vrij-
dommen te kunnen krijgen, maar dit bewijst dan toch, dat
de Adventurers niet meer van veel belang gerekend werden.
Immers, de Schotsche Court, tot dusver steeds te Veere
') Balen, blz. 885.
') Res. van Holland, 9 Dec. 1668.
") Res. van den Durtschen oud-raad, 11 Maart 1669.
215
gevestigd, was nooit een lichaam van groote beteekenis
geweest. Zij voerde alleen wol en zeer ruwe manufac-
turen in ').
Het is liier niet de plaats, om de historie dier Schotsche
Court te beschreven "), maar we moeten er hier toch een
enkel woord aan wijden, om nog meer in 't licht te stellen,
voor hoe weinig de Dordtenaars hunne Engelsche Court hebben
opgeofferd. Vooreerst mocht het hun niet gelukken, vooral
door de tegenwerking van Amsterdam, de gevraagde vrij-
dommen en het monopolie voor den Schotschen handel door
de Staten goedgekeurd te krijgen ^). Maar verder is het zeker,
dat reeds in 1670, toen de Schotsche Court er nog geen
twee jaren was, een van de considerabelste leden, Thomas
Bornet, zich tot de vroedschap van Rotterdam wendde met
het verzoek, daar te mogen komen, omdat ,de stapel te
Dordt ten eenenmale stond te vervallen" '). En weinige
jaren later ging de heele Court weer haar heil zoeken in
het kleine, stille Veere, omdat ze te Dordt niet kon tieren.
„Ter sake van de ongeleege situatie frequenteerde de Schot-
sche koopluy die stadt seer weynig, waaromtrent (se) sig
excuseerden, dat de distantie van Dorth van de zee te ver
af was en te moeylijk van toegang, ook dat bij winterdag
de schepen langer bevrooren waren, enz." ").
Hieruit mag men opmaken, dat de Nieuwe Vaart, in den
volksmond trouwens reeds spoedig het Mallegat genoemd,
') Rotterdam, dat zooveel voor de Engelsche Court had over gehad,
heeft meermalen met de Schotten onderhandeld, o. a. ook in 1668,
maar hun nooit veel aangeboden voor hunne komst.
^} Dr. Fruin, archivaris van Zeeland, is bezig, naar ik vernam, de
nog aanwezige stukken betreffende deze Court te verzamelen, met
het doel ze uit te geven, zoodat we ons op eene degelijke geschie-
denis van dit lichaam mogen verheugen.
^) Rott. vroedschapsresolutiën, 26 Febr. 1669.
*l Idem 15 Sept. 1670.
^) Zie , Archief, vroegere en latere mededeelingen, voorn, in be-
trekking tot Zeeland, van het Zeeuwsch Genootsch. jaarg. 1903, blz. 80.
216
niet geheel voldaan heeft aan de verwachtingen en dat Dordt
weer al spoedig met zijn „zeeweg" is gaan tobben, eene
penitentie, die tot op den huidigen dag nog niet geëindigd is.
Het besluit der Staten-Generaal en der Staten van Holland
in 1668 had aan de Adventurers hunne positie als bevoor-
recht handelslichaara in Nederland geheel ontnomen. Het
was gegrond op eene bepaling van den vrede van Breda,
die voorschreef „vrijheid van handel en practijk, mitsgaders
de navigatie ende commercie, die de ingezetenen dezer landen
onder den anderen en ook met de ingezetenen van Zijner
Coninkl. Majesteyt's gebied zonder onderscheid van plaetse
in Europa zouden hebben". Dit sloot alle monopolie uit.
Hierbij moet men bedenken, dat de genoemde Nederlandsche
overheden reeds in 1654 veel lust hadden getoond, de oude
octrooien niet te vernieuwen, maar toen toegegeven hadden
aan den machtigen aandrang van Cromwell ') ; nu, na den
roemrijken oorlog van 1665 — 67, behoefde men de Engelsche
regeering niet meer naar de oogen te zien ; nu kon men
eindelijk de onbillijkheid ophefif'en, die de vreemde handelaars
bevoordeelde boven de eigen inlandsche grossiers en die de
belangrijke Hollandsche lakenindustrie steeds bedreigde met
eene moordende concuiTentie.
In deze omstandigheden zou men verwacht hebben, dat
de Adventurers dadelijk aan het ondankbare Holland den
rug toegekeerd zouden hebben en al hun kracht zouden
zijn gaan concentreeren op Hamburg. Maar het scheen, dat
ze hunne oude veerkracht en hunne merkwaardige beweeg-
lijkheid verloren hadden; er is ten minste een vestiging
van hen te Dordt gebleven, jaar in jaar uit zelfs tot ver in
de 18e eeuw toe.
Dordt joeg hen niet weg, zelfs niet tijdens den oorlog van
') Zie boven, blz. 219.
217
1672, maar het haalde hen ook niet aan. Toen het concordaat,
dat, evenals te llotterdam, voor 15 jaar gesloten was, in
1670 afliep, was er van vernieuwing geen sprake ; het eenige
voorrecht, dat den Adventurers gegund bleef, was de vrijdom
van wijn- en bieraccijns, die gedeeltelijk zelfs nog tot mid-
den in de 18e eeuw bleef bestaan '). De vrije woning in het
oude Augustijner-klooster werd niet opgezegd, maar toen er
in 1674 een nieuwe Courtmeester-deputy, Raphael Brassy, te
Dordt kwam als opvolger van Fletcher, moest die zichzelf
eene woning verschaffen.
Hij protesteerde hierover meermalen bij Burgemeesteren,
maar zonder vrucht, daar „zijne aanstelling niet eens aan
de regeeriug was bekend gemaakt." De man was trouwens
niet om eene woning verlegen, want hij bezat drie notabele
huizen te Dordt en nog eene groote boerderij te Oud-
Beierland. Dit blijkt namelijk uit een ander request, waarin
hij zich beklaagt over aanslag in den 200en penning, „tegen
de oude voorrechten." Natuurlijk vond hij hierbij ook geen
baat: de Burgemeesteren namen evenwel nog de moeite,
om hem te betoogen, dat die oude voorrechten (vrijdommen
van lOOen, 200en en lOOOen penning) nooit op een dergelijk
geval gedoeld hadden '^).
Al waren nu de Adventurers van Nederlandsch standpunt
niet anders meer dan gewone particuliere kooplieden, zoo
bezaten ze toch nog in hun eigen oogen hunne oude orga-
nisatie, zooals het bestaan van een Courtmeester bewijst.
En voor de Engelsche wet waren ze ook nog steeds het
') 5 Jan. 1751 keurden de Staten-Generaal voor 't laatste goed,
dat de overlevende aangestelde van de Engelsche Court, S a m u e 1
Jay, predikant, C o r n e 1 i a van Dorst, weduwe van Gres, John
H o 1 1 e r o p, voorlezer, Sara N o t e ra a n s, onderkoster en Jan
van Gelder, klokkeluider van de Engelsche kerk, vrijdom van
landsimposten zouden genieten, maar hunne opvolgers niet meer.
") Zie de requesten en het antwoord daarop in het copieboek „Eng.
en Schotsche Court" in het Dordtsche archief.
218
<^ecliarterde lichaam, bekleed met het monopolie van den
uitvoer van wollen manufacturen naar de Nederlanden en
Duitschland. Maar ook deze heerlijkheid werd hun ontnomen,
voordat de 17e eeuw ten einde liep. In 1688, zoodra Willem III
en Maria den Engelschen troon bestegen hadden, verscheen
de „Act laying open the Trade of the Merchant Adven-
turers", bedoelende het beter tegengaan van den uitvoer
van wol en de aanmoediging van de vvolindustrie in Engeland.
Daarbij werd de uitvoer van wollen manufacturen voor ieder
opengesteld, behoudens de voorrechten der Levant-company,
der Eastland-comp., der Russia- en der Africa-comp. 't Was
dus alleen de eerwaardige Fellowship der Merchant Adven-
turers, die haar monopolie verloor en de reden daarvoor is
niet ver te zoeken : zij had hare waarde verloren als strijd-
middel voor de regeering. Zij had in de Nederlanden, die
toch weer het voornaamste exportgebied aan de Noordzee
geworden waren, haar monopolie moeten zien vallen; ze
was daarbij door de vele tegenspoeden financieel te zeer
verzwakt. Haar schuld bedroeg reeds 80000 pond, zoodat
bij parlementsakte de bijzondere leden daarvoor aansprakelijk
waren gesteld, op zichzelf reeds een factor tot ontbinding ').
Maar de grootste fout was wel geweest, dat de Fellowship
zich te veel aan de oude traditioneele en door allerlei wetten
en reglementen verstijfde gewoonten gehouden had.
In de Middeleeuwen had ze haar opkomst te danken ge-
had aan de [economische ontwikkeling van Engeland's in-
dustrie.
Maar zij was met die ontwikkeling op den duur niet meer
meegegaan ; zij had zich steeds gehouden aan den uitvoer
van het halffabrikaat, de witte lakens, de onafgewerkte
carsaaien en baaien. Reeds in 't begin der 17e eeuw had
ze eene waarschuwing gekregen door de maatschappij van
Cockayne, maar ze had er zich weinig aan gestoord ; ze
') Zie Lingelbach „a brief history" blz. XXXIV.
219
was gevallen en weer opgestaan en ze had den draad weer
opgevat, precies, waar hij afgebroken was. Ze was, ja, wat
meer gemengelde couleuren, Spaansche lakens en dergelijke
gaan exporteeren dan voorheen, maar de witte lakens, de
halfiFabrikaten, waren toch verre de hoofdzaak gebleven,
getuige de bezwaren over den tarra, die altijd spreken van
keuring vóór 't verven, en die niet ophouden dan met de
intrekking der courtprivilegiën.
De Fellowship had dus de kwaal vertoond, waaraan op
den duur geen enkel gepriviligeerd lichaam ontkomt, de
kwaal van den ouderdom : verstijving, conservatisme, lang-
zaamheid van beweging. Sinds den vrede van Breda was
daarbij het koninklijke charter toch reeds een doode letter,
ten minste voor den uitvoer naar de Nederlanden, want men
had in dien vrede het beginsel van gelijke behandeling voor
alle Engelschen in Nederland en voor alle Nederlanders in
Engeland aangenomen. Een belangrijke stap in de richting
der handelsvrijheid, maar waarmee men toch nog zeer ver
van de algemeene handelsvrijheid afbleef, 't Is genoeg
bekend, en 't blijkt ook uit den titel van de pasgenoemde
wet van 1688, dat juist de regeering van Willem III, waar-
van men zich hier voor den handel zooveel beloofd had, de
belemmeringen in Engeland eer grooter dan kleiner maakte.
De akte van navigatie werd niet verzacht en voor de nijver-
heid werd een zuiver mercantilistische politiek doorgevoerd,
in 't bijzonder voor de wolindustrie.
De Republiek, en vooral Holland, vernieuwden en ver-
scherpten hier tegenover hunne verdedigingsmaatregelen,
speciaal de verbodsbepaling tegen afgewerkte lakens van 1614.
En nu waren het juist de vrije exporteurs, de Entreloopers,
die door de mazen van deze wetten konden kruipen, veel
beter dan de logge Fellowship. Want zij behoefden niet te
vreezen voor intrekking van concordaten, octrooien en
privilegiën, omdat ze die niet hadden ; in den Chineeschen
muur, waarmee de Nederlandsche republiek zich omringde,
220
verlangden zij geen ruime poort, bewaakt door de scherpe
controle van een traktaat, maar ze klommen er liever over-
heen of groeven er onder door of kropen er doorheen, met
de goede hulp der handelsgrage Amsterdammers en Rotter-
dammers.
De Compagnie van den Stapel was indertijd het aan-
gewezen lichaam geweest voor den gemakkelijken uitvoer
der wol (die men in de Nederlanden gaarne binnenliet), de
Fellowship der Adventurers had hare taak vervuld als impor-
teur van het halffabrikaat (dat met zeer gemengde gevoelens
in Nederland ontvangen werd) en de vermetele Entreloopers
waren nu de aangewezen personen, om het afgewerkte
fabrikaat binnen te brengen (dat men in Nederland ver-
wenschte). Dat de verbodsbepalingen tegen hen niets geholpen
hebben, is buiten twijfel; reeds in 't laatst der 17e eeuw,
en eigenlijk al vroeger, kon men de verboden Engelsche
manufacturen overal in de winkels tentoongesteld zien.
Dit werk der Entreloopers is een van de groote oorzaken
geweest van het ongehoord snelle verval der Nederlandsche
lakenindustrie in 't begin der 18e eeuw; de drapeniers in
hunne „Droogscheerderssynode" hebben er tegen gevochten
alwat ze konden, maar 't was en bleef een strijd tegen wind-
molens : waar de Engelsche industrie de beste grondstof
der wereld in haar naaste omgeving had en de Engelsche
regeering den uitvoer dier grondstof verbood, daar moest de
strijd te ongelijk worden, daar moest de vraag naar Engelsche
manufacturen in Nederland steeds aangroeien en daar kon
men het eigenlijk Amsterdam en Rotterdam niet kwalijk
nemen, dat ze den invoer niet te zeer belemmerden, vooral
wanneer men in aanmerking neemt de dure, ouderwetsche
wijze waarop de eigen Nederlandsche industrie toenmaals
werkte.
Amsterdam had de Entreloopers reeds lang binnen zijne
muren, zooals we gezien hebben, Rotterdam had ze ook
reeds gekend vóór de komst der Adventurers, maar het
221
kreeg ze in veel grooter getale na hun vertrek en vooral
na den afloop der zeeoorlogen.
Het Rotterdamsclie archief bevat eenige documenten, die
dit duidelijk aantoonen, In 't jaar 1682 namelijk, toen de
Adventurers hun charter nog bezaten, hebben ze, en nu
geheel uit eigen beweging, zich nog eenmaal gewend tot
de regeering van Rotterdam, met het verzoek, om daar
terug te mogen komen '). De vroedschap heeft dit nog in
overweging genomen, maar er kwam nu, ook ongevraagd,
zoo'n verzet uit de burgerij, dat de onderhandelingen heel
spoedig afgebroken werden. Eenige adressen van Rotter-
damsche handelaren uit dien tijd zijn bewaard gebleven.
Daarin nu wordt beweerd, dat te Rotterdam jaarlijks ongeveer
125 schepen met manufacturen van wol binnenkomen van
Exon, Huil, Colchester, Jarmuye (Yarmouth) en Londen,
terwijl er in alle andere havens niet meer dan tien
aanlanden '). Die manufacturen worden te Rotterdam aan-
gevoerd voor rekening van burgers en van Entreloopers en
door deze menschen verder verzonden door de Vereenigde
Nederlanden en naar Duitschland. Ook zelfs naar Dordt,
den zetel van de Merchant Adventurers, waar van „de 40
lakens er 30 uit Rotterdam komen ! " „ Wat willen ze dan
te Rotterdam doen ? Waarom sulcke instantie aan de regeering
gedaen, daer sij bij haer selfs (d. i. te Dordt) sien, dat het
soo onmogelijk is, alsof een paerd wilde spreecke, soodanige
compagnie of Court op haar hals te nemen." Als de Court
weer te Rotterdam kwam, zou die daar weer het monopolie
') Zie Res. van de Rott. vroedschap.
^) Twee dier adressen zijn in afschrift aanwezig in den bundel
„Eng. en Schotsche Court." Ze dragen geen dagteekening of jaartal,
maar moeten van 1682 zijn, omdat in de vroedschapsresolutiën na
1668 op geen enkele andere plaats van een aanvraag der Adventurers
sprake is. De bewering over 't aantal schepen zal wel wat overdreven
zijn, maar men mag er toch veilig uit opmaken, dat Rott. toen reeds
de voornaamste haven voor Eng. manufacturen was.
222
van den invoer willen hebben en dus den handel van alle
aanwezige importeurs inslikken. Stel, dat ze dat kon, dat
,een muys een camel conde inslicke," dan zou toch Rotterdam
als geheel er slecht bij varen, want de expeditie naar elders zou
de Court toch niet kunnen overnemen en behouden. Immers,
in Engeland was het nu al zoover gekomen, dat % der
lakenkoopers buiten de sociëteit der Mer-
chant A d V e n t u r e r s stonden. En die hadden
altijd gelegenheid hun goed naar Amsterdam en geheel de
Republiek, ook naar Duitschland te zenden, al was het over
Calais, dat geheel buiten het monopolie der Adventurers
viel. Het resultaat zou dus zijn, „dat Rotterdam in elk geval
veel van zijn transito-handel zou verliezen." Het uitvoerigste
adres gaat dan hierop nog eenige folio-bladzijden door en
aan 't eind verzekeren de requestranten, dat ze „onder ons
weynige" spreken uit naam van vele belanghebbenden en
„dat ze niet twijfelen, of de regeerders van Rotterdam zullen
lichtelijk sien waer het quaet ligt."
Hoezeer de vrije Engelsche kooplui ook later zijn toege-
stroomd, blijkt het best uit de nieuwe Anglikaansche kerk,
de grootste van Nederland, die in 't begin der 18e eeuw
te Rotterdam is gebouwd en uit de Puriteinsche en Schot-
sche kerken, die daarnaast nog noodig bleken. Zonder eenige
overdrijving mag men beweren, dat Rotterdam, zoolang de Re-
publiek bestond, de hoofdstapelplaats gebleven is voor den
Engelschen handel op de Nederlanden.
Yan de Merchant Adventurers verneemt men hier na de
intrekking van hun charter in 1688 weinig meer '). In
Hamburg echter bleven ze nog voortleven, de geheele
'j In de Bylaw of 1688, vastgesteld in eene al gemeene vergadering
te Hamburg, wordt zelfs geen Court te Dordt meer genoemd, (zie
Lingelbach ,Laws & Ordinances", blz. 257).
223
18e eeuw door, als een deftig, ouderwetsch handelslichaam,
eene aristocratische broederschap, waarin zelfs Engelsche
gezanten en Duitsche vorsten zich als eerelid lieten opnemen.
De oude organisatie bestond er nog, evenals in Engeland
zelf, maar het getal der daar gevestigde leden bedroeg in
den regel niet meer dan 18 of 20 ')• De toetreding tot
de Fellowship werd nog verzwaard, 't geen de verstij-
ving van den ouderdom nog te beter aantoont ; de leertijd
werd gebracht op zeven jaren, maar in plaats daarvan kon
men ook volstaan met - 200 pond entreegeld. Nieuwe
leden traden dan ook maar zeer weinig toe ; het lidmaat-
schap bleef eigenlijk in handen van bepaalde familiën, waar
de zoon den vader opvolgde ; dezelfde namen keeren telkens
weer terug, ofschoon daaronder niet meer te vinden zijn de
groote namen der 17e eeuw als Caxton, Gresham, Clough,
Bradshaw, Packe, enz. De handelswerkzaamheid schijnt ook
in Hamburg niet groot meer geweest te zyn, ofschoon men
hier de oude stedelijke voorrechten bleef genieten. Teeke-
nend is in dit opzicht, dat onder de dienaren der Court
een — jager of p i q u e u r voorkomt ').
Eerst de stormen der Revolutie waren in staat, dezen
laatsten dorren tak der oude Fellowship te doen vallen ;
in 1806, toen de generaal Mortier Hamburg binnenrukte,
werden de nog aanwezige Adventurers, als Engelsche onder-
danen gevangen genomen, een jaar later dwong Bernadotte
hen tot opheffing der Court. De stad Hamburg
behandelde de „overlevenden" even welwillend als Dordt
gedaan had ; de dienaren aan Court en kerk behielden niet
alleen vrydom van belasting en wachtdienst, maar kregen
zelfs ook nog wachtgeld van de stad. Dit laatste bewijst,
dat de Adventurers de hoop op herstel nog niet hadden
opgegeven. Werkelyk is er na de verdwijning der Franschen
'j Zie Lingelbach, „the M. A. at Hamburg," blz. 279.
') Zie hiervoor Lingelbach, „The M. A. at Hamburg," blz. 279. vlg.
224
nog weer eene Court opgericht, maar ze toonde geen levens-
kracht, zoodat in 1824 de Fellowship, ook in Engeland zelf,
voorgoed ontbonden werd en den eeuwigen slaap inging.
Hare eigendommen werden verdeeld onder de laatste Fellows,
ook de papieren van haar zeker merkwaardig archief. Slechts
een klein deel ervan is tot dusver teruggevonden — we
zeiden het reeds — namelijk de Laws and Ordinances, in
1852 gekocht door 't Britsch Museum, en eenige papieren
uit de Court te Hamburg uit de nalatenschap van George
Tornton, een der 19 kinderen van John Tornton, die daar
het archief meenam.
Het is zeer te hopen, dat de andere familiën in Engeland
of elders, die met de Fellowship annex geweest zijn en nog
in 't bezit zijn van papieren of handelsboeken uit haren tijd,
zich gedrongen mogen gevoelen, om die ook te doen publi-
ceeren. Want het is zeker voor Engeland zelf en ook voor
de gansche menschheid, van 't gi-ootste belang, dat de
geschiedenis dezer Fellowship van alle zijden bekend wordt,
daar zij, misschien meer dan eenige andere, de licht- en
schaduwzyden van een groot gepriviligeerd lichaam kan
doen ^ien.
NASCHRIFT.
Eerst na het voltooien dezer studie kwam de schrijver in
de gelegenheid, het belangrijke handschrift ter inzage te
krijgen, dat door Prof. Blok ontdekt werd op het Amster-
damsch stedelijk archief, en dat op perkamenten omslag het
opschrift voert (aan de achterzijde) : ,dit boeck hoert toe
die stede van Aerastelredam".
De eerste 88 folio's bevatten de Wetten en Privilegiën
van de Fellowship der Merchant Adventurers en de volgende
folio's, met een andere hand geschreven, zijn niet anders
dan het rapport, uitgebracht door Jan oem Jansz van
Amsterdam, die met Cornelis van Aelkmade, pensionaris van
Haarlem, in 1565 door de Staten van Holland was gezonden
naar de conferentie van Brugge tusschen Enge -
land en Filips H ').
Volgens dit rapport zijn te Brugge bijeen geweest de
gedeputeerden van Filips II en Elisabeth, benevens afgevaar-
digden van Antwerpen, Vlissingen, Gent en Brugge, mits-
gaders ,ik, Jan oem Jansz met meester Cornelis van
j Dr. Brugmans' „Engeland en de Nederlanden in de eerste jaren
van Elizabeth's regeering," bespreekt deze conferentie uitvoerig, blz.
138 vlg., maar maakt geen gewag van de aanwezigheid van deze
Hollanders. Belangrijk is de opmerking in hun rapport, dat Brugge
en Antwerpen de Engelschen waren toegedaan.
15
ï
226
Aelckmade ende symen Cornelis traponierde (drapenier) van
Haarlem, als gedeputeerde ofte gesante van wegen die Staten
van Hollandt".
Alkemade heeft de klachten der Nederlandsche kooplui
over verhooging van rechten in Engeland gecopiëerd in 't
Latijn en in 't Fransch, om die te geven aan Burgemeesteren
van Haarlem, en Jan oem Jansz heeft gecopiëerd „in het
Duytsch en Engelsch, wat hier voor en hiernae met myner
handt gescreven hebbe".
De Engelsche taal komt in het rapport van Jan's hand
echter niet veel voor ; alleen de eeden, die de Adventurers
moesten zweren aan den Koning en aan het Courtbestuur
zijn in 't Engelsch gesteld met de vertaling er achter :
„translacy na den sin uit den engels in duys van die eet
dien hiervoir om gescreven staet". Al het overige is in het
Hollandsch geschreven met eene hand, die doet vermoeden,
dat Jan eigenlek van Engelsche afkomst moet geweest zijn.
(Dit vermoeden wordt bijna tot zekerheid door het feit, dat
de Hollandsche tekst veel onduidelijker en onbeholpener
gesteld is dan hetgeen Jan in 't Engelsch geschreven heeft.
Daarbij spreekt hij aan 't eind van het voornemen der
Adventurers, om „ons en de andere engelse buyten hun
Court tot eyghen lueyden te maken". Zijn Hollandsch-
klinkende naam is natuui'lijk geen bezwaar ; bijna iedere
buitenlandsche eigennaam werd hier verhollandscht en nog
dikwijls van een of anderen bijnaam of eene andere toe-
voeging voorzien. Het is ook op zichzelf lang niet onwaar-
schgnlijk, dat de regeering van Amsterdam een entrelooper
tot afgevaardigde naar Brugge heeft uitgekozen.)
De hand, waarmee de eerste 88 folio's geschreven zijn,
is eene vlugge, duidelijke hand, die zeer goed zou kunnen
passen bij een Nederlandschen afschrijver van beroep.
De onderstelling schijnt daarom niet te gewaagd, dat
Jan oem Jansz eerst naar Antwerpen is gereisd, om zich
daar door een of anderen tusschenpersoon een afschrift te
227
doen bezorgen van de wetten en voorrechten der Merchant
Adventurers en dat hij, met dit manuscript gewapend, naar
Brugge is getogen. Daar er in het schrijfboek nog heelwat
wit papier was overgebleven, vond hij zelf gelegenheid om
daarop zijne raededeelingen en opmerkingen te plaatsen.
Hiermee klopt ook het feit, dat het handschrift van den
(onderstelden) afschryver behoorlijk gepagineerd is, terwijl
de (minder geoefende) afgezant zijne aanteekeningen maar
achter elkaar heeft opgeschreven, zonder om nummering
der folio's te denken. Hij is begonnen met (voor zichzelf)
nog eens een kort uittreksel te maken van de wetten en
privilegiën der Adventurers. Daarna heeft hij eenige verhalen
en klachten opgeteekend uit den mond van andere personen,
die het congres te Brugge bijwoonden en eenige brieven
gecopiëerd, die hij heeft kunnen machtig worden. Hij geeft
o. a. eene „lyste van de exactiën," die men te Londen van
Nederlandsche kooplieden eischt. Aan 't slot vermeldt hij,
wat hij zelf, uit naam van Holland, zoo nu en dan heeft
kunnen „demonstreeren."
Dit geldt dan in de eerste plaats „die van de Coert,"
waaronder „de principael Ryckdommen, Regeerders van landen
ende stede" zijn, waarvan zelfs „eenighe in die Rade (den
Privy council) zitten en die zeer sterk in 't Parlement ver-
tegenwoordigd zijn. Zij hebben alle uitheemsche wolreden ')
ende handwercsluyden steeds meer belast, vooral de Neder-
landers. Vroeger was het inkomen in de Court vrijwillig en
kostte maar 7 shillings en 8 pence, maar binnen korte jaren
is het met dwang gegaan tegen 7 of 8 pond en nu is het
alleen maar meer mogelijk bij gunste a 100 mark (ongeveer
ƒ500). En die van de Court mogen — door privilegiën van
hun Koningen en hulp van eenige steden, vooral van Ant-
werpen, hier te lande „Court ende muterye houden," wat in
') Wolreeders De schrijfwijze .wolreden" wijst weer op .slechte
kennis van 't HoUandsch.
228
Engeland niet eens mag zonder toezicht. Zelfs eigen recht-
spraak hebben ze. En de Hanseaten hebben ze gedwongen,
niet anders dan naar de eigen steden Engelsche goederen
te exporteeren en nu willen ze den ganschen handel op de
Nederlanden aan zich trekken en alle andere Engelschen
die er nog aan meedoen, „tot eyghen lueydeu maken" ').
Ja, ze hebben in alle Engelsche exporthavens nieuwe searchers
of speurders aangesteld, om heimelijk alwat buiten de Court
uitgevoerd zou worden, te doen in beslag nemen.
Verder heeft Jan nog zijne klachten laten hooren over
de slechte behandeling der Hollandsche visschers en visch-
handelaars in Engeland ; ze worden daar ook al met allerlei
belastingen en belemmeringen geplaagd, en ze zijn zelfs
gedwongen hun ontvangen geld op wissel te geven onder
de Court.
Altijd weer de Court. Daarop komen alle klachten van
Jan terecht, daarop is al zijn denken gericht. Teekent dit
niet opnieuw den entrelooper, den gezworen vijand van de
Adventurers ?
In de wetten en ordinantiën, die voor in 't handschrift
staan, vinden we eenige bepalingen, die afwijken van de
„Lawes and ordinances" van Wheeler -). Zoo b.v. de ver-
eischten voor toelating.
Een particulier koopman kon op eigen aanvraag lid worden
tegen 10 mark sterling (±/'50), maar betaalde tevens
10 mark voor eiken zoon of leerling. Het parlement kon even-
wel ook leden aanwijzen, die dan 't zelfde entreegeld betaalden.
Tegen 7 shillings en 6 pence konden alleen diegenen
worden aangenomen, wier vaders (of wel derzel ver compagnons
of factoors) leden waren en in de laatste 20 jaren bestuurs-
functies in de Fellowship hadden gehad. Nog lager tarief
'l Dit doelt zeker op contributiën, door de Adventurers op andere
Engelschen gelegd.
*j Zie boven over deze Laws bij Lingelbach.
229
(() shilling en Ü pence) betaalden zij, die gedurende 7 jaren
in de leer waren geweest bij leden, die in de laatste 20
jaren in 't bestuur waren geweest.
Hieruit blijkt dus, dat in 't midden der 16e eeuw het
lid worden door familiebetrekking of protectie nog niet zoo
gemakkelijk ging als in de dagen van Wheeler, omstreeks
1600. Daarentegen was het heelwat gemakkelijker, zich, als
gewoon handelsman, in de Fellowship te koopen ; dit kostte
in 't midden der 16^ eeuw nog maar 80 mark of ± 50 gulden,
in den tijd van Wheeler niet minder dan 200 pond sterling.
Duidelijk bewijs hoe de Fellowship zich is gaan afsluiten,
een verschijnsel dat Jan oem Jansz in zijn rapport ook
reeds opmerkt. (In 1565 was het entreegeld voor gewone
kooplui immers 100 mark.)
Maar 't meest belangrijke, dat het Amsterdamsche hand-
schrift geeft, is datgene, dat handelt over de gouverneurskeuze.
(Artikelen 67 en 68 van de Laws, etc.) Deze brengen namelijk
de oplossing van het misverstand, waarin Lingelbach ver-
vallen is en dat hij in zijn „brief history" vooropzet met
deze woorden: „For it should be remerabered at the outset,
that the Merchant Adventurers were engaged solely in the
foreign trade and the centre of their organi-
zation was therefore located abroad and
n o t in E n g I a n d, as one might otherwise expect. "
We hebben hiervóór op verschillende plaatsen aangetoond,
dat, ten minste in de 17e eeuw, die uitspraak onjuist is,
daar toen het centrale bestuur beslist te Londen was geves-
tigd (ook reeds in 't laatst der 16e eeuw). Het Amsterdamsche
handschrift vermeldt nu den vroegeren toestand, toen de
stapel nog te Antwerpen was.
Toen werd namelijk tweemaal per jaar een nieuwe gouver-
neur gekozen : eens op de Pinkstermarkt en eens op de koude
markt, dus de keuze geschiedde altijd te Antwerpen, het
eenige punt van algemeene samenkomst voor de Adventurers.
Diegene, die gekozen werd met Pinksteren, moest pas optre-
230
den tijdens de koude markt en dan in Antwerpen blijven
tot en met de Paaschniarkt ; daarna ging hij naar Engeland
terug en bleef daar gedurende de rest van 't jaar plaats-
vervangend gouverneur ; onderwijl was op de koude markt
een nieuwe gouverneur voor Antwerpen gekozen, die daar
het gezag had vanaf de Pinkstermarkt tot en met de
Bamisraarkt, Ieder was dus een half jaar gouverneur en een
half jaar plaatsvervanger en moest daarna vier jaar stilzitten.
Alleen te Antwerpen, dus op de stapelplaats van 't vasteland,
had de gouverneur een raad van bijzitters (assistants), zoodat
werkelijk in den tijd, waarop hier gedoeld wordt, het centrale
bestuur niet in Engeland was.
Welke tijd is dit nu ? Het handschrift vermeldt dit niet,
maar 't is ongeveer te berekenen, 't Kan niet de eerste tijd
van 't verblijf in Antwerpen geweest zijn, want de bedoelde
artikelen staan niet in de eigenlijke Laws, maar in de toe-
voegsels, de „other acts off court not being in the Registre"
(beginnend onder No. 36).
Ze kunnen dus niet zijn vastgesteld in de eerste jaren
der 15e eeuw, misschien niet vóór 1420 of 30. Ze kunnen
ook niet zijn besloten na het jaar 1505, want toen werd
door Hendrik VII verlof gegeven, bijzondere assistants te
kiezen voor Engeland en die worden in de onderhavige laws
nooit genoemd. We kunnen dus aannemen, dat in de tweede
helft der 15e eeuw het hoofdbestuur der Fellow-
ship, de opperste gouverneur met zijne raden of bijzitters,
op 't vasteland was gevestigd, terwijl in Engeland zelf niet
anders dan een vertegenwoordiger van 't centraal bestuur
was. Dit past zeer logisch in den loop der geschiedenis :
immers, vooreerst was de eenheid der Fellowship nog bijna
nergens anders te zien dan op hunne gemeenschappelijke
stapelplaats en ten 2e moest het bestuur nog in hoofdzaak
de belangen der Adventurers voorstaan bij de autoriteiten
op 't vasteland en niet in Engeland.
Met het optreden van koning Hendrik VII werd dit
231
anders : toen nam de Engelsche regeering, zooals we boven
gezien hebben, zelf met volle kracht de leiding der handels-
politiek in handen ; de Fellowship kreeg groote voorrechten,
maar kwam ook meer onder voogdij van den koning. Nu
was het dus haar eerste belang, om voortdurend met de
regeering in Engeland in aanraking te zijn ; daarom zocht
ze de gelegenheid, om haar hoofdbestuur te Londen te ves-
tigen. En die gelegenheid kwam ongezocht in 't jaar 1504,
toen de stapel wegens Engelsch-Xederlandsche handels-
kwesties was verlegd naar Calais. Dit versterkte de tegen-
werking der Stapelcompagnie, die al lang vijandig w^as, en
de Adventurers wisten den koning te beduiden, dat zij, om
hunne belangen te verdedigen, een bestuurslichaam te Londen
noodig hadden. Op de courtvergadering van 24 Januari L505,
te Calais gehouden, werden toen voor 't eerst 24 assistenten
gekozen, die vandaar naar Engeland moesten gaan, om, met
den gouverneur, de belangen der Fellowship te behartigen ').
Hiermee is dus het zwaartepunt der Fellowship naar
Londen overgebracht ; het bleef alleen gewoonte, het hoofd-
bestuur op "t vasteland te kiezen in eene algemeene verga-
dering (genera! court), maar na afloop der keuze ging het
dadelijk naar London, om daar zijne functies uit te oefenen.
Jan oem Jansz, die wellicht door mondelinge inlichtingen
den zin der wetten en privilegiën beter kon nagaan dan wg,
zegt in zijn uittreksel : „omstreeks 1500 kregen de Adven-
turers het recht om een gouverneur en 24 raadslieden te
kiezen, die eerst in deze landen (de Nederlanden of wel
Calais) moesten komen, op straffe van 20 pond sterling, en
dan vergaderden te Londen of op eene andere plaats, die
hun believen zou "),
'j Zie het Amst. handschrift fol. 52, „for assistentes in inglande
and for tham doinge against the privileges of the companye, " gedrukt
bij Schanz, deel II blz. 553. (Hier is de datum echter 24 Jan. 1506).
*) Amst. handschrift, op 't eerste folio na de eeden (Eng. en
Hollandsch).
232
Natuurlijk moest er ook nog altijd een bestuur gekozen
worden met den zetel in de stapelplaats op het vasteland,
maar dit nam voortaan de tweede plaats in. De rollen der
gouverneurs zijn waarschijnlijk omgekeerd : die in Engeland
werd de governor, de hoofdman, en die te Antwerpen of
elders werd de deputy of plaatsvervanger. Ieder had dan
zijn raad van assistenten naast zich. En in later tijd, toen
er soms meer dan eene court op 't vasteland was, hadden
die ieder zoo'n deputy met assistenten, b. v. in 1611 te
Middelburg en te Hamburg, in 1635 te Hamburg en te
Rotterdam. Zoo schijnt het ons aan 't eind wel het meest
logisch en 't meest waarschijnlijk. Immers, al moge er later
te Middelburg, Rotterdam en Hamburg wel vaak gesproken
worden van courtmaster, of governor of deputy, dan is dat
eenvoudig een bewijs, dat die namen door elkaar werden
gebruikt ; de functionaris staat ouder den governor te Londen
als diens plaatsvervanger. Wanneer Lingelbach vermeldt,
dat te Hamburg eerst een courtmeester was en in de 18e eeuw
maar meer een deputy, dan heeft hij zich waarschijnlijk
door deze naamsverwarring van 't spoor laten brengen. De
kans daartoe is zeker gi-oot genoeg, zooals schrijver dezes
ook ondervonden heeft : in de brieven en documenten staat
namelijk dikwijls : „governor- deputy and assistants" ; zeer
licht leest men daaruit : „governor, deputy and assistants',
terwijl toch feitelijk de twe-e eerste woorden één titel vormen
„goveruor-deputy", d. i. gouverneur-plaatsvervanger. (De
slordigheid met teekens kan in oude handschriften misver-
standen genoeg verwekken.)
Dat een gouverneur e n een deputy in een gewone stapel-
court een onaannemelijke weelde zou zijn, blijkt duidelijk
genoeg uit het feit, dat zelfs in Londen in het algemeen
hoofdbestuur nooit van een gouverneur met zijn plaatsver-
vanger gesproken wordt : zoo komen b. v, de drie bekende
Middelburgsche afgevaardigden van 1598, die toch alle
personen van invloed afloopen, wel bij den gouverneur
233
Goddard, ook bij den rechtskundigen adviseur Fletcher, maar
niet bij eenigen deputy.
Met de hier gegeven eenvoudige opvatting klopt ook zeer
goed het eerste artikel van de Lawes and Ordinances by
Wheeler '), dat zegt, dat jaarlijks een gouverneur over de
geheele Fellowship zal gekozen worden, welke gouverneur
of zijn deput y of deput e e s benevens 24 assistenten zal
gekozen worden ten tijde van de markt of bij andere gele-
genheid. Waarom een deputy o f meer deputees ? Deze
vrijheid is alleen te verklaren, als men de deputees erkent
als hoofden van stapelcourten op 't vasteland, die immers
ten getale van een of twee mochten bestaan.
Of.de keuze van een nieuwen algemeenen gouverneur de
gansche 16e, 17e en 18e eeuw jaarlijks geschied is, vonden
we nergens bewezen, maar er is geen reden, om dit anders
te verwachten ; immers, het Londensche citybestuur, dat voor
de Adventurers een aantrekkelijk voorbeeld moest z^'n, heeft
die gewoonte ook door alle eeuwen heen behouden. De
deputees of courtmeesters op het vasteland echter bleven
wel meer jaren achtereen, zooals boven genoeg gebleken is
bij de Courts te Delft, Rotterdam en Dordt.
Ten slotte raag uit het Amsterdamsche manuscript niet
onvermeld blijven, hoe helder licht dit werpt op den eigen-
lijken aard van den handel der Adventurers. Laken, baai
en karsaai treden ook hier vooral als de groote, gemono-
poliseerde stapelartikelen op, maar daarnaast wordt een
uitgebreide handel vermeld (zonder officieel monopolie) in
allerlei artikelen. Het zou trouwens ook wel groot wonder
geweest zijn, indien b. v. de 3500 Fellows uit den tijd van
Wheeler allen hun brood hadden kunnen verdienen met den
handel in Engelsche manufacturen.
') Zie Lingelbach, blz. 6.
234
Er worden hier talrijke andere Engelsche exportartikelen
genoemd, b.v. tin, leer, talk, meede, aluin, levensmiddelen
van velerlei soort ') en eindelijk eene categorie „ruf and
groff," d. z. pek, teer, zwarte zeep, hop, olie, vvagenschot,
klaphout, sparren '), matten en wouw ^). In artikel 45 van
de, ,other actes" wordt zelfs gesproken van kruideniers
(„grossers"), die te Bergen op Zoom goederen koopen,
waarschijnlijk dan de Portugeesche specerijen, waarvoor dit
stadje naast Antwerpen eene markt schijnt geweest te zijn.
Van andere retourwaren uit de Nederlanden vinden we alleen
vermeld levensmiddelen, paarden en harnas, die te allen tijde,
ook buiten de markten, mochten gekocht worden op wille-
keurige plaatsen, b.v. Brugge, Middelburg, ter Vere, Arne-
muiden, Vlissingen en Antwerpen.
In 't algemeen was de handel in al deze waren tamelijk
vrij ; alleen de verkoop der groote stapelartikelen, laken,
karsaai en baai, was streng gereglementeerd naar tijd, plaats
en hoeveelheid.
De overige artikelen der „acts" en „other acts" zyn van
minder belang, en de privileges, die er in 't Amsterdamsche
handschrift na de ,other acts" volgen, zijn reeds bijna alle
by Schanz en Lingelbach gedrukt. Niettemin zal het hoogst
wenschelijk zijn, dat het geheele belangrijke handschrift,
zooals 't er ligt, uitgegeven wordt. We zouden dit reeds
hier doen, indien niet bij de commissie van advies voor
's Rijks geschiedkundige publicatiën plannen bestonden, alle
te vinden documenten omtrent den Engelschen handel op
de Nederlanden gezamenlijk uit te geven. In die collectie
zal het Amsterdamsche manuscript dan zeker eene belangrijke
plaats kunnen innemen. Het is ook met het oog op die
') Art. 11 van de acts.
^) Deze houtsoorten zullen waarschijnlijk door de Adventurers uit
Scandinavië aangevoerd zijn, zoodat ze dan hiermee als internationale
tussehenhandelaars optreden, evenals later met de Levantsche waren.
^) Art. 12 van de acts.
235
collectie, dat wij ons liier bepaald hebbeu tot slechts enkele
bijlagen die onmisbaar zijn tot recht verstand van ons onder-
werp, dat niet is de geschiedenis der Merchant Aventurers,
maar slechts een schets van hun verblijf in de Nederlanden
en van hunne verhouding tot de Nederlandsche autoriteiten.
COPIE.
Articulen ende pointen van cl' Engelsche
Court binnen deser stadt van Rotterdam
residerende, gesloten den V*^" Febr^.
1635.
Allen den ghenen, van wat staet ofte conditie die syn, die ^°''° ^■
dese jegenwoordige sullen sien oft hooren lesen, Wij Vroetschappen ^^^ contract ofte
der Stadt Rotterdam, soo wel voor ons als onse naercomelingen, concordaten
doen te weten ende certificeren, dat wij door onse Gedeputeerde, "^^^""""^ '^'J" s^'
stelt de namen
de heeren Cornelis Claesz. van Driel, Willem Allertsz. van Gouwen- vande Gecom-
hoven, ende Pieter van der Meyden, Burgemeesteren der voorsz. muteerden aan
stede, mitsgaders Cornelis Jansz. Hartichvelt, Pieter Wthouck, ^^ ^^^''^
Niclaes Puijck, Adriaen Besemer, Pieter Sonmans ende Mr. Symon
van Beaumont, pensionaris deser stede, gedeputeerde neflfens
de voorsz. heeren Burgermeesteren, hebben doen tracteren met
de E. heeren Samuel Averij depute Gouverneur van t' collegie
van de Societeyt vande marchants adventuriers van Engelandt,
tegenwoordich tot Delff, Wilhelm Cockcroft, tresorier, Barney
Reijms, Johan Qaarles, ende Antony Fletscher, assistenten, ende
Thomas Clarck, Secretaris | vant selve collegie, versien met speciael foUo i varso.
ende volcomene Authoriteyt deur commissie vande voorn. Societeyt,
residerende tot London, den teneur waarvan aen het eynde van
desen is geinserreert, aengaende seeckere ordonnantien ende
statuten, dienstich ende van noode tot de trafficque ende comercie,
als oock raeckende privilegiën, belangende de residentie van
de voorsz. Societeyt, ende dat wij oock volcoraentlyck t'samen
hebben besloten ende geaccordeert syn, op eene seeckere forme,
begrepen inde naervolgende articulen, ende daei-omme hebben
wij aende voorsz. Societeyt der marchants adventuriers ende
haerluyder adherenten, ondersaten vanden Coninckrijcke van
Engelandt, die nu ofte hier naermaels personelyck door haer
selven ofte haerluyder facteurs ende dienaers onder ons sullen
238
resideren ende handelen, gegunt, gegeven ende belooft, soo bier
naer volcht:
Folio 2. Eerst, alsoo wy bet dienstich vinden, tot bet onderhouden vande
ïe gemeyne commercie, bet voordeel van onse gemeynte, ende onder-
e . ücie ey \er jjQ^^jjjQpg g^^g vermeerderinge vande onderlinge vruntschap met
guiit vryheyt om o oor
binnen dese de verniaerde Engelscbe natie, dat de Societeyt der marchants
stadt to coopen adventuriers van Engelandt haerluyder residentie stellen ende
ende vereoopen, . . j, i i i •• j
vry vanaccijnsen baere comercie exerceren bmnen onse staat, hebben wy aen de
ende hare resi- voorsz. Societeyt der marcbants adventuriers vergunt, dat sy van
entie al ler. ^^^ voortaen vrijelyk, sekerlyck ende vredelyck sullen mogen hebben
ende continueren de plaetse van haerluyder residentie ende handel
binnen onse voorsz. Stadt, ende vorder in onse stadt mogen
importeren, innebrengen ende vereoopen alle hunne goederen ende
eoopmanschappen, soedanich die zyn, ende van gelycken daer
wederomme andere eoopmanschappen coopen, uytvoeren ende
uytseynden, sonder molestatie, uytgesondert het innecomende ende
Folio 2 verso, uijtgaende convoij van bare laeckenen, carsayen ende baijen | die
sij uijt Engelandt ontfangen, oft uijt dese Stadt naar Engelandt,
Hamborch ofte elders daer de Societeyt nu ter tyt hare residentie
beeft, ofte hier naermaels sal hebben, sullen verseynden, als mede
uytgesondert het innecomende convoye van hare Engelscbe bieren,
waer van als mede van de convoijen op hare laeckenen, carsayen
ende bayen, sy vrij ende exempt S3"n by Octroij ende verscheydene
andere acten vande Hoog Mogende Heeren Staten Generael. Ende
beloven wij onse beste devooiren te doen om van de Hoog Mogende
Heeren Staten Generael, als mede van de Groot Mogende Heeren
Staten van HoUandt te vercrygen, dat de voorn. Societeyt gelycken
vrydom van uijtgaende convoij sal genieten op alle andere Engelscbe
wolle manufacturen ; ende opdat onder 't dexel van desen vrijdom
geen bedrocb en worde gepleecbt, sal den verseynder van alsulcke
Folio 3. goederen gehouden wesen te exhiberen j behoorlyeke attestatie
onder den segel vande voorn. Societeyt, dat de voorsz. goederen
toebehooren de cooplieden der selve, ende dat den eygendom van
dien nyet - en is verandert. Ende ten einde de voorsz. Societe3"t
der marchants adventuriers met haerluijder consorten ende adhe-
renten (alle dewelcke met haerluyder substantie, goederen ende
eoopmanschappen wij nemen in onse bescberminge ende saufegarde)
239
te sekerder ende vryer onder ons mogen converseren ende nego-
tieren, hebben wij aen haerluyden ende ider van haer gegeven
ende geconsenteert vrij geleijde ende Saufconduict, niet alleenlick
binnen dese onse stadt van Rotterdam, maer van gelycken in
alle andere plaetsen ons subject, volgens de forme ende expressen
teneur van t' selve geleyde hier achter aen het einde van dese
concordaten geschreven. Ende beloven wij insgelycx van de Groot
Mogende Heeren Staten van Hollandt | te vercrijgen brieven van foUo 3 verso.
Saufconduict, ende deselve aen de voorn. Societeyt in behoorlycke
forme over te leveren.
Ten tweeden beloven ende verbinden wij ons bij desen jegen- "e
woordige aen de voorsz. Societeyt, ingevalle dat eenige oorloge ^^ g'oc^etTy^^e
ontstae tusschen de Coninckrycke van Groot Brittagnien, ende de versien met
Coninckrycke van den Coninck van Spagnen, dat wy op het schepen van
versoeck van den Gouverneur ofte synen Gedeputeerden van tyde
tot tyde onse beste devooiren sullen aanwenden, dat de schepen van
de voorn. Societeyt worden versien met eenige schepen van oorloge
om deselve te convoijeren van de Mase tot aen de riviere van
Thamis in Engelandt, ende om deselve te defenderen tegens den
vyandt ende alle injurien sonder coste vande voorn. Societeijt. | foUo 4.
Ten derden beloven ende consenteren wij van gelycken, indien ^^i^
eenich schip, de voorsz. cooplieden adventuriers ofte eenige derselve ^^^^^^ ^^^^^ ^
toebehoorende, ofte waer inne de cooplieden der selve eenige deren veriiesen-
goederen geladen hebben, schipbreuck Ivde binnen de jurisdictie ^^ ^^ societeyt
1 " 1 1 1 • 1 1 tehulpetecomen
van onse stadt, ofte dat eenige goederen, verloi'en deur schipbreuck, ^^^ ^^^j. yggjjt
ofte t' ontladen van eenich schip, aen het landt, den zeeoever ofte
custe, onder de jurisdictie van onse stadt come te dryven, dat
de cooplieden ende ider van hen alsulck recht sullen genieten als
onse burgers. Ende en Sullen wij niet alleenlyck alle mogelycke
hulpe verleenen aen de gene, die in noot ende peryckel syn, niaer
Sullen wy ook alle neersticheyt doen, dat de schepen ende goedern
worden gepreserveert, ende deselve int geheel ofte in deel gebercht
synde, sullen | sy de eygenaers worden gerestitueert, mits betalende Folio 4 verso.
alleenlijck de verschotene oncosten, ende eene rechte ende redelijck
berchloon voor de gepreserveerde goederen, maer indiender imandt
van onse onderdanen sal wesen, die meer als eenen redelycken
240
ofte rechtelyken penninck oft loon sal begeren, ofte imanden aff-
d wingen voor de goederen die van schipbreuk sullen wesen
gesalveert, ofte eenich gevvelt sal attenteren tegens de personen
ofte goederen van eenige Engelsche, sal hy seveerlyck worden
gestraft met gevankenisse ofte andere arbitraire correctie, naer de
qualiteyt van syne misdaet. Ende wij beloven de voorsz. Societeyt,
van de Groot Mogende Heeren Staten van Hollandt gelyck privilegie
ende vryheyt te vercrygen in dit point van schipbreuck, in wat
Folio 5. plaetse ofte deel van deze | provintie t' selve sal geschieden om
bij henluijden gebruijckt ende genoten te worden.
luie Ten vierden beloven wij, indien het geviele, dat imandt vande
van quetsen oft ^Q^j-g^^ Societeyt ofte haerluijder adherenten gequetst, gewont
ofte (dat Godt verhoede) doot geslagen wierde binnen onse stadt
ofte de limiten ende het gebiet van dien, dat wij van stonden
aen ons debvoir sullen doen dat den misdadigen deur onsen officier
ofte zijnen substituijt worde geapprehendeert, ende inde gevanke-
nisse gelegt, ende geapprehendeert synde, beloven wy dat hy
sonder delay voor syn misdaet soo seveerlyck sal worden gestraft,
als sal dienen tot exempel van alle andere.
■^e Ten vijffden, indien het gebeure, dat eenige | injurie ofte schade
van injune o te ^^^^ worde aen eenige van de voorsz. Societeyt ofte hunne
schade aen die o o ./
vande Societeyt Schippers in hunne schepen ofte andere instrumenten ende ge-
ende schippers, j-eetschappen daer toe behoorende, t' sy by losmaekinghe, snijdinge
ofte brekinge van hare touwen, coorden, cabels oft ankers, ofte
henluyden in eenige andere maniere moeyende, beloven wij, dat
wij alsulcken quaetdoenders seveerlyck sullen straffen ende hun
sonder delay constringeren tot de reparatie ende volle restitutie
van de injurie, gewelt oft gedaene Schade.
"Pie Ten sesten vergunnen wij, ingevalle imanden eenige goederen
van goederen te ^^„^g voorsz. Socicteyt, ofte imanden van hen, stele oft ontdrage,
stelen. "^
t' sy secretelijck oft met gewelt, dat, byaldien alsulcke goederen
Folio 6. connen gevonden worden, ende | dat de gene die deselve kallen-
giert can doen blycken, dat de goederen, die alsoo gestolen oft
ontdragen syn, hem toecomen, sal hij deselve dienvolgens ontfangen
ende t' hemwaerts nemen, sonder hinder oft belet van imanden.
241
soo de goederen nog s^^n in handen van den dieff oft steler, en de
niet veralieneert ofte wecb gemaeckt en sijn in opene merckt daer
alsulcken goederen gemeynlyck vercocht worden. Ende sal onsen
ofiBcier gehouden wesen op het versoeck van den eygenaer oft
kallengier van alsulcken gestolen ofte ontdragen goederen, hem
alle assistentie te doen, bj denrsoeckinge van eenige plaetse
daermen meynen sal deselve goederen als noch te syn. Ende indien
den voorn, officier de goederen te voren heeft gecregen sullen
deselve aen den eygenaer gerestitueert worden, de oncosten, daer
op verschoten, betaelt sijnde. foUo 6 verso.
Ten sevenden hebben wij de voorsz. Societeyt geconsenteert eene viie
bequame ende wel gelegene kercke, genaempt de S* Pieterskerck, Kercke.
om daer inne te doen d' exercitie vande Christelijcke gereformeerde
religie volgens de disciplijne ende ordre van de kerke van Engelandt
in voegen ende manieren gelyck tegenwoordelvck by haerluijden
binnen de stadt van Delft wordt geuseert, welcke kerche vergroot,
geapproprieteert ende gehouden sal woi'den in behoorlycke reparatie,
sonder cost vande voorn. Societeyt tot contenteraent vande selve,
waer inne wij de voorn. Societeyt oock vergunnen volcomen
vrijdom van Sepulture ende Christelijcke begravinge van haer-
luijder dooden. Ende beloven wij geene andere publycque Engelsche
kercke in onse stadt te tolereren of toe te laten als | de kercke foUo 7.
vande voorn. Societeyt. Ende soo imanden in haerluijder ver-
gaderingen predickt tegens de leere ofte discipline van de kercke
van Engelandt, sullen wij sorgedragen t' selve voor te comen
ende beletten.
Ten achtsten ; ten einde alle saecken gevoechelyck ende in goede viiie
ordre mogen geschieden, beloven ende vergunnen wii de voorsz. ^® Societnyt te
, , . .. versien van een
Societeyt der cooplieden adventuriers te versien van vrije, bequame bequame huy-
ende gepriviligeerde huijsinge ende erve, om bij de voorsz. Societeyt s'^ge ende erve
gebruijckt ende genoten te worden, ende thunnen behoeve ende °™ ^^'^^'l "'"^^
"^ "^ o ' daerin te nouden.
contentement te worden geapproprieert soo lange als sij in onse
stadt sullen resideren. Ende beloven wij tot de voorsz. huijsinge
ende erve te laten gebruijcken ende te approprieren de | plaetse foUo 7 verso,
binnen onser stede genaemt het hoff van Bolgersteyn, ende deselve
bequaem te maecken voor den Gouverneur, Depute, Predicant,
16
242
Secretaris, Conseirgen vande voorn. Societeyt, mitsgaders drie
boden ende den coster ofte voorleser vande kerck ; in welcke
huijsinge het de voorn. Societeyt georlooft ende toegalaten wort
vrijelyck, sekerlyck ende sonder molestatie van imanden wie het
sy, soo dickmaels als het henluijden goetduncken ende van noode
wesen sal haerluider court ende vergaderinge te houden, ende te
tracteren, consulteren, communiceren ende concluderen aengaende
disciplijne, regeringe ende conservatie van justitie onder haerluijder
natie, als mede aengaende haerluider handel, negotiatie, conversatie
ende de exercitie van haerluyder privilegiën. Ende hyaldien alle
Folio 8. de officieren vande voorn. | Societeyt niet en connen worden ge-
accomodeert met de voors/. huijsinge ende erve, sullen wij dezelve
elders van goede ende bequame huijsen versien op onsen cost tot
contentement vande voorn. vSocieteyt, ende sullen wy alle de
voorsz. huijsen houden in goede reparatie sonder cost vande
voorn. Societeyt, mede tot contentement vande selve. Ende beloven
wij middelertyt tot dat de voorn, huijsinge ende erve can worden
betimmert ende geapproprieert den voorsz. depute met alle de
andere personen hier voren verhaelt te versien met vrije ende
bequame huijsen op onsen coste.
ixe Ten negenden vergunnen ende laten wij toe, dat de voorsz.
e societej-tvei- gQgjg|;gy^ ^q^ cooplieden adventuriers ende hunne adherenten
gunt vrydom van "^ _ '■
escynsen van binnen de huijsen van haerluijder consciergen, daer de gemeyne
huyshoudende j-^fe] vande voorn. Societeyt sal | worden gehouden, als oock in
haerluyder privé huijsen ende familien (soo dat in deselve geender-
hande tafel worde gehouden voor die vande voorn. Societeyt ofte
imant anders), sullen mogen hebben ende inneleggen alle soorten
van bier, wyn, ende andere huyshoudende provisie in groote, maer
niet in cleyne quantiteyt ofte gewichte, sonder voor deselve te
betalen eenigen accijs ofte impost, nochtans soo, dat het niet vrij
en sal syn voor de conseirgen van de voorn. Societeyt, oftiraandt
anders, wie het sy, in haerluyder privé huijsen t' selve bier, wijn
ofte provisie te vercoopen t' sy in groote ofte cleijne quantiteyt
aen eenige andere dan de lidtmaten vande voorn. Societeyt ende
hanne adherenten, op pene dat den overtreder volgens de placcaten
ende statuten van de Groot Mogende Heeren Staten van Hollandt,
als ook de constitutien van onse stadt teojens de fraudateurs
I)rovisie,
Folio 8 verso,
243
vande | accisen gestraft sal worden. Ende consenteeren wij oock Folio 9.
dat de ongehoude lidmaten van de voorn. Societeyt voor hare
brandinge alle jaer oock sullen mogen inneleggen in de huijsen
daer sy hare camers hebben, elck veertich tonnen tnrf met brant-
hout naer advenant, vry van accijs ende impost. Ende op dat
onder decxsel van desen vrydom geenderhande bedroch en ge-
schiede aen onse comptoiren, sal de voorn. Societeyt ende ider
van hen gehouden wesen voor het inneleggen van alsulcken bier,
wyn ofte provisie in onse accijsen te exhiberen ende geven een
brieffken ofte billiet, onderteeckent deur den Courtmeester ofte
Secretaris vande voorn. Societeyt.
Ten tienden vergunnen ende geven wy, dat de voorn. Societeyt xe
ende ider van hen sal wesen vrij ende ontlast, soo wel van waecken, ^^ ®^ ^^°
'^ ' _ waecfeen ende
wachten, ofte houden van garnisoenen, waer t' selve | t' eeniger andere personele
tijt ofte plaetse sal te doen wesen, ende van alle contributien ^"^"^e reeie lasten
dienthalven, als ook van alle andere personele ende reële lasten, ^^^^^
taxatien ende snbsidyen, die ten regarde van t' voorsz. waken, FoHo 9 verso,
wachten, thouden van garnisoenen ofte eenige andere saecke
soedanich die soude mogen wesen, aireede op onse burgers^ onder-
danen ende ingesetenen gestelt ende geset, ofte hier naermaels
op imanden van hen te stellen ende setten. Ende in andere saecken,
in dese artieulen niet gementionnert, sal de voorsz. Societegt ende
ider van hen hebben ende genieten deselve vryheyt, liberteyt, com-
moditeyt, recht ende coustuijme, die onse burgers wordt vergunt
ende by hen wort genoten.
Ten elfifden beloven ende vergunnen wij, dat wij geene Engelsche ^^^
• PIT 1 • i 3j_ 11 Geene Engelsche
ofte Schotsche garnisoenen oit soldaten binnen onse stadt sullen ^^^^ schotsche
logeren, i nochte dat geene soldaten, van wat natie deselve oock Garnisoenen
soude mogen we.sen te eeniger tyt ofte op eenige occasie binnen ^^!°°®° ^^^®
" DJ 1 o ^ ^ stadt te gedogen,
het gepriviligeert huijs vande voorsz. Societeyt, ofte in eenighe nochte dat
andere hare privee huijsen, ofte oock in eenighe borgers huijsen, eenige soldaten
daer die vande voorsz. Societeyt sullen hebben hunne camers ofte ^^ j^^^^^^^^.^^^^
packhuijsen, sullen te coste gaen, ofte worden gelogeert, maer societeyt ofte
sullen de voorsz. huijsen ende yder der selve daer van geheelyck ^^^^ '"°® s®'°"
geert worden.
wesen bevrijt, exempt ende ontlast. i-oüo iq.
244
Xlle
de Societeyt ver-
gunt om te kie-
sen Gouverneur
ende andere per-
sonen ende oock
t' administreren
recht ende justi-
tie souder preju-
ditio van dese
sladt.
Folio 10 verso.
Folio 11.
Folio 11 verso.
Ten twaelfFden geven ende gunnen wij de voorsz. Societeyt der
cooplieden adventuriers onder ons residerende, vryheit om volgens
hunne chartren ende privilegiën te kiesen ende ordonneren eenen
discreten ende gequalificeerden persoon tot Gouverneur ofte pre-
sident vande selve Societeyt om alle de andere te gouverneren
ende regeren, | als mede synen Gedeputeerde ofte Lieutenant
ende daerenboven te institueeren ende bij hem te voegen andere
gedaechde mannen ofte assistenten ende officieren uyt haerluijder
ordre, aen wien wij vorder geven volle macht om te exerceren
civille jm-isdictie, ende t' administreren recht ende justitie aen die
van haerluijder natie, ende alle saecken, processen, geschillen,
tussche Engelschen ontstaende, vriendelyck te composeren ofte
definitivelyck by hare sententie te decideren ende eindigen sonder
vorder proces, gelyck het honluijden inde gerechtigheyt best sal
duncken, volgens hunne coustuijmen, statuten ende constituijtien.
Ende wat bij henluijdeu alsoo sal worden getermineert ende be-
sloten, ordonneren wy dat 't selve onder henluijden sij vast ende
bevesticht, ende dienvolgens worde geexecuteert. Van gelycken
geven wij uijt alle de macht die wij hebben aen de voorsz. | Societeyt,
ende aen hunnen Governeur otte zijnen gedeputeerden ende assis-
tenten respectivelyck, ende te dier tyt wesende, alsulcken jurisdictie
als haerluijden by syne hooch gemelte Conincklycke Majesteyts
Chartern is vergunt, ende dat niet alleenlyck over al ende ider
dergene die vrij syn vande voorn. Societeyt ende de Supposten
der selve, maer oock over alle ende iegelycke de ondersaten van
den Coninck van Engelandt coraende binnen de jurisdictie van
onse stadt, al ist dat sij niet vrij en syn in de voorn. Societeyt,
henluiden ende ider van henluyden te regeren, governeren ende
courrigeren volgens den teneur ende effect vande privilegiën de
voorn. Societeyt vergunt deur syne hoochgemelte Majesteyt van
Groot Brittaignen. Ende indien imandt den voorsz. Governeur
ofte zijnen depute ende assistenten wederstaet, ende ongehoor-
saem is, ende syn selven daer tegen stelt, sullen Burgemeesters
ofte I andere magistraten te dier tijt wesende, hun geven haer-
luijder beste assistentie ende sullen naer haer vermogen hunne
debvoiren aenwenden, dat den persoon, indien hij binnen onze
stadt ofte jurisdictie vandien w'ort bevonden, worde gebracht
tot behoorlicke conformiteyt ende gehoorsaemheyt, maer wy
245
begeren, dat dit article soo worde verstaen, dat ons glieene pre-
juditie en geschiede in onse pretentien tegens eenige Engelsche
voor vechten, hoereren, ofte diefte ende andere criminele saecken,
die by ons gestraft sullen worden volgens de rechten, statuten
ende coustuijmen van onze stadt.
Ten dertienden beloven ende vergunnen wij, dat niemant vande xine
voorn. Societeyt ofte eenige andere vande Engelsche natie, wie ^"'™^°* ^^°<*ö
■^ =" ° ' Societeyt ofte
het soude mogen wesen, sal aengenomen ofte geadmitteert worden andere Engei-
tot borger van onse stadt sonder de kennisse | van den Gouver- «'•'^e natie aen
neur ofte zynen Gedeijuteerden ende naer voorgaende communicatie ^ °®™6°
•'t- o borger dan met
sulcx dat daer over ten wederzyden sal werden gegeven contente- kennisse vanden
ment in alle redelyckheyt. Ende indien imandt vande voorsz. Gouverneur ofte
Engelsche natie, voor desen geworden synde off noch comende te teerden ende
worden borger van dese Stadt, soude eenigen handel voor hem vande jurisdictie
selffs off voor yemant anders over zee willen doen van eenigerleii ^''°'^® socjetejt
■^ o J subject te syn.
coopmanschap van rechle gemaeckt, sal deselve niet tegenstaende foUo 12.
syn burgerschap de jurisdictie ende regeringe vande Societeyt
subject wesen. Tot welcken einde, om de voorsz. gewordene burgers
te kennen, aende Societeyt sal behandicht werden eene lyste vande
namen van alle deselve.
Ten veertienden vergunnen wij de voorsz. Societeyt dat sij vrijelijek xiiiie
ende sonder tegenseggen van imanden sullen mogen gebruijcken ende ''" '''^'^^^ ^'^^°"
genieten hunne oude coustuymen ende rechten in het arresteren ende
onder arrest te houden de personen ende goederen van die ] vande foHo 12 verso,
voorn. Societeyt ende haerluijder supposten, ende oock van alle
andere Engelsche, wie het soude mogen wesen, ondersaten van
syne Conincklyke Majesteyt, ende tot desen eynde geven wij
volle macht ende authoriteyt aende officiers vande selve Societeyt,
om alle alsulcke arresten te maken binnen onse stadt ende de
jurisdictie van dien, t' allen tyden als sy daer toe sullen worden
gecommandeert by den Gouverneur ofte zynen Gedei^uteerden.
Ten vyftienden beloven ende vergunnen wy, dat den Gouverneur xve
vande voorsz. Societeyt ofte zynen Gedeputeerden sal mogen <^evangemshuijs
■^ " ende in gevanc-
gebruijcken het gevangenisse van onse stadt, met alsulcken ge- kents te stellen.
reetschappen van isers ende andere instrumenten van straffe als
246
daer toe behooren, ende \vy vergunnen aen den voorsz. Gouverneur
ofte zynen Gedeputeerden volle macht, vryelyck inde voorsz.
Folio 13. gevankenisse te | stellen ende te houden, ende wederorame te
ontslaen de ghene die hem sullen ongehoorsaera syn ofte degene
die yet sullen attenteren tegens de ordonnantien, sententien,
privilegiën eude statuten vande voorsz. Societeyt. Ende sal den
officier van dese stadt met syn dienaers gehouden wesen, soo
dickwils als het versocht sal worden, hier inne te verleenen alle
assistentie, noch en sal hij eenige Engelsche uyt de gevankenisse
ontslaen ofte ontlasten sonder expresse last ofte consent vande
Governenr ofte zynen Gedeputeerden.
xvie Ten sestienden ist geaccordeert ende besloten, indien dat eenige
Van processen ^^ borgers ofte ingesetcnen ofte vreemdelinck (geen Engelsche
ende actie van ... \a &
d' een d' ander wesende) hebbe eenige civille actie tegens imandt van de voorsz.
in rechten te be- Socicteyt ofte hacrluj'der adherenten, dat het hem geoorlooft sal
loupen. ^^^^^ sjne actie te institueren ende vervolgen t' sy voor ons, ofte
voor den Governeur ofte zynen Gedeputeerden ende assistenten,
Foüo 13 verso, ende en | sal hem nergens elders ter eerster instantien t' selve
georloft syn te doen, ten sy dat de bi-ieven oft obligatien innehouden
prorogatie van jurisdictie ofte dat de aenleggers sijn gepriviligeerde
personen. Ende indien den aenlegger syn proces voor ons wil
vervolgen, sal den Engelschen verweerder, sonder t' selve te weder-
staen, voor ons verschijnen ende sal soo wel den aenlegger als
verweerder gebruijcken t' recht van onse stadt, maer indien den
aenlegger den voorsz. Gouverneur ofte zynen Gedeputeerde ende
assistenten voor rechters kiese, ende syne actie voor hem instituere,
sal hij deselve oock voor henluyden vervolgen ende syn selven
submitteren aen hunne sententien ende vonnissen ende daer mede
te vreden syn. Maer anders, soo menichmael als een Engelsman
syne saecke rechtelyck wil vervolgen tegens eenige van onse
borgers, inwoonderen ofte ondersaten ofte eenigen vreemdelingen,
wie het sy, dat geenen Engelsman ofte Suppost vande voorn.
Folio u. Socteteyt is, sal hy gehouden wesen t' selve altyts | voor ons te
doen, ende sullen beyde partijen van waerden houden ende naer-
comen tgene by ons sal worden gepronuncieert, indien geen appel
vande definitive sententie behoorlijck en worde geinterponeert.
Ende vorder, tot beter accomodatie vande voorn. Societeyt ende
^
247
meerdere expeditie van hunne saecken ende actiën, die vooi
ons sullen comen, salder gemaeckt worden eene extraordinaris
roUe van alle saecken ende processen hangende tusschen imandt
vande voorn. Societeyt ende andere, opdat deselve eerst ende
voor andere saecken mogen worden geexpedieert ende ge-
eyndicht. Tot welcken einde wy de voorsz. Societeyt oock
beloven dat alle pi'ocessen in geschrifte ofte bestaende in feyten
binnen veertien dagen naer het furnisement sullen worden ge-
termineert.
Ten seventienden beloven ende vergunnen wy, dat wanneer xviie
,- n, , ,1 I p. -I • T /-t 1 als eenich arrest
eenige actie oite arrest wort begonnen oite gedaen m de Court „ ,- ,,
C' OIO ofte actie inde
vande voorn. Societeyt tegens eenigen persoon ofte goederen, court wort be-
deselve subject, dat de voorsz. actie ofte proces niet wech getrocken g«»i»en d'seive
„ T . • 1 f '^'^^ wech te
sal worden uyt de voorsz. Court, deur eemge vercoopmghe oite nemen,
alienatie van de actie ofte goederen aen eenigen persoon de voorsz. foUo u verso.
Court niet subject, ofte bij eenige andere collectie, hoedanich die
soude mogen wesen, maer sal in sulcken gelegentheden de definitive
sententie vanden Gouverneur ofte zijnen Gedeputeerden ende
assistenten dienthalven verwacht ende met effect geexecuteert
worden.
Ten achtienden beloven wij onse beste debvoiren te doen, om xvine
IjrÏGVGIl CXGCUtO"
van de Groot Mogende Heeren Staten van HoUandt te vercrijgen, ^.j^^j ^jj^j.,^j.g^g_
dat aende voorn. Societeyt sal worden verleent brieven executoriaal, cutie te stellen
uyt crachte vande welcke sij geauthoriseert sullen zyn ter executie ^^^^ sententien,
•' j o ./ ordonnaiitien
te stellen alle de sententien, ordonnantien ende statuten deur ende statuten.
de voorn. Societ3"t gemaeckt | ofte noch te maecken, volgens den FoHo 15.
teneur van haerluijder privilegiën ende consequentelijk tot de
betalinge vande poenen ende boeten daer toe gestelt, tegens de
overtreders te procederen by apprehentie, aentastinge ende arrest
van personen ende goederen deur dese geheele provintie, te water
ofte te lande, sonder dat daer tegens ijet sal worden gedaen bij
appel oft andersints. Ende beloven wij insgelycx te vercrygen,
dat hierinne alle hulpe ende assistentie sal worden verleent aende
voorn. Societeyt ende hunne dienaers deur de officiers van dese
provintie.
248
XlXe
Certificatie on-
der segel vande
Societeyt sal
alsulcken geloo-
ve werden gege-
ven als die vande
stadt ende ex-
tracten ofte
copien te maec-
ken by die vande
Societeyt sonder
notaris behouve
te gebruycken.
Folio 15 verso.
Folio 16.
Teil negentienden, in alle saeeken ende judiciele acten, getrac-
teert ofte gehandelt voor den Governeur ofte zynen Gedeputeerden
ende assistenten, ende waer van certificatie sal gegeven worden
onder den segel vande voorn. Societeyt, ende de signature vanden
Gouverneur, sijnen Gedeputeerden, tresorier ofte Secretaris, sal
alsulcken geloove gegeven | worden als oft t' selve voor ons burge-
meesters ende schepenen collegialiter waere gedaen ende gecerti-
ficeert. Van gelycken, indien eenich different oft geschil ontstae,
aengaende eenige saecke ofte iets begrepen in dese privilegiën,
ende de craclit ende de confirmatie der selve, tussche wie d' selve
oock soude mogen dependeren, tot certificatie ofte preuve waer
van het noodich sy, dat eenich deel der selve privilegiën worde
uijtgeschreven ende geexhibeert, in sulcken gevalle en sal de
Societeyt niet gehouden wesen eenen publycquen notaris te ge-
bruijcken om alsulcken extract ofte copie te maken, maer als den
noot sulcx vereyscht, sal den Governeur ofte zynen Gedeputeerden
den Secretaris vande Societeyt ofte zynen substituijt vermogen
te ordonneren copie ofte extract authenteijcq te maeeken van
alsulcken privilegie, als de saecke in questie aengaet, welck gelyck
credit ende authoriteyt sal gegeven worden als oft i het by eenen
notaris ofte anderen publiquen persoon waere uijtgetrocken.
xxe Ten twintichsten geven ende gunnen wij aende cooplieden vande
Testamenten te o • i i i i ni ± i i i
, voorn, bocietevt ende hunne adherenten, wanneer sy hunne te.sta-
inaecken. " ' ■'
menten maken, vrydom om de.selve te ordonneren ende van hunne
meuble goederen, gelegen binnen onse jurisdictie, te disponeren
volgens de maniere ende coustuijme van Engelandt, ende alle
tgene alsoo sal worden geordonneert sal wesen vast ende bondich,
ende dienvolgens geexecuteert naer de affliviche^-t vanden testa-
teur. Ende indien iemandt sterve sonder testament te maken sal
syne geheele erffenisse onder de Administratie vanden Governeur
ofte synen Gedeputeerden ende assistenten vande selve Societeyt
comen ende devolveren aen syne naeste erffgenamen ende vrunden,
noch en sullen wy ofte de weesmeesters van onse stadt ons
eenich recht toe ey genen over de personen ofte roerende goederen
Folio 16 verso, vande weescu | van eenige van de voorn. Societeyt, alhier
comende te sterven, behoudens trecht van de crediteuren. Ende
wij beloven de Societeyt confirmatie van dit article te pro-
249
cureren ende vercrijgen vande Groot Mogende Heeren Staten van
Holland t.
Ten eenentwinticbsten beloven ende gunnen wij dat de voorn. -"^^^^
Societeyt ende ider van hen sal mogen arresteren, becommeren ^' '^'^'•^ "y ^'-'
o ' gunt cm voor
ende recbtelycken uytwinnen voor Burgemeesters ende Schepenen Burgemeesters
van onse stadt de i^ersonen ende goederen van alle hunne schulde- '^"*^® schepenen
,~. , T , . T . vande stadt
naers, jae selns vande gene die bmnen onse stadt met en wonen, uytwinuen, be-
in sulcker voegen als onse borgers ende ingesetenen in gelycke commarea ende
saecken vermogen te doen, ende dat binnen ses weecken naerdat ^"^^'^'■®" ƒ
personen ende
het provenue van soodanighe goederen ten comptoire van onse goederen van
stadt sal wesen gebracht, tgelt betaelt sal worden aen den persoon, ^^nne schuide-
die t' arrest heeft gemaeckt, ende | d' evictie heeft vercregen, ^^ ^ ^^ steiien.
sonder vorder delay, mits dat hy eerst stelle suflfiisante borge Foiio n.
voor de restitutie ten behoeve vande gene die daer toe beter recht
sal hebben.
Ten twee en twintichsten beloven ende verbinden wij ons van xxiie
gelvcken bv deze Tegenwoordige, dat wy aen niemant, dieeenige ^ .. . . .
'^ ' " •'O ° ' - ' ° aende Societeyt
vande gene die
aende Societeyt
vande voorsz. Societeyt schuldich is, ofte te seer met schulden schuidich is niet
beswaert zijnde, t' sy een van onse borgers oft ingesetenen *'^ vergunnen
ofte anderen vreemdelinck, wie het sij, sullen vergunnen eenige ^jg respeyt ofte
protectie ofte brieven van cessie, respit ofte diergelycke op diergeiycke.
hoedanige occasie het soude mogen svn, maer willen wij, dat
deselve sullen cesseren voor alsulcke schulden als die vande
voorn. Societeyt originalyck toebehooren ende niet bij a.ssignatie
van andere. Ende wanneer wy daer toe behoorlyck sullen
worden verso.cht, sullen wij de personen ende goederen vande
insolvente ende | fugitive schuldenaers, ofte die gesuspecteert foUo 17 verso,
sullen wesen fogitijff te syn, sonder vorder delay doen arrestee-
ren deur onse officieren, ende vorder, als het noodich sal
wesen, doen vangen ende inde gevankenisse houden; noch en
sullen wij alsulcke arresten aff doen, noch de gevangene ont-
slaen sonder wille ende consente vande gene die t' selve heeft
doen doen. Ende beloven wy alle raogelicke devoiren aen te
wenden, om de confirmatie hiervan aende Societeyt te vercrijgen
vande Groot Mogende Heeren Staten van Hollandt.
250
xxiik- Tpii drie en twinticbsten beloven ende vergunnen wij de voorn,
als eenich arrest g^^jg^g^ ende vder van hen, soo wanneer ten versoecke van den
by den Gouver- "^
iièur ofte synen Governeur ofte zynen Gedeputeerden ofte eenige andere vande
Gedeputeerden voorn. Societeyt, imants persoon ofte goederen sal worden ge-
'** ƒ * -. '«oio^^ arresteert om schuit ofte andere civille saecke, by onsen officier
met te ontslaen ' •'
sonder kennisse ofte eenigen anderen persoon daertoe gequalificeert door ons bevel,
van deseive. ^j^j. alsulckeu arrest niet en sal worden affgedaen, 1 noch den
Folio 18. - PT 11
gearresteerden persoon oit goederen ontslagen, sonder consent
vanden voorsz. Governeur ofte zynen Gedeputeerden, ofte den
persoon selfiFs, die t' arrest heeft doen doen. Ende indien den
officier ofte andere ter contrarien dede, sal hy den persoon, die
alsulcken arrest heeft doen doen, verantwoorden syne geheele
actie, ende hem ten vollen daer voren contenteren.
xxnne Ten vier en twinticbsten vergunnen wij, dat niemant van de
die vande So- yQQj.jj Societeyt in synen persoon oft goederen binnen onse stadt
cieteyt niet te . .
arresteren son- ofte jurisdictie der selve voor schuit ofte andere civille saecke,
der consent van- ende waer oj) geen sententie en is gepasseert, sal wordeu ge-
den Gouverneur. j. i. 3 j.j j_ n r\ r^
arresteert sonder voorwete ende consent vanden Governeur oite
zynen Gedeputeerden, ten S}- dat hy fugityff is, ofte merckelyck
gesuspecteert wierde voortvlucbtich ende insolvent, in welcken
gevalle, naer d' insinuatie daer van. aenden Governeur ofte Gedepu-
Fuiio 18 verso, teerden gedaen, | indien alsulcken persoon geen borge can stellen
door een coopman van de voorsz. Societeyt, een borger oft ingeseten
van dese stadt, oft anders sufficantelycken caveren, sal hy ge-
arresteert ende inde gevangenisse gehouden worden, ende getrac-
teert worden geh'ck onse burgers, ten sy hij synen crediteur
contentere, ende indien imandt te hove mandement obtineerde
op den persoon van imanden vande voorn. Societe^'t, sal hy in
sulcken gevallen genieten alsulcken recht ende privilegie als de
borgers van onse stadt indien deele wort vergunt.
xxve Ten vijffentwintichsten, indien imanden vande voorsz. Societeyt
\an iinan en ^^^ worden geapprehendeert voor eenige criminele saecken, niet
vande Societeyt o 1 i o '
inapprehentie te Gx officio ofte by formele accusatie van imant anders, sal in
nemen. sulcken gevalle onsen officier gehouden wesen ten versoecke vanden
geapprehendeerden persoon van stonden aen oock te appre-
FoUo 19. henderen ende in | bewaringe te houden den aenclager ofte be-
251
schuldiger, tot dat beboorlyck ende claer bewys wort gedaen van
het delict den eerst geapprehendeerden ten laste geleyt, ofte by
faulte hier van sal den gevangen Engelschen, die eerst geappre-
hendeert was, dadelyck ende van stonden aen vryelyck worden
ontslagen op den cost vanden beschuldiger ofte dengenen, die
hem dede apprehenderen.
Ten ses en twintichsten, indien het geviele (t welck Godt ver- xxvie
hoede) dat imandt vande voorsz. Societeyt ofte hunne adherenten '^^ goederen van
binnen onse stadt ofte jurisdictie van dien committere alsulcken eenich deiict en
delict, waer voren hy capitalycken ofte aen den lijve moste gestraft sai niet werden
worden, nochtans en sullen syne goederen daeromme (ten waere ^^"^ ^^^ ' .^^
, ware in crimen
in crimine laesae Majestatis) niet worden verbeurt ofte gehouden laesaeMajestatis.
als geconfisqueert, maer sullen deselve vry ende vranck gelaten
worden aen syne meesters ende de rechte eygenaers i vandien. foUo 19 verso.
Van gelycken en sal oock gheenen anderen persoon ende innocent
in eenigerley manieren gemolesteert ofte gearresteert worden in
persoon ofte goederen voor de misdaet ofte schuit van een ander,
noch oock vorder als een ider eens eygen misdaet ofte schuit verdient
ende vereyscht, ten sy hy schuldich is inde selve crime, ofte als
borge synen persoon ofte goederen voor een ander heeft verbonden.
Ten seven en twintichsten beloven ende vei'gunnen wy, ten xxviie
einde dat eene vaste ende seker evaluatie van de goude ende '^^ 'sseibanck.
silvere munte ende speciën mach worden gestablieert ende dat
eene genoechsame quantiteyt van geit voor de occasie vande
voorn. Societeyt mach becoraen worden in onse stadt, beloven wy
te sullen besorgen dat binnen onse stadt eerstdaechs een wisselbanck
sal worden opgerecht, ende dat daerinne de munten ofte speciën
van gelde | van tyde tot tyde sullen worden gestelt ende gehouden FoHo 20.
volgens den cours ende forme vande wisselbanck tot Amsterdam,
ofte anders gelyck met gemeyn advijs sal goet gevonden worden ;
welverstaende dat men niet min als drie hondert gulden in banck
sal mogen betalen oft afschrijven. Ende beloven wy mede, dat
de jegenwoordige vischmarct metten eersten geapproprieert sal
worden tot eene bequame burse voor de cooplieden vande vooi'n,
Societevt ende andere negotianten.
252
xxviuo Ten ticbtentwinticbsten beloven wij vorder, dat wij, soo verre
voordesocieteyt | j ■ g,j]jgjj besovffen ende vercriigen vande Hoosf
te vercrvfjen, dat ' * . .
sy mogen genie- Mogende Hecren Staten Generael, dat die vande voorn. Societeyt
tin seeokere pri- mogen genieten het effect vande privilegiën, hun vergunt door
^'\"'t.\""' ^\ hertocb Phillips van Burgundien, te weten dat geene goederen
tDcli Philiis dat '■ n j o o
iiare goederen de coopUeden vande voorn. Societeyt toecomende, sullen worden
niet en werden yetbeurt | ofte gBConfisqueert, omdat deselve door eenich mis-
dcseive op ' het ^'^^'^*^^^"t ^^^ vertuijmenisse, t' sij ten respecte vande qualiteyt ofte
convoij deur quantitevt vande goederen, mogelyck bevonden souden worden
ccnich misver- j,j(jg,-, ^q| ^-^[q^^ rechtclvck aengegeven te wesen, maer dat in sulcken
.stant qualycksyn .- o o
aengegeven. gevalle den misdoender alleenlijk gestraft sal worden met de boete
loiio 20 verso, ofte verbcurte van viermael soo veel als bevonden sal worden
niet betaelt ofte te cort betaelt te wesen, ende dat gelycke ordre
worde geobserveert met de cooplieden vande voorn. Societeyt
ende henluyden adherenten, aengaende t' recht dat geraeynlick de
convoyen ende licenten genoempt wort.
xxixe Ten negenentwintichsten beloven wij van gelycken, soo verre
e oen \eicrij- .^j^ -^^ ^^^^ -^ qjj^q guUen alle moo^elvcke devoiren aenwenden om
gen eflfectuele _ o ^
exiiibitie van de voorn. Societevt vande Hoog Mogende Heeren Staten Generael
het piaecaet ge- als oock van de Groot Mogende Heeren Staten van Hollandt
caet op de Com- ^^ ' vercrygeu, dat eene goede ende seeckere ordre worde gestelt
mercie vande tot de effectuele executie van het placcaet op de commercie,
Coopheden ad- geintituleevt Placcaet op de Commercie vande cooplieden adventuriers
veiituriers van ^ ^
d'Engeisehe ^^'^ ^ Engclsche Tiatie, gepubliceert ende vernieut int jaer 1631.
""'■e- Ende dat tot desen eynde in alle plaetsen de geünieerde provintien
deur, soo wel de generale Searchers ende hunne substituijten, als
alle andei'e officiers in het voorsz. placcaet geroert, sufficantelyck
inoghen worden geauthoriseert ende met eenen specialyck gelast
ende geboden, het voorsz. placcaet te executeeren ende de poenen
van confiscatie, daer inne begrepen, van de contraventeurs van
't selve, sonder eenige compositie, faveur, ofte conniventie te
heijsschen ende aff te vorderen.
xxxe Ten dertichsten geven wij de cooplieden vande voorn. Societeyt,
Van contraeten gQ^ yerre als in ons is, I macht om in hunne contracten ende
ende handelin- .
gen. handelingen hun te mogen reguleren volgens de gemejme dispositie
Folio 21 verso, yan rechten, ende dat de voorsz. cooplieden in deselve contracten
253
mogen bedingen ende maecken alsulcke conditien, als sy sullen
dencken hun profytelyxst te syn.
Ten eenendertichsten geven ende vergunnen wy vorder aende xxxie
voorn. Societeyt dat wy geene ondersaten vanden Coninck van *^^®"® oudersa-
■^ ^ . ten vanden Co-
Engelandt sullen toelaten over zee binnen dese stadt ofte de ninck van Enge-
jurisdictie vandien te brengen ofte te landen eenigecoopmanscbappen '-'"^dt toeteiaien
(victuaillie ende alderhande coren uytgesondert) de voorn. Societeyt /^"^" ''^^^ ^
subject, ofte die deselve hier naer subject sullen worden, gemaeckt coopmanschap-
ofte gewassen binnen de domeynen van den voorsz. Coninck oft i"*^" (uytgeson-
elders waer het soude mogen wesen, ofte by wat naem deselve ^„^q coren) ten
soude mogen genoerapt worden, ten sy dat sy vry zyn vande sy deseive
voorn. I Societevt ofte hun consent daertoe hebben verci-egen, ende «'^''J*''"* «yn de
' j • . ° Societeyt.
dat ons t' selve oock bh'cke deur de certificatie vanden Gedeputeer- poiio 22.
den ofte Secretaris vande voorsz. Societeyt. Ende soo imandt hier
tegens sal doen, sal zijnen persoon ende goederen worden gearres-
teert ende daer van worden gedisponeert volgens de Conincklycke
Majesteyts chartren in dien deele aenda voorn. Societeyt vergunt.
Ten twee en dertichsten beloven wij, dat noch onse burgers xxxiie
ofte ingesetenen ofte vreemdelingen, wonende hier ofte in Engelandt ^^'^'^^ goederen
. bij onse burgers
van hier naer Engelandt ofte uyt Engelandt in dese stadt ofte ofte vreemdeiin-
de limiten van dien, sullen doen brengen eenige coopmanschappen, gen aihier te
hoedanich die souden mogen wesen, die int geheel ofte in deel ,^!°°f°'
" ' " welcke toecomen
imandt vande voorn. Societeyt ofte eenige andere Engelsche toe- de Societeyt.
comen ende dat op poene van telcke reyse te verbeuren vyff
hondert guldens, om by ons gestelt ende gelegt te worden op
onse burgei'S ende | andere onse jurisdictie subject, behalven de foiio 22 verso.
boeten die gestelt sullen worden op den Engelschen overtreder
deur de Societeyt volgens huune chartren ende ordonnantien.
Noch en sullen wij toelaten dat eenigen borger, ingesetenen,
Engelsche ofte anderen persoon binnen onse jurisdictie opentlyck
ofte bedecktelyck syn naem, merck ofte segel sal leenen om daer
mede te beviyden, bedecken ofte defenderen de laeckenen ofte
goederen van eenigen Engelsman, wae het sy, maer verbieden wy
t' selve eenen iegelycken op de voorsz verbeurte van VA'ff hondert
guldens, om geappliceert te worden ten behoeve van onse stadt.
254
XXXIIIü
van goederen,
die verbercht
ofte bevryt syn,
by den bode van-
de Court te arres-
teren ende van
valsehen eedt te
doen.
Folio 23.
Folio 2.3 verso.
Folio 24.
Ten drie en dertichsten ; vorder gunnen wy, dat, soo dickvvils
als den Governeur ofte zynen Gedeputeerden, ofte imandt vande
voorsz. Societeyt bij informatie, stercke suspitie ofte blyck, tegens
eenige van onse burgers ofte ingesetenen, t' eeniger tyt sal be-
vinden, dat bij I verborcht ofte onder syn naem bevrijt ofte bedeckt
eenige goedere ofte coopmanschappen eenigen Engelsman toebe-
hoorende, t' sij dat d' selve goederen syn opgenomen ende in
synen packhuyse gevoert, ofte als nocb t' scbepe berusten, sullen
alsulcke goederen op het versoeck vanden bode vande Court deur
onsen Officier ofte met kennisse van eenen Burgemeester ge-
arresteert worden, ten sy dat de saecke soo waere gelegen, dat
sij geen uijtstel en mochte lyden, om snlcx vanden officier ofte
Burgemeester te versoecken, in welcken gevalle den bode vande
voorn. Sscieteyt alsulcken goederen sal mogen arresteren ende
brengen inde bewaringe vande voorn. Societeyt ; niettemin sal hy
daer naer gehouden wesen sonder uijtstel een vande heeren Burge-
meesteren t' selve te kennen te geven, ende sullen alsulcke goederen,
bij wie ofte op wat manieren dat deselve sullen mogen gearresteert
worden, gehouden worden inde bewaringe vande voorn. Societeyt,
totdat alsulcken borger ofte ingesetenen voor Burgemeesters ende
Schepenen ter presentien | vanden voorsz. Gouverneur ofte zijnen
Gedeputeerden, ofte twee andere bij hem daer toe te ordonneren,
sal by eede verclaert, oft andersints sufficantelyken bewesen hebben,
dat alsulcke goederen ende coopmanschappen hem toecoraen, ofte
syne meesters ende compagnie ende geene Engelsche directelyck
ofte indirectelyck toebehooren, ende dat deselve goederen ende
coopmanschappen hem ofte zijne principalen toequaraen, als sy
in Engelant geoocht, gescheept ende naer dese landen gevoert
wierden, ende dat hij ofte syne meesters ofte princi^jalen geene
Engelsche synde, de risicque ende avonture der zee van de
selve goederen gedragen hebben, met welcken eedt ofte ander
sufiöcant bewijs de voorsz. goederen geevinceert ende geclaert
zijnde, sullen deselve costeloos ende schadeloos worden gerestitueert.
Maer indien daernaer bevonden wort, dat alsulcken bewijs (sonder
eedt) geproduceert, sal valsch wesen, sal alsdan den misdoener
van ons gestraft wordeu mette boete inden voorgaenden article
gementioneert. Ende sullen de goederen wederomme | worden
gebracht in de bewarinsje van de Societevt ende sal daer van
\
255
gedisponeert worden volgens de rechten ende ordonnantien derselve.
Ende indien imandt bevonden sal worden (dat Godt verhoede)
eenen valschen eedt gedaen te hebben, ofte den bode vande voorn.
Societeyt te hebben wederstaen in het doen van syn Offitie, sullen
alsulcke personen by ons gestraft ende gecorrigeert worden ten
exempel van alle andere.
Ten vierendertichsten beloven wij vorder aen de voorsz. Societeyt, xxxiiiie
dat wij ons uüijterste debvoir sullen doen om vande Hoog Mogende ^^"^ ^'^'^ ^''"'^
TT ri , /-( 11 T ,-, o o binnen desestadt
Meeren btateu (renerael als oock vande Groot Mogende Heeren te doen.
Staten van Hollandt te vercrygen, dat den tarra van alle Engelsche
laeckenen, die eenige fauten ofte gebreken hebben, t' sij in lengte
ofte breedte of andersints, alleenlyck in dese stadt ende nergens
elders sal worden gemaeckt, ende dat tot desen einde de placcaten
ende instructien nu ter tyt ter contrarien in vigeur, sullen worden
gerevoeeert ende wederropen. | Insonderheyt, aengesien onse stadt FoHo 24 verso.
is versien met versche wateren, rivieren ende andere nootsaecke-
Ij^ckheden, bequaem ende nut tot de natmakinghe ende preuve
vande voorsz. laeckenen. Ende op datter eenen standvastigen ende
sekeren cours van metinge mach worden gestelt, willen wij, dat
de meters altijt in haerluijder boecken sullen stellen de lengte
van yder laecken dat .sy meten ende dienvolgens aen de cooplieden
certificatie leveren.
Ten vyff en dertichsten accorderen wij, dat alle sijde laeckenen xxxve
ende allerhande syde waren, damasten, groffriinen, boratten ende ^^° ™eten met
•^ ' > o J ' ^g giig_
diergel3"cken coopmanschappen, daer prijs van wort gemaeckt met
de elle, sullen gemeten, ontfangen ende gelevert worden bij de
Bruchsche elle, maer Engelsche laeckenen, lijnwaeten, ende alle
soorten van Engelsche wolle coopmanschappen, t' sy gecocht ofte
vercocht, sullen gemeten worden met de Brabantsche elle volgens
de oude gewoonte, ende en salder geen meetgelt betaelt worden,
als de goederen niet en worden | gemeten, noch en sullen die vande foüo 25.
Societeyt gedwongen worden hunne goederen te doen meten, als
sy andei'S connen worden geaccomodeert.
Ten sesendertichsten : vorder geven ende orunnen wii aende ^xxvie
" o j Yan twee con-
voorsz. Societeijt vrije macht, om te stellen ende kiesen twee scu-gen te kiesen.
256
oock meters en.ie conscirgeii, oiu voor de coopliedeu van de Societeyt ende hare
vouwers van
adherenten ffemeene tafel te houden, als oock meters ende vouwers
laeckeuen ende
andere dienaers van laeckenen ende andere coopmanschappen, als oock packers
als oock make- ende andere noodige dienaers als haerluijden sal goetduncken.
eedt v.ai"d^ien^° ^^^ mede de voorsz. Societeyt vermogen te stellen twee oft moer
maeckelaers totte de nombre van ses incluijs. Ende ingevalle daer
nue de gelegentheyt vanden coophandel vereyschtten, datter noch
meer werden gestelt, sal t' selve werden gedaen met kennisse
ende goedvinden vande Burgemeesteren. Alle welcke maeckelaers
gehouden sullen syn, haer te reguleren naer de ordonnantie op het
stuck vande maeckelaerdye binnen deser stede gemaeckt ofte noch
Folio 25 verso, te maecken. Nocb en sal imandt tot eenige van dese | bedieningen
worden geadmitteert, voor ende alleer hij daertoe heeft behoor-
lycken eedt gedaen, maer wij begeren ende ordonneren dat de voorsz.
maeckelaers ende meters voor ons oock den eedt sullen doen, ende
gehouden wesen hen selven vromelyck te dragen ende sonder
bedroch, sonder d' eene partie meer als d' andere toegedaen te
wesen, maer sullen gelijckelyck getrou wesen, soo wel onse
borgers ende andere cooplieden, als de voorn, cooplieden adven-
turiers. Ende de meters sullen gehouden wesen haerluijder officien
in persone te bedienen. Ende indien eenige vande voorsz. officiers
ofte dienaers wierden bevonden, hun selven oneerlyck gedragen
te hebben, ofte imanden eenige schade gedaen te hebben in hunne
goederen ofte andersints, ofte in eenige andere maniere te hebben
misdaen, sal hy van syne officie worden gedeporteert ofte
andersints worden gestraft naer de qualiteyt vande misdaet ; ende
indien eenige schade gedaen is, sal hij gehouden sijn t' selven te
vergoeden ende restitueren.
xxxviie Ten seven en dertichsten vergunnen wij, dat de i cooplieden vande
van m.aeckeiaer- ^qq^-^ Societeyt niet gehouden sullen wesen, eenige maeckelaerdie
die te betalen. J o > o ^
Folio 26. te betalen op eenigen coop ofte handelinghe van eenige goederen
ofte coopmanschappen, deur henluijden te coopen ofte vercoopen, ten
sy dat den maeckelaer present is, als het contract is gemaeckt, ende
den Godspenninck daervoor heeft gegeven; ende salder met gemeyn
consent eene lijste van mackelaerdye worden gemaeckt, volgens
dewelcke alle maeckelaers hnn sullen hebben te reguleren, ende
daer mede hun tevreden houden.
257
Ten achtendertichsten beloven wij dat de voorn. Societeyt xxxviiie
versien sal worden met beciuanie kayen ende cranen tot de ladinsfe ^''^®" ®° ® "'*"
^ " ^ nen.
ende ontladinge van hunne goederen ende coopmanschappen. Ende
ten einde de cooplieden vande voorn. Societeyt hier inne te beter
mogen worden geaccoraodeert, sullen wij doen ordre stellen door de
havenmeesters, dat haerluyder schepen ende booten bequamelijck
ende sonder belet \ aende eaijen sullen mogen lossen ende laden, foiio 26 verso.
Ende sullen die vande voorn. Societeyt geen craengelt betalen
voor hunne goederen, als sy de crane ofte de dienaers der selve
niet en gebruycken.
Ten negenendertichsten ordonneeren wij, indien het geviele, xxxixe
dat eenige waren ofte andere goederen worden bedorven ofte^''" se a e van
^ _ ^ penige goedereu
eenige schade lijden, met deselve te lossen ofte laden, deur onacht- by den craen-
saemheyt ofte schuit vande Craenmeesters, hunne Substituyten ™eester ofte
ofte dienaers, ofte eenige andere, wie het sy, dat in snlcken ^^ vergoeden
gevalle den Craen meester voor hem ende sijne dienaers, ende
alle andere, gehouden sai wesen de schade ten vollen te ver-
goeden, ende sal hij van ons tot de betalinge vandien gedwongen
worden.
Ten veertichsten beloven wij de voorn. Societeyt, dat wij de ^^e
ballance ofte het instrument om te wegen binnen onse stadt sullen '^"^ ® * .
° ende gewichte
maecken ende houden volgens de forme ende coustuyme van het ende van t' loon
gewichte ende de | ballance t' Amsterdam, ende dat den loon voor "*''''* ^^^ wegen
, 11 j j 1 11 ende het gebrnij-
t wegen van alle goedei'en ende coopmanschappen, als ook voor ^^^^ ^^^^^g j.j.jjQg_
t' gebruijek vande crane sullen gestelt worden volgens eene lijste fouo 2T.
daer van met gemeyn advijs te maecken.
Ten eenenveertichsten beloven wij de voorn. Societeyt ende ^^le
cooplieden der selve te besorgen een genoechsaem getal van ® esorgen
i o o o schepen ende
gedeckte schepen ende lichters tot de seeckere ende bequame uchters.
ladinge ende ontladinge van hunne laeckenen ende andere coop-
manschappen, ende om deselve te brengen ende voeren aen
ende van hunne packhnysen, soo wel int innecomen als uyt-
gaen van haerluyder schepen van grooten last, tot seeckeren
redelycken loon, gelyck met gemeyn consent sal worden ge-
ordonneert.
17
258
xLiie Ten tweeenveertichsten beloven wij sorge te dragen, dat die
sleden, siesie- y^^^g yoom. SocieteA-l, t' allen tyden sullen gedient worden niet
pers, wagenaers •' *=■
ende andere ar- eoH genoechsaem getal van sleden om hunne goederen vande kaye
beyders. ende crane deur de | straten aen ende van hunne packhuysen ende
kelders te voeren, als oock te besorgen, datter sal wesen een genoech-
saem getal van sleslejDers, wagenaars, schippers, arbeyders ende
andere wercklieden, te water ende te lande, die bereyt sullen syn,
om voor die vande voorn. Societeyt te wercken tot eenen redelycken
pryse, volgens de lijste daervan met gemeijn consent te niaecken.
XLIIIe
booten '^ ofte^ '^^^ drieenveertichstcn beloven wij dat alle de scheepsbooten
schuyten vande oftc schuijten vande schepen vande voorn. Societeyt de personen
Societeyt de goe- g^^g goederen vande cooplieden ende haerluijder adherenten,
deren vande . i • ti
coopiuyden sul- sonder eenige molestatie sullen mogen brengen ende voeren binnen
len mogen bren- onse stadt ende vandaer wederomme aan haerluijder schepen naer
gen binnen desa j> • • i i.
" ^ ^ ^ d occasie vereischt.
stadt ende weder
aen de schuyten.
XLiiiie Ten vierenveertichsten beloven wij, dat de coopluijden vande
Niemant eemge yoorn. Societevt, ende gene andere ondersaten | vanden Coninck-
Levantscheeoop- "^
manschappen te 1'ycke van Engelandt, sullen mogen brengen binnen onze stadt oif
brengen binnen de jurisdictic vandien alderhande Levantsche coopmanschappen
eze s a ^^^^ op den ouden voet gelvck sv tot noch toe daer syn gebracht
die vande So- ^ o ., . .' o
cieteyt. geweest, sonder dat de stadt deselve ofte eenige andere coopman-
Foiio 2S. schappen de voorn. Societeyt toebehoorende sal vermogen te
beswaren met eenige vordere lasten, als tegenwoordelyck daer op
in onse stadt syn gestelt.
XLVe Ten vijfifenveertichsten beloven wy, jaerlicx op eenen seeckeren
Eenmaei sjaeis (ja^ij te sullen Vergaderen in eene seeckere bequame plaetse alle
alle de personen ^^ officiei'S cudc publicque personcn, daer die vande Societeyt
daer de Societeyt eenichtsints mede te doen sullen hebben, te weten de Craen-
mede te doen jugggters, wagemeestcrs, Accvsenaers, de Sypiers ofte bewaer-
hebbeu op een ' o » ^ i
seecker plaetse ^ers van onse gevangenissen als oock de wagenaers, schippers,
ende aidaer voor sleluij den, arbeydcrs ende diergelycke, ende aldaer openbaerlyck
viieeien'^ ^ ^" ^^ Icsen ende verclaren alle ende iegelicken de privilegiën vande
Folio 20 verso, voorn. Societeyt,. | de voorn, officieren ende hunnen dienst aen-
gaende, ten eijnde sij te beter mogen weten, hoe sij haerluijden
in hare officien ende dienst sullen hebben te dragen.
259
Ten sesenveertichsten beloven wy te helpen vei'sorgen, dat die XLVie
vande voorn. Societeyt geaccomodeert sullen worden met bequame ^^ Societeyt te
... -, 11'. T-i, versien met be-
woonhuijsen, camers ende packhuijsen tot redelycken pryse. Ende quame huysen,
soo de Societeyt sal goet vinden, dat een competent getal van pack- camers ende
huijsen worden getimmert, sullen wii de voorn. Societevt daer inne ^'"^^^'^y^''^ *°'
" redelycke huj-re
gerieven tot redelycke nuere; welcke packhuysen getimmert .sullen ende de pack-
worden op de paerdemerct bij de oude Schiedam se poort, mits iiiysen te tim-
dat de voorn. Societeyt de magistraet haer resolutie dienthalven ™®'^®° °^ ®
sal te kennen geven binnen den tyt van ses raaenden naer
datum deser.
XLVIIe
Ten sevenenveertichsten beloven ende consenteren | wij, dat wy i^'oHo 29.
, , , 1 1 ,,> 1 1 , 11 T 1 T T ^^1 wacht te
s nachts goede ende bumcante wacht sullen doen houden op de doen houden
., j ••iij j iii T 11.. daer de meesten-
straten ende prmcipalyck, daer den meestendeel van de packhuijsen deei vande pack-
vande voorn. Societeyt syn, als mede te besorgen dat de burgers fe'^'^besorg^n^dat
ende alle andere haer sullen dragen vredelj^ck ende vrundelyck vriendT"k d^^-
tegens de lidtmaten vande voorn. Societeyt. s^° tegens de
° "' litmaten vande
Societeyt.
Ten achtenveertichsten beloven ende consenteren wy, dat wy xLvine
alle mogelvcke debvoiren sullen doen om onse stadt te bevrijden ^^ °*''^* ^^°
watervloet ie be-
van watervloet. vrijden.
Ten negenen veertichsten beloven wij de voorn. Societeyt tot xLixe
meerder accomodatie vande Comercie binnen onse stadt, dat wv ^. ?''^,. "®'^^°'
' ~ betaelinge in
alle de penningen, die de cooplieden vande voorn. Societeyt van banckgeit.
tijt tot tijdt sullen hebben, op Londen te remitteren, | ende die foüo 29 vso.
sy tot haren contentement op particuliere brieven niet en sullen
connen overmaken, van haerluyden op wissel te nemen tot vier
groot vlaems op ider pondt sterlincs boven de cours van de
wisselbrieff t' Amsterdam van tyt tot tyt, sonder dat sy maecklaerdie
sullen betalen. Ende sal de stadt verobligeert wesen, voor de
goede ende prompte betaUnge tot London van alle alsulcke pennin-
gen, als sy in manieren voorsz. vande cooplieden vande voorn.
Societeyt sullen op wissel nemen, volgens de coustuyme vanden
wissel, ende dit voor den tyt van een jaer vanden Xll^n Februarie
toecomende. Ende beloven wij, dat wij in geenderhande manieren
directelyck ofte indirectelyck binnen onse stadt sullen doen op-
soecken, preoccuperen, ofte naer ons trecken de wisselbrieven van
17*
260
eenige perticuliere cooplieden, waerdoor de voorn. Societeyt anders
ofte tot lageren prijse souden mogen worden geaccomodeert, maer
sullen wy alle cooplieden vrijlaten om van hare wisselen te
disponeeren naer hare gelegentheyt. Waer tegen de Gedeputeerde
Folio 30. vande | voorn. Societeyt mede belooft hebben, eerst, dat de coop-
lieden vande voorsz. Societeyt opt vercoopen van hare goedei-en
sullen stipulei'en ende bedingen, betaelt te worden binnen dese
stadt in banck ofte banckgelt; ende ten tweeden, dat sy alle hare
wisselen, die syluyden op London sullen i-emitteren, binnen dese
stadt sullen tracteren ende sluijten, ende dat alle mede voor den
tyd van een jaer van den XII^" deser maent; doch soo de
Societeyt voor ofte opt expireren van tvoorsz. jaer sal goet-
vinden dat dit article ten wedersijden voor een jaer langer worde
geobserveert, waer inne sy opt einde van t' voorsz. jaer haer-
luijder keure ende optie sullen hebben, sal de magistraet haer-
luijden gehouden wesen op den voorverhaelden voet te furneren
ende versien met wisselbrieven gedurende den tyt van twee jaren
naer date als boven.
Le Ten vijflFtichsten beloven de Gedeputeerde, dat de cooplieden
leian e °"e- ^^^^^ voom. Socicteyt alle hare goederen, die sy binnen dese
teyt hare goede- ^ ^ _ '^ ' ^
ren binnen dese Stadt ofte elders binnen de I provintie van Hollandt sullen coopen
stadt te coopen Qjjj Qp Eugelandt te seynden, van dese stadt aff te schepen. Ende
van dese stadt ^^^ ^^' cooplieden vande voorn. Societeyt binnen dese stadt connen
aöseynden naer wordcn vcrsien met alderhande coopmanschappen, die sijluijden
Engeiandt. ^.^^ docne hebben, van gelycke deucht, tot gelycke prys ende op
Folio 30 verso. . , "^ , ° f. *^ "'., .,
gelycke tyt als sy elders te becomen syn, sullen zy daer deur
genoechsaem geanimeert wesen, haerluijder goederen aldaer te
coopen.
i'ie Ten eenenvijfftichsten ; alsoo deur het placcaet, dat sijne Majesteyt
innen es ape ^^^ Groot Brittaignen onlancx heeft gelieven te emaneeren, alle
Stadt vande So- ° °
cieteyt sal geson- syne Majcstcyts ondcrsatcn worden verboden eenighe laeckenen,
den werden de karscyen, bayen ofte andere manufacturen van wolle te seynden
nleuwers elders °P scnige andere plaetse binnen dese provintien als de merct ofte
stapelstadt vande voorn. Societeyt, beloven de voorsz. Gedepu-
Foiio 31. teerde, dat de Societeyt ] hare beste debvoiren sal aenwenden, dat
den handel alsoo worde gecontinueert gedurende hare residentie
261
in dese stadt, ende dat het voorsz. placcaet van syne Hooch
gemelte Majesteyt tegens de contraventien efFectuelyck worde ter
executie gestelt. Dat mede de Societeyt hare ordonnantien ende
Statuten tegens de gene, die ter contrarien sullen doen, strictelyck
sullen executeren. Ende sullen alle de voorsz. goederen, die conform
het voorsz. placcaet binnen dese stadt Rotterdam worden gebracht,
uytgesondert degene, die om hare fouten ofte gebreken hier te
lande niet en connen vercocht worden, aldaer vier maenden moeten
liggen om gebenificieert te worden, aleer sy deselve van daer
sullen mogen verseynden op Engelandt, Hamborch oft elders,
daer de Societeyt Residentie heeft ofte sal mogen hebben. Wel-
verstaende dat de Societeyt alle alsulcke goederen, als binnen dese
stadt sullen comen ende op andere plaetsen buijten dese provintien
syn gedestineert, i mede sullen mogen verseynden terstont op het Foüo 31 verso.
arrivement derselve met kennisse van een vande Burgemeesters.
Ten tweeenvijfi"tichsten beloven de voorsz. Gedeputeerde, dat LUe
de cooplieden van de voorn. Societevt aen niemant anders als aen ^^""^^ a"auti-
'■ _ " ^ teyt van t ver-
laeckencoopers minder quantiteyt t' effens sullen vercoopen als coopen van laec-
vyfif packlaekens oft een stucklaecken, een heel gecoleurt laecken ^enen ende
inde wolle gever wt ; item tien karsey en, t' sy Noorts, Devonschries, ° ^'"^soe
witte ofte gecoleurde ; idem een baye ; ten sy dat imandt, geen
laeckencooper synde ofte hem met den laeckenhandel generende,
commissie creech van een lakencooper om sulcken goederen te
coopen ; dat mede de voorsz. cooplieden niet en sullen mogen
vercoopen coussens, mutsen, hoeyen ende diergelycke cleynicheden
ende wolle waren, als met dosynen.
Ten drieenvyfftichsten beloven de voorsz. | Gedeputeerde, dat ve coopiieden
de Societeyt niet en sal toelaten dat de cooplieden der selve, ofte hare vroü-
nochte oock hare officiers, dienaers oft supposten, door haer ^^^g^g ®°*|® g ^g®"
selven ofte hare vrouwen, sullen vercoopen eenige coopmanschappen ^T^*^?. ™j®* *^®
bii de elle ofte clevnen gewichte, sonder consent vande magistraet. gewicht.
Ten vierenvijfftichsten, by aldien imanden vande Societeyt be- Liiiie
vonden wierde yets gedaen te hebben tegens dese concordaten '^'an straffen van-
dö SociötGvt soo
ofte eenich point daer inne begrepen, en sullen daeromme de «-anneer yèmant
voorz. concordaten niet verstaen worden geinfringeert oft gebroken van haer enich
262
point van dese te wesen, maer sullen de contraventeurs daeroiume naer vermogen
coDcordaten sal
hebben overtre-
den, tien ende statuten.
vande voorn. Societeyt gestraft worden volgens hunne ordonnan-
hebben overtre- .-o o
Ten vijffenvijfftichsten is geaccordeert ende besloten tusschen
ons Vroetschappen deser stede, ende de Gedeputeerde vande
vande Societej-t ^ * '^
De residentie
ande Societey
binnen dese voorsz. Societevt der Marchants Adventuriers van Engelandt int
stadt sal sgn vijf- jjgginsgi | yan dese articulen genoempt, dat de residentie vande
"f" ^*^g„°'^ voorsz. Societej't gestelt ende gecontinueert sal worden binnen dese
onse stadt voor den tyt van vyftien eerstcomende jaren, naer datum
deses, ende sal de voorn. Societeyt gehouden wesen, ses maenden
voort expireren vande voorsz. tyt de magistraet te waerschouwen,
oft sy genegen sullen syn langer te verblyven oft niet, ten sy
dat den noot des oorlooghs ofte eenige andere quade fortnijne,
oft eenich ander inconvenient soude comen te vallen ofte te ont-
staen, daer deur de voorsz. cooplieden met haerluyder goederen
niet langer binnen onse stadt ofte jurisdictie van dien soude
connen blyven, ofte dat sy met geene versekertheyt haerluyder
handel ende trafficque binnen deselve sonden connen exerceren
ende drijven. In welcken gevalle het de voorn. Societeyt vrij sal
syn, dese onse concordaten solemnelyck te renuncieren ende op te
seggen, ende ses maenden daer naer vryelyck ende vredelyck met
Folio 33. haerlieder personen ende [ goederen, hoedanich ende van wat
nature die srjn, uyt onse stadt en het gebiet vandien te vertrecken
sonder eenige verhinderinge, schade, oft molestatie in haerluyder
personen oft goederen.
Lvie Ten sesenvijiftichsten, indien dat eenich verschil ontstae ten
van e^ ni dnvs^ ^'^specte van eenige duijsterheyt ofte twijAFelachticheyt aengaende
terheytoftetwijf- de privilegiën vande voorn. Societeyt ofte dese concordaten ofte
feiachticheyt. eenich article vandien, ofte om eenige andere saecke, sullen wij
int expliceren ende uijtleggen vandien alsulcken equiteyt ende
goedertierentheyt bewysen, dat de Societeyt daer deur onse goede
affectie ende faveur sal mogen verstaen, ende geene oorsaecke
en sal hebben te clagen van rigeur ofte onrecht. Ende indien de
voorn. Societeyt t' eeniger tyt bevint eenich belet, waerdeur sij
dese hunne privilegiën ende ider point ende article vandien gelyck
sv haer vergunt svn niet en connen genieten, sullen wv (t' selve
263
te verstaen gegeven synde van wegen | de Societeyt) twee gequali- roUo 33 verso,
ficeerde personen uyt ons collegie committeren, die met twee dein-
de Societeyt daer toe te deputeren sullen tracteren om de voorsz.
beletselen wecli te nemen ende te maecken een finael accordt,
maer indien sij niet en connen accorderen, sal alsdan de saecke op
t' spoediehste dat mogelyck sal wesen, geeyndicht worden deur
een arbitrateur, by de voorsz. vier gecommitteerde genomineert
ende gecozen te worden.
Ten sevenenvijftichsten beloven wij de voorsz. Societeyt, indien Lviie
hier naer goet ende van noode worde bevonden te wezen, dat tot '''^^^®''°°®"''^*^''*^"
. , , , . dese articulen
dese articulen noch andere pomten werden geinsereert ofte gean- ais de redene
nexeert, dat wij, daer toe versocht synde, soo verre sullen verstaen, suicx vereischt.
als de gerechticheyt ende redenen sal vereischen.
BIJLAGE B.
Lyste vande Namen van die vande Societeyt
der Cooplieden Aveuturiers binnen Rotter-
dam, 1648 — 49.
De Heer Willem Cranmer
Courtmi"
James Ffenn Trezorier
De Predikant
De Secretaris
B a r n e y R e a m e r
Edward Bools
Edward Kendrick
Rogier H a r 1 1 e y
Wra . C O 1 1 m e r
John A y n s w o r t h
John Irish
James Gibbins
Thomas Pfounder
James Hard
R i c h a r d F f o r d
Thomas Buttler
Samuell Auger
H e n r y B o 1 d r o w
T h e o p i 1 e B a y n h a m
W™. Holliday
George Chandler
R i c h. G a y
Xathaniel Knevett
George Boston
Conseirge
James D e h e m
W™. Scap er
Abra™. Halstead
Thomas G a r n e t
Gabriel Rudd
Rob. Washington
H e n r y C u b i 1 1
R i c h. O 1 1 1 e y
John Lodg
W™ . Johnston
Martin Jefferson
Rob. Kilvort
John Sands
]\1 a r c k P a r c k e r
W™ . E m p e r o r
Edmond Teringham
R i c h. B r a s s y, makelaer
John Cnstis, „
Wm . Barcker „
A r t h u r D e e, bode
Nico J i r e, makelaer
L a u r e n t C r o h o u t
Rowland Wynn
Mathew Bulwer
B r y a e n B a 1 1
Edward Broom
Thomas Eyens
John Gay
Augnstin Hariman
Alfred Laethberry
Samuel Levett
Isaac Lytie \
Nico Laurens
Henry ^Montfort
in Engeland
265
John Musson, bode John Smith
Lionell Tychboi-ne Henry Wackfield
Abrah. Sheperd Gamaliell Warren.
Gereserveert degene die uyt dese lyste soude mogen gelaeten
wesen ofte die hier naer hierbij souden moeten gestelt worden, 'i
f
') Deze lijst is dus niet geheel betrouwbaar, daar zij blijkbaar in
korten tijd op navraag is opgesteld en de Engelschen zelf, die de
inlichtingen moesten geven, wel niet al te toeschietelijk zullen ge-
weest zijn, daar het hier een belastingkwestie gold.
Toch is de lijst niet zonder belang. Ze bewijst, dat er, behalve de
11 aangestelde personen (het courtbestuur en zijne dienaren), zoo
omstreeks 36 Engelsche kooplieden met hunnefamiliënte
Rotterdam woonden en nog ± 17 andere, die in het courthuis verblijf
hielden, zonder huisgezinnen. (De huyshoudende lieden zijn in de
oorspronkelijke lijst met een teekentje aangeduid en in de hierboven-
staande copie gespatieerd gedrukt.) Buitendien wordt nog van 2 leden
gemeld, dat ze in Engeland zijn, waaruit we mogen besluiten, dat
ze gewoonlijk ook te Rotterdam verblijf hielden. — Dus in 't geheel,
volgens de lijst, 55 Adventurers, die te Rotterdam woonden.
Dit is nog wel geen groot getal, in vei-gelijking van de duizenden
leden, die de Fellowship telde, maar het bewijst toch, dat de manier
van handeldrijven in de 17e eeuw geheel anders was dan in de
16e, toen de groote stapel zich nog te Antwerpen bevond. In de
16e eeuw was te Antwerpen alleen het courtbestuur met zijne dienaren
gevestigd en de gewone kooplieden woonden allen in Engeland en
kwamen, als ze naar Antwerpen wilden exporteeren, zelf tijdelijk
over, bij gelegenheid van de 4 groote missen. In de 17e eeuw was
dit zelf begeleiden van de koopwaren in onbruik geraakt of ten
minste zeer verminderd, 't geen voor Rotterdam al heel duidelijk
bewezen wordt door den kleinen omvang van het courthuis, dat zeker
niet meer dan honderd personen kon herbergen. De Adventurers in
Engeland vertrouwden hunne goederen toe aan de scheepskapiteins
van de vloot der Fellowship en zonden ze naar het courthuis, waar
de makelaars ze voor hen verkochten, of wel ze verkochten ze zelf
van uit Engeland aan de broeders Adventurers te Rotterdam, die
zoodoende als tweedehandsgrossiers optraden.
Dit meenen wij uit de lijst van 1648 — 49 te moeten opmaken en 't is in
overeenstemming met den gewonen gang van zaken, zooals men dien
overal kan waarnemen in den loop der geschiedenis: zoodra de omstan-
digheden het toelaten, begint de verdeeling van den arbeid.
I
INHOUD.
Blz.
De Merchant Adventurers in de Middeleeuwen 1
Inrichting en beteekenis van de Fellowship of the Merch.
Adv. in de 16« eeuw 16
Intrede der Adventurers in de Republiek der Vereenigde
Nederlanden 31
De groots algemeens court ts Middelburg 63
Intrede in Holland. — De court in 't Prinsenhof te Delft . 75
De komst der Adventurers te Rotterdam "103
De groote strijd met de Staten van Holland 126
De goede jaren van 't verblijf te Rotterdam 144
Onaangename onkosten voor Rotterdam 160
De court tijdens de Engslsche Revolutie 172
Vernieuwing van het Rotterdamsche concordaat 186
Ds serste Engelsche oorlog. — Vertrek der court van Rot-
terdam 192
De court te Dordt. Verval en ondergang der Fellowship . . 207
Naschrift 225
Bijlagsn 237
Bij MARTINUS NIJHOFF te 's-Gravenhage is verschenen:
BALTHASAR BE MOUCIIERON
EEN BLADZIJDE ÜIT DE NEDERL. HANDELSGESCHIEDENIS ^
TIJDENS DEN TACHTIGJARIGEN OORLOG
DOOR Mr. J. H. de stoppelaar.
Een deel. 8vo. Prijs f 3.25 in linnen band f 3.75
I
INHOUD.
Inleidend hoofdstuk. — AVaarom Pierre de Moucheron in 1530 het ouderlijke
huis verliet en hoe het op dien tijd met handel en scheepvaart in en om Middelburg
gesteld was. — Pierre de Moucheron koopman te Middelburg tot zijn vertrek naar
Autwerpen in 1545. — Pierre de Moucheron en zijn gezin te Antwerpen. — Het
handelshuis te Antwerpen na den dood van Pierre de Moucheron. — Engelschen
en Nederlanders in de Witte zee. Jan van de Walle en Olivier Brunei. De expeditie
van Gillis Hoofman naar de Dwina in 1577. Aanleiding tot het eerste Poolonderzoek.
Proefneming van Balthasar de Moucheron om de Zee van Kara te bevaren. Zijne
sihepen aan de Dwina in 1584. Stichting van Archangel. — Laatste jaren van het
handelshuis te Antwerpen. Ballhasar kolonel van de burgerwacht. Overgaaf der stad
aan den hertog van Parma. De Moucheron's opnieuw te Middelburg. Toestand van
handel en scheepvaart aldaar. — De Westersche navigatie in gevaar. Balthasar de
Moucheron richt te Middelburg met drie en twintig andere kooplieden het college
der consiuls op. — Pieter de Moucheron agent der consuls te Londen. Conflict met
den politieken agent. Zijn omgang met Walter Raleigh. Hij keert terug naar Middel-
burg. Jacob Cats wordt zijn commensaal. — Melchior de Moucheron in zijn handel
en Avandel. Balthasar junior en de la Dales te Moscou en te Archangel. — Eerste
jaren van het handelshuis te Middelburg. De voornaamste vennooten. Jacob Valcke
en de Buzanval. Overzeesche handelstochten. Uitvoer van graan naar Italië. Nieuwe
verwikkelingen. Toenemende welvaart. — Balthasar de Moucheron tehuis. Hij """i-t
zijn testament, verliest zijne vrouw en hertrouwt. — Balthasar de Moucheron
aanlegger van de ontdekkingstochten naar de Noordpool. De conferentie te 's-G
hage, het akkoord met Prias Maurits en de resolutie der Staten-Generaal '
Mei 1594. — Uitkomsten van den eersten Noordschen tocht. Dé opinie van
de Veer en van het publiek. De memorie van Kichard Hakluyt. Het discou
Balthazar de Moucheron. De fortificatie van Waigats. — De tweede Haagse!
ferentie en de daaroj) gevolgde resolutie der Staten-Generaal van 10 Mei 1.
het „besoecken ende continueren van de vaert benoorden om in den coninc
van China ende Japan daer die 't voorleden jaer gelaten is". — Voor- en
van den tweeden Noordschen tocht. — Het bloedig handelstooneel. — Vaar
kust van Guinea. Aanslag op Sint George del Mina. De zeeweg b(
Afrika naar Azië. Balthasar de Moucheron wil voorzien in de behoefte af
herberghe voor alle Nederlandtsche schepen, dien wech vaerende". — Deex]
naar Isola del Principe. Joris van Spilbergen. Inbezitueming van het eilan
thasar laat zich den titel aanleunen van markies. Del Principe weder verlc
De vrede van Vervins. Afstand der Nederlanden aan de infante Isabella.
contract van 25 Maart 1599 tusschen Prins Maurits met de Staten-Generaal t<
en Pieter van der Hagen met Balthasar de Moucheron ter andere zijde tot h
van zekere exploiten en couquesten van oorlog. Het gevolg dat daaraa v ■.■:■:
gegeven. — Handel met Brazilië en Spaansch Indië. Avontuur op Hispani'
Nieuwe Zouteilandeu. Daniël de Moucheron te Punto del Rer. Reynier (
en Fasciardo. — De capitulaties en de handel op de Schalen van den Le
De handelsvloot van Balthasar de ^loucheron. Hij vraagt octrooi voor vijft
om alleen te mogen varen op zekere nieuwe vreemde havens. Een gr-heii
tocht. Nuestra Dona del Rcsario. Prins Maurits en zijn hulperen. — De s
der Vereenigde Oost-Indische Compagnie en Ballhasar de Moucheron. — B
de Moucheron's particuliere handel op Oost-Indië, op de kust van Sofala en
tot aan de Roode zee. De juweelen van juffrouw de Moucheron. De kanon
den Soesothoeuan van Soerakarta. — Epiloog.
m
BINDING SECT. DEC 2 t 1967
HF
M5L5
Lintum, C. te.
De Merchant Adventurers
in de Nederlanden
PLEASE DO NOT REMOVE
CARDS OR SLIPS FROM THIS POCKET
UNIVERSITY OF TORONTO LIBRARY
u
O C£>
= S
= LIJ g
%=
QjrïiïiM
= (/)
>^^
O .r-
CO
^Q- o
z:
^^U_
^^
= _l
o^=
(/> o
Q
= ^
5=
^=CD CM
^=IU
»-^=
^2
3^=
= < o
^OC T^
o
o ro
■■